ECLI:NL:RBROT:2026:5729

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
11694161 CV EXPL 25-11210
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:262 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling energievoorschotten en proceskosten na beëindiging huurovereenkomst

In deze zaak vordert eiseres betaling van achterstallige energievoorschotten van gedaagde tot en met maart 2026, een bedrag van €1.327,30. Gedaagde betwist de hoogte van de vordering en stelt dat hij meer heeft betaald dan aangegeven, en dat de verwarming gebreken vertoont die leiden tot onredelijk hoge stookkosten. De kantonrechter oordeelt dat eiseres voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een betalingsachterstand en dat gedaagde zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd door het ontbreken van betalingsbewijzen.

Het beroep van gedaagde op opschorting van betaling wegens gebreken aan de woning wordt verworpen omdat hij geen klacht of ingebrekestelling aan eiseres heeft gedaan, waardoor eiseres niet in verzuim is geraakt. Ook lopende procedures bij de Huurcommissie over huurprijs of onderhoud ontslaan gedaagde niet van zijn betalingsverplichting voor de energievoorschotten.

Gedaagde maakt aanspraak op terugbetaling van de waarborgsom, maar hierover wordt in deze procedure niet beslist omdat hij geen tegenvordering heeft ingesteld en de verschuldigdheid nog niet vaststaat. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd, maar het griffierecht wordt beperkt omdat eiseres een te hoge vordering heeft ingesteld met onredelijke bepalingen in de huurvoorwaarden.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiseres direct kan overgaan tot uitvoering. De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van de achterstallige voorschotten en proceskosten en wijst het overige af.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.327,30 aan achterstallige energievoorschotten en proceskosten van €498,64.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11694161 CV EXPL 25-11210
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: Ridderkerk,
eiseres,
gemachtigde: Velthoven De Koning Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de akte van [eiseres] van 12 februari 2026, met bijlagen;
  • de akte van [eiseres] van 30 maart 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 23 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [naam] namens [eiseres] en [gedaagde] met zijn gemachtigde.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] een betalingsachterstand in de energievoorschotten laten ontstaan. Het gaat daarbij tot en maart 2026 om € 1.327,30. [eiseres] eist nu dat [gedaagde] dat bedrag betaalt met de proceskosten. [gedaagde] is het daarmee niet eens. Hij stelt dat hij meer heeft betaald dan [eiseres] aangeeft en vindt het voorschot te hoog. Ook vindt hij dat hij recht heeft op compensatie vanwege een slecht werkende verwarming. Geoordeeld wordt dat de vordering wordt toegewezen. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.
Betalingsachterstand
2.2.
Tussen partijen staat vast dat zij een huurovereenkomst hebben gesloten die inmiddels per 31 maart 2026 is geëindigd. Ook staat vast dat [gedaagde] op grond van deze overeenkomst verplicht was maandelijks een voorschot voor de energiekosten te betalen.
[eiseres] heeft een specificatie van de openstaande bedragen overgelegd en daarmee voldoende onderbouwd dat sprake is van een betalingsachterstand van € 1.327,30 aan energievoorschotten tot en met maart 2026. [gedaagde] heeft de hoogte van deze achterstand betwist en gesteld dat hij meer betalingen heeft gedaan dan in de specificatie zijn verwerkt. Het lag vervolgens op zijn weg deze stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door overlegging van betalingsbewijzen. Ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij dergelijke stukken niet overgelegd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de door [eiseres] gestelde betalingsachterstand van € 1.327,30.
Gebreken en opschorting?
2.3.
[gedaagde] heeft voorts gesteld dat de leidingen en radiatoren in de woning gebreken vertonen waardoor er warmteverlies optreedt en de stookkosten onredelijk hoog zijn. Voor zover [gedaagde] hiermee een beroep doet op opschorting als bedoeld in artikel 6:262 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) overweegt de kantonrechter als volgt. Een geslaagd beroep op opschorting wegens gebreken aan de woning vereist dat de verhuurder ten aanzien van die gebreken in verzuim verkeert. Op zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de gestelde gebreken nooit bij [eiseres] heeft gemeld. Omdat van een klacht of ingebrekestelling niet is gebleken, is [eiseres] niet in verzuim geraakt. Reeds daarom faalt het beroep op opschorting. Dat tussen partijen procedures bij de Huurcommissie hebben gelopen of mogelijk nog lopen over de kale huurprijs of het onderhoud van de woning betekent niet dat [gedaagde] daarom de verschuldigde energievoorschotten (voor een deel) niet hoeft te betalen.
Waarborgsom
2.4.
Omdat de huurovereenkomst per 31 maart 2026 is geëindigd, maakt [gedaagde] aanspraak op terugbetaling van de waarborgsom. Hierover kan echter niet worden beslist in deze procedure. [gedaagde] heeft namelijk geen tegenvordering (eis in reconventie) ingesteld. Bovendien staat de verschuldigdheid en opeisbaarheid van de waarborgsom nog niet vast. Partijen zullen de afwikkeling van de waarborgsom daarom buiten deze procedure verder moeten regelen.
Proceskosten
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die hij aan [eiseres] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht, € 174,- aan salaris voor de gemachtigde
(2 punten x € 87,-) en € 43,50 aan nakosten. Het griffierecht wordt vastgesteld op € 135,-, omdat het meerdere wordt aangemerkt als nodeloos gemaakte kosten en die komen daarom voor rekening van [eiseres] . [eiseres] heeft namelijk in de dagvaarding een te hoog bedrag gevorderd, terwijl zij had kunnen en moeten weten dat haar vordering voor een deel afgewezen zou worden, omdat in de huurvoorwaarden oneerlijke bepalingen staan over de buitengerechtelijke incassokosten en rente (artikel 237 lid 1 Rv Pro). Het had dan ook [eiseres] van te voren duidelijk moeten zijn dat zij haar vordering te hoog heeft ingezet. Ook het gemachtigdensalaris is berekend op basis van het bedrag dat op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding toewijsbaar was. De proceskosten worden in totaal vastgesteld op € 498,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 1.327,30;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 498,64;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954