Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 in de zaak tussen
[naam horeca-inrichting],uit [plaatsnaam], verzoeker,
de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
Op 18 september 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voor de horeca-inrichting, omdat de eerdere exploitatievergunning was verlopen. De horeca-inrichting exploiteert sinds 20 oktober 2025 middels een voorlopige exploitatievergunning.
Naar aanleiding van dit incident is de horeca-inrichting voor drie maanden gesloten geweest. Na de heropening van de horeca-inrichting vond op 9 juni 2025 een vecht- en steekincident plaats in de horeca-inrichting, is op 22 juli 2025 een bestuurlijke waarschuwing gegeven nadat uit vervolgrapportage van de politie bleek dat er geen camerabeelden beschikbaar waren en vonden op 26 oktober 2025, 1 november 2025 en
7 december 2025 tevens vechtpartijen plaats in en nabij de horeca-inrichting.
Op 21 december 2025 heeft de burgemeester de horeca-inrichting wederom met spoed gesloten voor twee weken, nadat uit politieonderzoek bleek dat niet werd voldaan aan het veiligheidsplan.
Op de tweede plaats heeft de burgemeester de exploitatievergunning geweigerd op grond van artikel 2:28, zesde lid, onder c van de APV omdat de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbaar feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed.
De derde grond voor weigering ligt besloten in artikel 2:28, zesde lid, onder h van de APV omdat in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen of de in het exploitatieplan beschreven maatregelen.
Met de weigering is de voorlopige exploitatievergunning d.d. 20 oktober 2025 komen te vervallen.
Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij na de sluiting van de horeca-inrichting in februari 2025 zijn bedrijfsconcept heeft aangepast met nadruk op bruiloften en een aantal commerciële feesten met oude clientèle. Hij wijst daarbij op de agenda waaruit blijkt dat op korte termijn een aantal evenementen in de horeca-inrichting op de planning staan, die een laag risicoprofiel hebben en waarbij derde partijen zijn betrokken. Ook benadrukt hij dat de horeca-inrichting een belangrijke functie heeft binnen de Surinaams-Hindoestaanse gemeenschap.
Voor zover sprake is geweest van een incident, kan deze niet worden aangemerkt als een structurele of aan verzoeker als exploitant toe te rekenen verstoring van de openbare orde, maar betreft het een incidenteel voorval dat binnen de reguliere risico’s van openbare bijeenkomsten valt.
Delta Force op 16 december 2025 heeft verzoeker ter zitting medegedeeld dat hij vanaf dat moment een ander professioneel beveiligingsbedrijf in de arm heeft genomen. Hoewel op zich juist is dat er op 20 december 2025 twee beveiligers aanwezig waren die (nog) niet over de juiste papieren beschikten, betreft dit een tekortkoming van een derde partij (het beveiligingsbedrijf) en is dit onvoldoende om dit in de vorm van nalatigheid van verzoeker als exploitant tegen te werpen. Dit was overigens al gesignaleerd en om die reden waren er reeds twee vervangende, gecertificeerde beveiligers onderweg naar de horeca-inrichting.
De burgemeester heeft de aanvraag ook niet zorgvuldig afgehandeld, aangezien in het bestreden besluit een foutieve datum staat.
Verzoeker wil met zijn verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, zodat hij de exploitatie van de horeca-inrichting gedurende de bezwaarfase kan voortzetten.
De voorzieningenrechter dient dus eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden reden om het spoedeisend belang aan te nemen en zal daarom de zaak inhoudelijk beoordelen.
Het is dus aan de burgemeester om de situatie te beoordelen en de betrokken belangen af te wegen. De bestuursrechter toetst of de burgemeester geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn beleidsruimte en of het besluit geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor één of meer belanghebbenden. [1]
Om die reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om op dit moment de duur van de ordemaatregel te verlengen in die zin dat het bestreden besluit geschorst blijft tot vier weken na het besluit op bezwaar. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat in het dossier meerdere bestuurlijke rapportages van de politie zitten, met onderliggende processen-verbaal en mutatierapporten, die het beeld doen rijzen dat in de horeca-inrichting vaak (gewelds)incidenten plaatsvinden. In de bestuurlijke rapportage van 23 december 2025 is een overzicht van de incidenten over de periode juni 2025 tot en met december 2025 bijgevoegd.
Een bestuurlijke rapportage is door de politie naar waarheid opgemaakt op basis van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen.
De burgemeester mag in beginsel, onverminderd haar eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, afgaan op de juistheid van de bevindingen die daarin zijn neergelegd. Als die bevindingen worden betwist, zal zij moeten onderzoeken of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding en uiteindelijk aan het te nemen besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. [2]
In de kern komt het betoog van verzoeker er op neer dat aan hem als exploitant onmogelijk verweten kan worden dat er mensen zijn die zich bewapenen en andere personen verwonden. Dat is eerder een maatschappelijk probleem waar ook verzoeker zich als exploitant mee geconfronteerd ziet. Verzoeker heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de sluiting van zijn horeca-inrichting in begin februari 2025, maar heeft deze bezwaren niet langer gehandhaafd en juist van de gelegenheid gebruik gemaakt om een beveiligingsplan op te stellen om toekomstige incidenten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. De in het plan opgenomen maatregelen zijn met de burgemeester en de politie besproken.
Dit incident kan dan ook volgens verzoeker niet de reden zijn voor het weigeren van de exploitatievergunning.
Ten aanzien van het steekincident op 10 juni 2025 betwist verzoeker dat het incident heeft plaatsgevonden in of voor het pand van de horeca-inrichting, maar in de omgeving van de horeca-inrichting (voorbij de onderneming [naam 2]). Er heeft weliswaar een opstootje in een zaal van de horeca-inrichting plaatsgevonden, maar dit is door de beveiliging opgelost. Volgens verzoeker is binnen de horeca-inrichting niet gestoken en er is ook niemand met verwondingen naar buiten geëscorteerd. Daarna leek de rust wedergekeerd te zijn. Pas later en verderop vond het steekincident plaats. Het lijkt te gaan om een steekpartij tussen twee personen die (mogelijk) eerder ruzie met elkaar hadden. Verzoeker benadrukt dat het door de detectiepoortjes onmogelijk is om een mes mee naar binnen te nemen. Verzoeker stelt verder dat steekpartijen overal kunnen plaatsvinden en dat dit steekincident niet gericht was tot zijn horeca-inrichting, zodat hem geen verwijt treft. Door de burgemeester is kenbaar gemaakt dat bij een ernstig geweldsincident altijd wordt overgegaan tot een spoedsluiting.
In dit geval heeft de burgemeester aan verzoeker op 22 juli 2025 een waarschuwing gegeven voor het schenden van het vertrouwen, maar is niet besloten tot een verlenging van de spoedsluiting.
Ten aanzien van de spoedsluiting op 21 december 2025 betoogt verzoeker dat er voldoende beveiligers waren, omdat er die avond twee besloten feesten waren met een zeer beperkte kring van genodigden. Verzoeker voldeed dan ook aan het veiligheidsplan. Hij betwist dat sprake was van een reële dreiging, maar eerder dat het ging om een misverstand tussen de politie en hem als exploitant. Verzoeker heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de spoedsluiting van 21 december 2025, maar dit bezwaar ook weer ingetrokken.
In het bestreden besluit is de burgemeester niet, althans niet voldoende specifiek ingegaan op de beantwoording van deze vraag en meer in het bijzonder in hoeverre de (gewelds-) incidenten die nabij de horeca-inrichting hebben plaatsgevonden in die concrete gevallen aan verzoeker kunnen worden toegeschreven, of dat zij kunnen worden toegeschreven aan een maatschappelijke trend zoals door verzoeker betoogd.
Dit geldt onder meer voor de vechtpartijen die blijkens de bestuurlijke rapportage zouden hebben plaatsgevonden op 26 oktober, 1 november en 7 december 2025, waarnaar de burgemeester in het bestreden besluit verwijst. Van die incidenten is slechts in de bestuurlijke rapportage van 23 december 2025 kort verslag gedaan, maar hieraan zijn geen processen-verbaal ten grondslag gelegd. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd hoe deze incidenten zich verhouden tot wat van een exploitant kan worden verwacht, in aanmerking nemende de bepalingen in de APV.
Dit geldt ook voor de ernstige geweldsincidenten, die in of in de nabijheid van de horeca-inrichting hebben plaatsgevonden op 1 februari 2025 en op 10 juni 2025. Met betrekking tot het schietincident op 1 februari 2025 begrijpt de voorzieningenrechter uit het dossier dat het voor verzoeker onduidelijk is wat er is gebeurd en waar het schietincident exact heeft plaatsgevonden. Een terugkoppeling vanuit de politie is uitgebleven en verzoeker is verder niet door de burgemeester geïnformeerd. Niet in geschil lijkt dat het niet gaat om een aanslag gericht op het pand dan wel op verzoeker als exploitant. Onduidelijk is of en in hoeverre verzoeker in relatie tot het incident op 1 februari 2025 verwijtbaar heeft gehandeld en in hoeverre incidenten als deze, met excessief geweld, voor rekening van verzoeker als exploitant kunnen komen. Met betrekking tot het steekincident op 10 juni 2025 bestaat er eveneens onduidelijkheid of in dit geval verzoeker als exploitant een verwijt kan worden gemaakt.
Ten aanzien van het incident op 20 december 2025 heeft verzoeker op de zitting aangevoerd dat hij eigenlijk slechts twee of drie beveiligers hoefde in te huren, aangezien het ging om twee feesten, een reünie en een verjaardagsfeest, allebei een laag risico-evenement met een beperkt aantal bezoekers. De burgemeester heeft in haar besluit van 21 december 2025 ten aanzien van de spoedsluiting van de horeca-inrichting echter overwogen dat in het veiligheidsplan staat aangegeven dat minimaal 12 beveiligers aanwezig dienen te zijn wanneer er circa 600 bezoekers worden verwacht, dan wel aanwezig zijn in de horeca-inrichting. Deze overweging lijkt echter in strijd met het Plan van Aanpak. In de bestuurlijke rapportage van 23 december 2025 wordt genoemd dat er 12 beveiligers nodig waren volgens het veiligheidsplan, terwijl er maar 7 beveiligers waren waarvan 2 beveiligers zonder een geldige pas. Dat het beveiligingsbedrijf niet op de hoogte was van het veiligheidsplan, dient op zich inderdaad voor rekening en risico te komen van verzoeker, maar dat laat onverlet dat er kennelijk onduidelijkheid bestond over het aantal beveiligers dat nodig zou zijn ter beperking van de risico’s voor de openbare orde. Onduidelijk blijft waarom er in dit geval ‘volgens het veiligheidsplan 12 beveiligers nodig waren’, terwijl het Plan van Aanpak voor niet-commerciële feesten uitgaat van minder beveiligers.
Ook in de verslagen van de stopgesprekken ziet de voorzieningenrechter niet terug dat met verzoeker harde afspraken zijn gemaakt over het aantal beveiligers dat minimaal aanwezig moet zijn.
Verzoeker heeft in zijn zienswijze en ter zitting duidelijk gemaakt dat de horeca-inrichting niet alleen voor commerciële feesten wordt gebruikt, maar met name voor familiefeesten, bruiloften en andere culturele evenementen die soms alleen overdag plaatsvinden (zoals lezingen). Bruiloften en familiefeesten worden vaak lang van tevoren gepland en door de weigering van de exploitatievergunning worden met name derde-belanghebbenden getroffen, aldus verzoeker.
De voorzieningenrechter volgt de burgemeester niet in haar stelling dat het verzoeker al sinds het voornemen van 31 december 2025 bekend moest zijn dat zijn aanvraag voor een exploitatievergunning hoogstwaarschijnlijk zou worden geweigerd en dat in dat kader van verzoeker had mogen worden verwacht dat hij huurders van (zalen in) de locatie hiervan tijdig op de hoogte zou stellen. Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester met deze relatief korte termijn onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van derden, die geconfronteerd worden met de gevolgen van het bestreden besluit en op zoek moeten naar een andere locatie voor hun evenement (bruiloft of verjaardags-feest). Daar komt bij dat desgevraagd is gebleken dat zich sinds de spoedsluiting van
21 december 2025 geen incidenten meer hebben voorgedaan.
Gelet op al deze omstandigheden had de burgemeester in het bestreden besluit nader in moeten gaan op de gevolgen voor derde-belanghebbenden in verband met de reeds geplande evenementen in de horeca-inrichting van verzoeker.
Dit veiligheidsplan per evenement dient tenminste in overeenstemming te zijn met het door verzoeker eerder bij zijn aanvraag opgestelde veiligheidsplan.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
a. verzoeker per evenement een duidelijk veiligheidsplan (met daarin
uitgewerkt de te nemen beveiligingsmaatregelen en de aanvangs- en
sluitingstijden) opstelt en dit plan tijdig, uiterlijk 24 uur voorafgaand aan het
evenement ter goedkeuring voorlegt aan de burgemeester of diens
vertegenwoordiger en/of aan een of meer daarbij te betrekken hulpdiensten,
waarbij dit veiligheidsplan per evenement tenminste in overeenstemming
dient te zijn met het door verzoeker eerder bij zijn aanvraag opgestelde
veiligheidsplan;
‘s nachts, ter voorkoming of beperking van het risico op incidenten en
exploitant van de horeca-instelling te waarborgen dat bezoekers het pand
van de horeca-inrichting uiterlijk om 01:00 uur ’s nachts zullen verlaten of
verlaten hebben;