Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5796

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
ROT 26/2860
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 ParticipatiewetArt. 53a lid 1 ParticipatiewetArt. 53a lid 6 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens onrechtmatig opvragen bankafschriften

Verzoekster ontvangt sinds 2018 een bijstandsuitkering en het college startte in 2025 een rechtmatigheidsonderzoek vanwege onduidelijkheid over haar woon- en leefsituatie. Het college vroeg bankafschriften op over een periode van 15 maanden, wat verzoekster betwistte als disproportioneel en onrechtmatig. Na het niet verstrekken van de gevraagde gegevens schortte het college de uitkering op en trok deze later in.

Verzoekster vroeg een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen, stellende dat zij door het wegvallen van de uitkering haar huur en andere kosten niet kan betalen, wat een spoedeisend belang oplevert. De voorzieningenrechter oordeelde dat het opvragen van bankafschriften over zo'n lange periode niet proportioneel was en dat het college onvoldoende concrete feiten had om dit te rechtvaardigen.

De belangenafweging leidde tot toewijzing van de voorlopige voorziening, waarbij de intrekking werd geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoekster. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schorst de intrekking van de bijstandsuitkering wegens disproportioneel opvragen van bankafschriften over 15 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2860
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster

(gemachtigde: mr. R.J. Michielsen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee, het college

(gemachtigde: [naam 1]).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 19 februari 2026 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 26 december 2025 ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en [naam 2] namens het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
2. Verzoekster ontvangt sinds 19 maart 2018 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). In het najaar van 2025 is het college een rechtmatigheidsonderzoek gestart. De aanleiding daarvoor was dat verzoekster gehuwd is en er onduidelijkheid bestond over de feitelijke woon- en leefsituatie van verzoekster en haar echtgenoot. Bij brief van 4 november 2025 heeft het college aan verzoekster gevraagd om de bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen vanaf 23 juli 2024 toe te sturen alsmede beschikkingen van de Belastingdienst en/of andere stukken die van invloed zouden kunnen zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering. Het college heeft in de brief van 11 december 2025 het verzoek beperkt tot de bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van verzoekster en van haar kinderen vanaf 1 september 2024 tot en met november 2025. Aan verzoekster is verzocht om de desbetreffende afschriften toe te sturen voor 25 december 2025. Omdat verzoekster de gevraagde afschriften niet binnen die termijn heeft verstrekt, is het college met het besluit van 9 januari 2026 overgegaan tot opschorting van de bijstandsuitkering.
3. Het college heeft in het opschortingsbesluit van 9 januari 2026 verzoekster nogmaals een termijn geboden om de gevraagde gegevens over te leggen, namelijk uiterlijk op 26 januari 2026. Verzoekster heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt. Het college is daarom met het besluit van 19 februari 2026 overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 26 december 2025.
Wat vindt verzoekster?
4. Verzoekster is het niet eens met de intrekking van haar bijstandsuitkering. Zij voert daartoe aan dat het college ten onrechte op verschillende momenten geen duidelijkheid heeft gegeven over de reden waarom er bankafschriften over een periode van 15 maanden zijn opgevraagd. Volgens jurisprudentie mag het college enkel de afschriften over een periode van drie maanden zonder aanleiding opvragen. Daarnaast valt het niet verstrekken van bankgegevens niet onder een schending van de informatieplicht. [1] Ook hebben eerder meerdere onderzoeken plaatsgevonden, waarbij de aangeleverde stukken telkens werden geaccepteerd. Verzoekster wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat haar bijstandsuitkering vanaf 26 december 2025 wordt hersteld.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Verzoekster voert aan dat zij vanwege de opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering haar huur-, energie- en waterkosten niet meer kan betalen. Verzoekster heeft stukken overgelegd, waaruit onder andere blijkt dat verzoekster binnenkort wordt gedagvaard vanwege haar huurachterstand. De voorzieningenrechter ziet hierin een acute financiële noodsituatie, waardoor zij het spoedeisend belang aanneemt.
Omvang van het geding
6. Op de zitting heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening tegen het opschortingsbesluit van 9 januari 2026 ingetrokken, waardoor de voorzieningenrechter zich beperkt tot een beoordeling van het intrekkingsbesluit van 19 februari 2026.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe
7. De vraag die partijen verdeeld houdt komt er op neer of in dit geval sprake is geweest van een schending van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw en of het college wel over een periode van 15 maanden bankafschriften mocht opvragen.
7.1.
De medewerkingsverplichting houdt in dat de belanghebbende op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking moet verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het college kan ingevolge artikel 53a, eerste lid, van de Pw bepalen welke gegevens en bewijsstukken moeten worden overgelegd. Ook kan het college de wijze en het tijdstip bepalen waarop dit moet gebeuren. In het kader van de medewerkingsverplichting kan het college onder meer verzoeken om het overleggen van financiële gegevens, zoals bankafschriften. [2] Bankafschriften mogen dus op zichzelf worden opgevraagd en dit geldt ook voor de bankafschriften van rekeningen van de kinderen, omdat een bankrekening op naam van het kind de veronderstelling rechtvaardigt dat de ouder redelijkerwijs over het tegoed op die rekening kan beschikken.
7.2.
Het college is ook op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Pw steeds en spontaan bevoegd om onderzoek in te stellen. Daarvoor is volgens vaste rechtspraak geen voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. [3] Dit mag ook als eerder onderzoek is beëindigd of uit eerder onderzoek niets naar voren is gekomen. [4] Daarbij geldt dat het college ook bankafschriften mag opvragen over de laatste drie maanden. Indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen kan het college in het kader van dat onderzoek zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften en andere financiële gegevens van de betrokkene over een verder in het verleden liggende periode. [5] De vraag is in hoeverre die concrete feiten en omstandigheden in deze zaak aanwezig zijn en of het wel in lijn is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit om in dit geval bankafschriften over een periode van 15 maanden op te vragen.
8. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog niet in waarom niet in eerste instantie kon worden volstaan met het opvragen van bankafschriften over een kortere periode, bijvoorbeeld de laatste drie maanden, dus augustus, september en oktober 2025. Dat verzoekster in augustus 2023 is getrouwd (waarna later legalisatie van het huwelijk heeft plaatsgevonden), verzoekster in juli 2024 (vanuit het ouderlijk huis) op zichzelf is gaan wonen, en zwanger is geworden van haar vierde kind, is op zichzelf onvoldoende reden om aan te nemen dat sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat hierin zonder meer een rechtvaardiging kon worden gevonden om bankafschriften op te vragen over een periode van 15 maanden. Het opvragen van de bankafschriften over een dergelijk lange periode en de daarmee gemaakte inbreuk op het recht op privacy – het privéleven – van verzoekster stond, naar het zich laat aanzien, dan ook niet in een redelijke verhouding tot het daarmee te dienen doel en was dus niet proportioneel. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Raad van 20 december 2022 [6] .
9. De voorzieningenrechter heeft dan ook twijfels over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en dat betekent dat zij een belangenafweging zal maken. De voorzieningenrechter ziet aan de zijde van verzoekster zwaarwegende belangen, namelijk dat zij op dit moment geen inkomsten heeft, er sprake is van een dreigende huisuitzetting, er schulden aan het ontstaan zijn en er bovendien diverse minderjarige kinderen bij verzoekster inwonen die mogelijk dus ook hun huis uitgezet zullen worden. Daartegenover staat alleen het financiële belang van het college en het belang dat in de toekomst mogelijk een grote(re) terugvordering zal plaatsvinden als blijkt dat verzoekster ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Het college had echter niet op deze manier de bankafschriften voor de duur van 15 maanden mogen vragen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit, zodat de betaling van de bijstandsuitkering weer dient plaats te vinden met ingang van 26 december 2025, tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
12. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026 door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 12 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1395.
2.Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van de Raad van 30 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:875.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 23 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:716.
5.Zie de uitspraken van de Raad van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333 en 20 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2792.