ECLI:NL:RBROT:2026:5805
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Veroordeling burgemeester in proceskosten na intrekking voorlopige voorziening
Op 29 april 2026 heeft de burgemeester van Rotterdam de exploitatievergunning van verzoekster geschorst voor twee weken vanwege het ontbreken van een beheerder in de horeca-inrichting. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening en een ordemaatregel. Op 30 april 2026 werd de ordemaatregel toegewezen en het besluit geschorst.
Op 8 mei 2026 trok de burgemeester het besluit in, waarna verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening introk en de burgemeester verzocht haar te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter gaf de burgemeester de gelegenheid te reageren en deed zonder zitting uitspraak.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester met het intrekken van het besluit aan verzoekster was tegemoetgekomen, waardoor toewijzing van het verzoek om proceskostenveroordeling passend was. De proceskosten werden vastgesteld op € 934,-, exclusief het griffierecht van € 397,- dat de burgemeester eveneens moet vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De burgemeester wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- proceskosten aan verzoekster na intrekking van het schorsingsbesluit.