Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5815

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/715230 / JE RK 26-341
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens blijvende zorgen en ondersteuning

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2024, die sinds juli 2024 in een pleeggezin waren geplaatst vanwege emotionele overbelasting van de moeder. De kinderen zijn recent onverwacht teruggeplaatst bij de moeder, wat een zware periode voor haar veroorzaakte. De moeder is in behandeling bij de GGZ en wordt ondersteund door haar netwerk, waaronder haar ex-partner die positief is gescreend.

De kinderrechter constateert dat ondanks de terugplaatsing ernstige zorgen blijven bestaan over de situatie van de kinderen en de draagkracht van de moeder. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de jeugdbeschermer in staat te stellen de hulpverlening te coördineren en in te grijpen indien nodig. De hulpverlening wordt uitgebreid met een SPAM-traject en voortzetting van de GGZ-behandeling.

De kinderrechter besluit daarom de ondertoezichtstelling te verlengen tot 4 april 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De moeder verzet zich tegen de verlenging, maar de rechter acht de maatregel in het belang van de kinderen en de continuïteit van de hulpverlening onontbeerlijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 4 april 2027 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715230 / JE RK 26-341
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. van der Stel, kantoorhoudende te Schiedam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 19 februari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 1] en [naam 2]

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 4 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 september 2025 een machtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 4 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting heeft de GI het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De afgelopen periode zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] teruggeplaatst bij de moeder. De samenwerking met de pleegmoeder verliep stroef. Er heeft op 16 februari jongstleden een overleg plaatsgevonden. Daarbij heeft de pleegmoeder aangegeven geen co-ouderschap met de moeder te willen, waarop de kinderen van de een op andere dag zijn teruggeplaatst bij de moeder. Deze verandering had impact op de moeder. Zij heeft deze periode als zwaar ervaren. De GI en pleegzorg hebben een plan gemaakt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in deeltijd binnen het netwerk, te weten de ex-partner van de moeder, te plaatsen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de ex-partner van de moeder inmiddels positief gescreend. De GI heeft het gezin verder aangemeld voor SPAM. De bedoeling is dat dit traject zo spoedig mogelijk gaat starten. De komende periode is het belangrijk dat de hulpvragen van de moeder worden beantwoord en de adviezen vanuit het NIKA-traject worden gevolgd. Het is belangrijk dat de moeder niet opnieuw wordt overvraagd.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder verzoekt het verzoek van de GI af te wijzen. De afgelopen periode was erg zwaar voor de moeder, omdat de kinderen snel en onverwacht bij de moeder terug zijn geplaatst. Desondanks is het de moeder gelukt om overeind te blijven en gaat het goed met de kinderen. Vanwege de vroeggeboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan de kinderen de komende jaren bij de kinderarts onder controle. Er is daarmee zicht op de medische situatie van de kinderen. De ex-partner van de moeder is betrokken bij de kinderen en ook haar verdere netwerk biedt steun. De moeder accepteert de hulpverlening en weet de weg naar de hulpverlening te vinden. De ondertoezichtstelling wekt bij de moeder wantrouwen, omdat zij niet overal wordt betrokken door de GI. Er is momenteel geen hulpverlening betrokken zoals SPAM en de jeugdbeschermer komt slechts twee keer per maand langs bij de moeder. De moeder heeft de kinderopvang zelf geregeld en is onder behandeling bij de GGZ. Verder werkt de moeder en heeft zij de kinderen opgevangen zonder dat zij werd ondersteund door de hulpverlening.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er bestaan nog altijd ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In juli 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vrijwillige basis in een pleeggezin geplaatst, omdat het de moeder niet lukte om voldoende emotioneel beschikbaar te zijn voor de kinderen. De moeder was overbelast en kampte met psychische klachten. De moeder is in behandeling gegaan bij de GGZ, om stress-triggers te herkennen en daarmee te leren omgaan. De bedoeling was dat zij op termijn de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer op zich zou nemen.
5.3.
Bij voormelde beschikking van 4 april 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld, omdat het van belang werd geacht dat er een vaste jeugdbeschermer kwam om de moeder de ondersteunen en de regie te voeren ten aanzien van de hulpverlening. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend om de plaatsing in het pleeggezin de formaliseren. Bij voormelde beschikking van 25 september 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd, omdat de moeder liet weten nog niet in staat te zijn om volledig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen.
5.4.
De afgelopen periode zou stapsgewijs worden toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder. Tijdens een overleg op 16 februari jongstleden gaf de pleegmoeder echter aan niet langer voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te willen zorgen, omdat zij een andere verwachting had van haar rol als pleegmoeder. Co-ouderschap met de moeder zag zij niet zitten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn vervolgens onverwacht snel bij de moeder teruggeplaatst.
5.5.
De afgelopen periode is het zwaar geweest voor de moeder om volledig voor de kinderen te zorgen. Het gaat op dit moment naar omstandigheden goed met de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar de situatie is nog pril en kwetsbaar. Er dient voorkomen te worden dat de moeder opnieuw overbelast raakt, met als gevolg dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer uit huis moeten worden geplaatst. Het netwerk is beschikbaar gebleken om de moeder te ondersteunen. Zo is de ex-partner van de moeder gescreend door pleegzorg, zodat hij een deel van de zorg op zich kan nemen, om haar te ontlasten. SPAM zal ingezet worden om moeder te ondersteunen in de thuissituatie, waarbij de adviezen van het NIKA-traject gevolgd zullen worden. Ook zal de moeder haar behandeling bij de GGZ voortzetten.
5.6.
Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat de jeugdbeschermer de betrokken blijft om de moeder de ondersteunen, de thuisplaatsing en het verloop van de hulpverlening te volgen. De jeugdbeschermer kan dan ook eventueel ingrijpen als dat nodig is.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar, te weten tot 4 april 2027.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 4 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.