Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5850

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716466 / JE RK 26-490
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en ouderlijke conflicten

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege ernstige zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, veroorzaakt door conflicten tussen de ouders. De ouders hebben een tegenovergestelde beleving van de zorgregeling, wat leidt tot spanningen die de ontwikkeling van de minderjarige negatief beïnvloeden.

De kinderrechter neemt het verzoek van de Raad en de ondersteuning van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond over. De moeder uit zorgen over gedragsveranderingen bij de minderjarige, terwijl de vader de beschuldigingen ontkent. Deskundigen hebben geen duidelijke signalen van onveiligheid vastgesteld, maar de situatie leidt tot een loyaliteitsconflict en een negatieve invloed op het welzijn van het kind.

De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening niet toereikend is en dat gedwongen hulpverlening noodzakelijk is. Daarom wordt de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van twaalf maanden, met directe uitvoerbaarheid van de beschikking. De beschikking is op 30 april 2026 uitgesproken door kinderrechter G.M. Paling.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor twaalf maanden met directe uitvoerbaarheid van de beschikking.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716466 / JE RK 26-490
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Verschoor, kantoorhoudende te Rozenburg,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 13 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • een aanvullend schrijven van de Raad van 29 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • een stuk van de vader, dat door hem ter zitting is overgelegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 2] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont wisselend bij de moeder en de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting heeft de Raad het verzoek gehandhaafd en als volg toegelicht. De Raad maakt zich ernstig zorgen over [minderjarige] . Beide ouders hebben een tegenovergestelde beleving over het verloop van de zorgregeling, als het gaat om het verblijf van [minderjarige] bij de vader. De spanningen tussen de ouders zijn verder opgelopen en dit heeft een negatieve invloed op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Het is van belang dat er hulpverlening wordt ingezet. De Raad adviseert om speltherapie, een korte gezinsopname, het NIKA-traject en Ouderschap Na Scheiding (hierna ONS) in te zetten.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. De GI maakt zich ook ernstig zorgen over [minderjarige] . Er is sprake van tegenstrijdige signalen vanuit [minderjarige] , de moeder en de vader. De komende periode wil de GI hulpverlening inzetten. Er is direct een jeugdbeschermer beschikbaar.
4.2.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder maakt zich zorgen over [minderjarige] en zijn ontwikkeling. [minderjarige] laat ander gedrag zien. Zo gaat hij niet meer het water in bij zwemles en vertelt hij gruwelijke verhalen. De moeder wil niet dat [minderjarige] nog langer wordt blootgesteld aan dat waarover hij vertelt. Het is belangrijk dat [minderjarige] serieus wordt genomen in zijn verhaal en hij zich weer vrij kan bewegen. De moeder vraagt al langer om hulp en zij is blij dat er nu regie kan worden gevoerd door een jeugdbeschermer. Het is van belang dat [minderjarige] iemand kan vertrouwen en zijn verhaal kan doen.
4.3.
De vader heeft zich ter zitting niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de Raad. De vader wordt al anderhalf jaar lang onderzocht door verschillende instanties en beschuldigd van ernstige feiten. Als [minderjarige] bij de vader is, dan is hij vrolijk en vertelt hij verhalen. De uitkomsten van de onderzoeken zijn steeds hetzelfde. De vader staat open voor hulpverlening, maar is terughoudend in de samenwerking met de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over de veiligheid en de opvoedsituatie van [minderjarige] . Sinds de scheiding van de ouders in 2024 hebben de moeder en haar netwerk diverse malen melding gemaakt van signalen betreffende seksueel misbruik, mishandeling en drogering van [minderjarige] door de vader. Deskundigen hebben onderzoek gedaan. Daarbij zijn geen duidelijke zorgen of signalen van onveiligheid vastgesteld. De moeder blijft echter zorgen uiten en bewijsmateriaal verzamelen door [minderjarige] te laten onderzoeken. [minderjarige] heeft drie geïsoleerde zorgelijke uitspraken gedaan op school. De school heeft in zijn echter nooit signalen van onveiligheid waargenomen. De school ervaart [minderjarige] als een hele blije en ontspannen jongen. De vader ontkent de beschuldigingen die door de moeder zijn en worden geuit. Volgens de vader is [minderjarige] vrolijk, als hij bij hem is.
5.3.
De hiervoor beschreven situatie heeft een negatieve invloed op [minderjarige] . Als er niets verandert, heeft dit volgens de Raad gevolgen voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en zijn gevoel van veiligheid en voorspelbaarheid. Ook is de kans aanwezig dat [minderjarige] door de strijd tussen de ouders verder klem komt te zitten en in een loyaliteitsconflict terechtkomt. Door de strijd en spanningen tussen hen lukt het de ouders niet te communiceren in het belang van [minderjarige] . De ouders wantrouwen elkaar en er is sprake van tegenstrijdige verhalen. De ouders zijn daardoor niet in staat om met hulpverlening in het vrijwillig kader de zorgen weg te nemen, ook al staan zijn deels open voor hulpverlening.
5.4.
Nu de ouders niet zelfstandig in staat zijn om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden en ervoor te zorgen dat hij onbelast contact met hun beide ouders kan hebben, is hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. Gezien de problematiek acht de kinderrechter het van belang dat de jeugdbeschermer die beschikbaar is direct de regie pakt en zo spoedig mogelijk de noodzakelijke hulpverlening inzet. Door de Raad wordt daarbij gedacht aan speltherapie voor [minderjarige] en een korte gezinsopname, het NIKA-traject en ONS voor beide ouders.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden, te weten tot 30 april 2027.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.