De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege ernstige zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, veroorzaakt door conflicten tussen de ouders. De ouders hebben een tegenovergestelde beleving van de zorgregeling, wat leidt tot spanningen die de ontwikkeling van de minderjarige negatief beïnvloeden.
De kinderrechter neemt het verzoek van de Raad en de ondersteuning van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond over. De moeder uit zorgen over gedragsveranderingen bij de minderjarige, terwijl de vader de beschuldigingen ontkent. Deskundigen hebben geen duidelijke signalen van onveiligheid vastgesteld, maar de situatie leidt tot een loyaliteitsconflict en een negatieve invloed op het welzijn van het kind.
De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening niet toereikend is en dat gedwongen hulpverlening noodzakelijk is. Daarom wordt de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van twaalf maanden, met directe uitvoerbaarheid van de beschikking. De beschikking is op 30 april 2026 uitgesproken door kinderrechter G.M. Paling.