ECLI:NL:RBROT:2026:6001
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Hoogte dagloon IVA-uitkering na buitengerechtelijke vernietiging arbeidsovereenkomst
Eiser was werkzaam bij een werkgever en meldde zich ziek waarna hij een IVA-uitkering met verkorte wachttijd kreeg toegekend door het UWV. Het dagloon voor de uitkering werd berekend op basis van een kort dienstverband bij een ander bedrijf, wat leidde tot een relatief laag dagloon en uitkering.
Eiser stelde dat de arbeidsovereenkomst met dat andere bedrijf buitengerechtelijk was vernietigd wegens dwaling, waardoor deze geacht moest worden nooit te hebben bestaan. Hij betoogde dat het dagloon daarom op het loon van zijn oorspronkelijke werkgever moest worden gebaseerd, en dat het huidige dagloon onredelijk bezwarend was in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de buitengerechtelijke vernietiging pas na het instellen van het beroep had plaatsgevonden en uitsluitend was gericht op het verkrijgen van een hogere uitkering. Dit was onvoldoende om aan te nemen dat de polisadministratie onjuist was. De rechtbank volgde de vaste rechtspraak dat het UWV mag uitgaan van de polisadministratie tenzij onjuistheid is aangetoond.
Verder werd geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel niet leidde tot afwijking van het historische dagloon, dat bepalend is voor het welvaartsniveau. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak bevestigt dat het UWV bij dagloonberekening mag vertrouwen op polisadministratiegegevens en dat latere buitengerechtelijke vernietigingen die gericht zijn op hogere uitkeringen niet automatisch leiden tot herziening van het dagloon.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de hoogte van het dagloon voor de IVA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het UWV mag uitgaan van de polisadministratie.