Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6013

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/687617 / KG ZA 24-978
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking verkoop woning en uitkoop ex-echtgenote

Partijen zijn ex-echtgenoten en gezamenlijk eigenaar van een woning die aan de man is toegewezen onder de voorwaarde dat de vrouw wordt uitgekocht en uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek wordt ontslagen. Zij sloten een convenant waarin de man tot 25 juni 2026 de tijd kreeg om dit te regelen. De vrouw vreesde dat de man niet tijdig zou meewerken aan verkoop aan een derde indien hij de hypotheek niet kon overnemen.

De rechtbank hield rekening met het grote tijdsverloop sinds de echtscheidingsbeschikking en de financiële en mentale problemen van de vrouw. De man kreeg een verlenging tot 1 juli 2026 om de vrouw uit te kopen en uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. Indien dit niet lukt, moet hij meewerken aan verkoop van de woning aan een derde, waaronder het tekenen van verkoopopdracht, verkoopcontract en overdrachtsakte, en het ontruimen van de woning twee dagen voor overdracht.

De rechtbank wees verzoeken tot dwangsom en machtiging tot ontruiming door deurwaarder af, omdat zij verwacht dat de man zich aan de afspraken houdt en de deurwaarder zonder machtiging kan optreden. Kostenverdeling en verdeling van verkoopopbrengst blijven zoals in het convenant afgesproken. Proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Man krijgt tot 1 juli 2026 om vrouw uit te kopen en uit hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, anders moet hij meewerken aan verkoop woning aan derde.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/687617 / KG ZA 24-978
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. L.E.M. Elbertse,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. L.A.M.G. Wellen.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen zijn getrouwd geweest en zijn op dit moment nog samen eigenaar van een woning. Die woning is in een beschikking van deze rechtbank aan de man toegedeeld, onder de voorwaarden dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen en de man de vrouw uitkoopt. Inmiddels hebben partijen een convenant gesloten waarin dit is opgenomen en waarin ook staat dat de man tot en met 25 juni 2026 de tijd heeft om één en ander te regelen. De vrouw vreest echter dat de man geen medewerking zal verlenen aan verkoop van de woning aan een derde in het geval het hem niet lukt om de overname van de hypothecaire geldlening uiterlijk op 25 juni 2026 te bewerkstelligen. Daarom vordert de vrouw – kort gezegd en na wijziging van haar vorderingen – dat de man voor dat geval onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om daar zijn medewerking aan te verlenen. De man voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw grotendeels toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 23 oktober 2024, met bijlagen 1 tot en met 3;
  • de bijlagen 1 en 2 van de man;
  • de mondelinge behandeling op 27 november 2024;
  • de aanhouding van de zaak in afwachting van een arrest van het Gerechtshof Den Haag;
  • de bijlage 4 van de vrouw;
  • de aanhouding van de zaak in afwachting van een door partijen op te stellen convenant;
  • de brief van 2 april 2026 van de vrouw, met bijlage 5, ook inhoudende een wijziging van haar vorderingen;
  • de brief van 9 april 2026 van de man, inhoudende een reactie op de wijziging van de vorderingen en een verzoek om een voortzetting van de mondelinge behandeling;
  • de brief van 7 mei 2026 van de vrouw, met bijlagen 6 tot en met 8;
  • de bijlage 3 van de man;
  • de voortzetting van de mondelinge behandeling op 15 mei 2026.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert – na wijziging van haar vorderingen – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de man te veroordelen om – indien de man de vrouw op 25 juni 2026 niet heeft doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en haar heeft uitgekocht voor € 50.000,00 – zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] door al datgene te doen wat daarvoor nodig is, waaronder:
- de verkoopopdracht te tekenen bij de verkoopmakelaar Anke Bodewes Makelaardij B.V. (binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis);
- de woning schoon en opgeruimd te houden tijdens de bezichtiging(en) (telkens als er een bezichtiging is);
- de vrouw toe te laten de woning te betreden met de makelaar en de potentiële kopers gedurende de bezichtigingen;
- de benodigde informatie te verschaffen aan de verkoopmakelaar (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- in te stemmen met een verkoopprijs van minimaal de waarde die de makelaar heeft bepaald;
- het verkoopcontract te tekenen (binnen vijf dagen nadat deze gereed is) en de daarvoor benodigde informatie te verschaffen aan de notaris (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- de overdrachtsakte te tekenen bij de notaris (op de overdrachtsdatum);
- de woning schoon en opgeruimd op te leveren (op de opleverdatum);
2. met bevel dat de man de woning dient te ontruimen uiterlijk twee dagen vóór de overdrachtsdatum, zo nodig met uitvoering door de deurwaarder en sterke arm indien de man de vrouw op 25 juni 2026 niet heeft doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en haar heeft uitgekocht voor € 50.000,00;
3. een dwangsom te verbinden aan de vordering onder 1., waarbij de man een dwangsom is verschuldigd van € 500,00 voor iedere dag dat de man na afloop van een van de voornoemde termijnen in gebreke blijft aan het in het ten deze te wijzen vonnis bepaalde te voldoen;
4. het vonnis in deze in plaats te laten komen van de handtekening van de man in de akte van overdracht indien de man de vrouw op 25 juni 2026 niet heeft doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en haar heeft uitgekocht voor € 50.000,00 en indien de man zijn medewerking niet verleent aan de overdracht van de woning, althans, zodra de dwangsommen zijn opgelopen tot € 5.000,00 (of hoger);
5. indien de man de vrouw op 25 juni 2026 niet heeft doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en haar heeft uitgekocht voor € 50.000,00, te bepalen dat de verkoopkosten voor rekening van beiden komen, ieder voor de helft;
6. indien de man de vrouw op 25 juni 2026 niet heeft doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en haar heeft uitgekocht voor € 50.000,00, te bepalen dat van de verkoopprijs € 50.000,00 toekomt aan de vrouw, te vermeerderen of verminderen met 50% van de netto verkoopwaarde van de woning boven of onder het bedrag van € 600.000,00, waarbij dit bedrag eventueel wordt verminderd met 50% van de eigenaarslasten (hypotheekrente, onroerendzaakbelasting, gemeentelijke belastingen, opstalverzekering) vanaf 1 maart 2023 tot de notariële levering van de woning aan derden.
3.2.
De man concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vorderingen van de vrouw, althans tot bepaling dat de man tot 1 juli 2026 in de gelegenheid wordt gesteld om de afspraken met betrekking tot de uitkoop en het ontslag uit de hoofdelijkheid, zoals door partijen overeengekomen in het convenant, na te komen.

4.De beoordeling

4.1.
In een beschikking van 22 november 2023 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is beslist over de manier waarop – onder andere – de in eigendom aan partijen toebehorende woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] (‘de woning’) moet worden verdeeld. De man kreeg tot vier maanden na inschrijving van de echtscheiding de tijd om de financiering van de woning rond te krijgen. De man is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking, maar alleen voor wat betreft de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van een aantal financiële posten (niet betreffende de woning). De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
4.2.
Ten tijde van de eerste mondelinge behandeling in deze zaak had nog geen mondelinge behandeling in het hoger beroep plaatsgevonden. Omdat de uitkomst van het hoger beroep van belang is voor de over en weer tussen partijen te verrekenen posten en daarmee ook voor de vraag of de man in staat is om de woning te financieren, is deze zaak – met instemming van partijen – aangehouden tot na de beschikking in het hoger beroep. Die beschikking is uiteindelijk op 17 september 2025 gegeven. [1] Vervolgens is de zaak opnieuw aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen om met inachtneming van de beschikkingen van deze rechtbank en het Gerechtshof Den Haag een convenant op te stellen. Dat convenant is opgesteld en op 24 respectievelijk 25 maart 2026 door de man en de vrouw ondertekend (bijlage 5 van de vrouw). Partijen zijn in het convenant – voor zover van belang – overeengekomen dat:
de woning aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 600.000,00, onder de opschortende voorwaarden dat de man aan de vrouw een bedrag van € 50.000,00 betaalt ter zake van haar aandeel in de overwaarde van de woning en het saldo van alle wederzijdse vergoedings- en verrekenposten en dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening die op de woning rust wordt ontslagen;
de notaris binnen drie maanden na ondertekening van het convenant door beide partijen een notariële akte zal verlijden, waarbij de woning goederenrechtelijk aan de man wordt geleverd;
de woning wordt verkocht in het geval dat de man niet binnen drie maanden na ondertekening van het convenant aan de opschortende voorwaarden zoals genoemd in i) voldoet, waarbij het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning wordt gebaseerd op de werkelijke verkoopprijs, na aftrek van de verkoopkosten, en het saldo van de hypotheekschuld à € 439.290,00.
4.3.
Hoewel de voorzieningenrechter constateert dat partijen duidelijke afspraken hebben gemaakt over de woning en de financiële afwikkeling tussen hen beiden en de man tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling meermaals heeft gezegd dat hij die afspraken zal nakomen, valt niet uit te sluiten dat de overname door de man binnen de afgesproken termijn niet doorgaat, bijvoorbeeld omdat de bank toch niet meewerkt. In dat geval is denkbaar dat de man – om wat voor reden dan ook – na afloop van de in het convenant aan hem gegeven termijn toch niet voldoende voortvarend meewerkt aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw heeft er voldoende (spoedeisend) belang bij om zekerheid te hebben dat zij nu daadwerkelijk binnen afzienbare tijd haar aandeel in de overwaarde van de woning (en het saldo van de wederzijdse vergoedings- en verrekeningsposten) ontvangt en uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening die op de woning rust wordt ontslagen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter acht geslagen op het grote tijdsverloop sinds de in de beschikking van deze rechtbank van 2023 aan de man gegeven termijn en de door de vrouw gestelde én onderbouwde inmiddels opgetreden financiële en mentale problemen. De gewijzigde vorderingen van de vrouw worden dan ook toegewezen als volgt.
4.4.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat de man tot en met 1 juli 2026 de tijd heeft om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning te laten ontslaan en haar een bedrag van € 50.000,00 te betalen. Dit is één week langer dan de termijn die partijen in het convenant hebben opgenomen, maar de man heeft aangevoerd dat hij vanwege de late verzending van het ondertekende convenant door de vrouw recht heeft op één extra week en de vrouw verzet zich daar niet tegen. Die beperkte verlenging komt de voorzieningenrechter redelijk voor.
4.5.
Voor het geval dat het de man niet lukt om uiterlijk op 1 juli 2026 de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning te laten ontslaan en/of haar een bedrag van € 50.000,00 te betalen, geldt het volgende. De man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde, op de wijze zoals hierna in de beslissing staat vermeld (als gevorderd in vordering 1). De man moet de woning twee dagen voor de met de koper overeen te komen overdrachtsdatum ontruimen (vordering 2). De door de vrouw gevorderde machtiging om die ontruiming door de deurwaarder en/of de sterke arm te laten uitvoeren, wordt afgewezen. De deurwaarder heeft namelijk geen rechterlijke machtiging nodig om zo nodig met dit vonnis de gedwongen ontruiming van de woning te bewerkstelligen en de deurwaarder kan daarbij desgewenst de hulp van de politie inschakelen. De door de vrouw gevorderde dwangsom wordt ook afgewezen (vordering 3). De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog vanuit dat de man zich aan de afspraken in het convenant (en zo nodig: de beslissingen in dit vonnis) zal houden en dat daarvoor geen dwangsom als financiële prikkel tot nakoming noodzakelijk is. De voorzieningenrechter zal wel bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man in de akte van overdracht van de woning, indien de man zijn medewerking niet verleent aan de overdracht van de woning (vordering 4). De vorderingen 5 en 6 worden tot slot afgewezen, omdat partijen in het convenant al afspraken hebben gemaakt over de kosten van de eventuele verkoop van de woning aan een derde (1.5 van het convenant) en het bedrag dat vervolgens aan de vrouw toekomt (1.5 en 1.7 van het convenant). Die afspraken gelden ook na dit vonnis nog onverkort. Niet in te zien valt en de vrouw heeft ook niet uitgelegd welk belang zij heeft bij herhaling van die afspraken in dit vonnis.
4.6.
De voorzieningenrechter spreekt de hoop uit dat partijen zich aan de door hen in het convenant gemaakte afspraken en, zo nodig, aan de beslissingen in dit vonnis zullen houden. Partijen hebben er immers allebei belang bij dat de afwikkeling van hun echtscheiding zo spoedig mogelijk tot een einde komt.
4.7.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.
4.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat de man tot en met 1 juli 2026 de tijd heeft om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] te laten ontslaan én de vrouw een bedrag van € 50.000,00 te betalen;
en voor het geval dat de vrouw uiterlijk op 1 juli 2026 niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning is ontslagen en/of de man aan de vrouw niet uiterlijk op 1 juli 2026 € 50.000,00 heeft betaald:
5.2.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] door al datgene te doen wat daarvoor nodig is, waaronder:
- de verkoopopdracht te tekenen bij de verkoopmakelaar Anke Bodewes Makelaardij B.V. (binnen veertien dagen na 1 juli 2026);
- de woning schoon en opgeruimd te houden tijdens de bezichtiging(en) (telkens als er een bezichtiging is);
- de vrouw toe te laten de woning te betreden met de makelaar en de potentiële kopers gedurende de bezichtigingen;
- de benodigde informatie te verschaffen aan de verkoopmakelaar (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- in te stemmen met een verkoopprijs van minimaal de waarde die de makelaar heeft bepaald;
- het verkoopcontract te tekenen (binnen vijf dagen nadat deze gereed is) en de daarvoor benodigde informatie te verschaffen aan de notaris (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- de overdrachtsakte te tekenen bij de notaris (op de overdrachtsdatum);
- de woning schoon en opgeruimd op te leveren (op de opleverdatum);
5.3.
beveelt de man om de woning te ontruimen uiterlijk twee dagen vóór de overdrachtsdatum;
5.4.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man in de akte van overdracht van de woning, indien de man zijn medewerking niet verleent aan de overdracht van de woning;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
5.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
3349 / 106

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 17 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2280.