Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6026

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ROT 23/5173
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 7:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzageverzoek naam medewerker sollicitatie op grond van AVG

Eiser heeft op grond van artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verzocht om inzage in de naam van de medewerker die zijn sollicitaties heeft afgewezen. De minister van Financiën heeft dit verzoek afgewezen met het argument dat deze naam geen persoonsgegeven betreft dat op eiser betrekking heeft en daarom niet onder het inzagerecht valt.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van eiser tegen deze afwijzing behandeld. Eiser stelde dat het begrip 'persoonsgegevens' ruim moet worden uitgelegd en verwees naar een arrest van het Europese Hof van Justitie. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 15 AVG Pro alleen recht geeft op inzage in persoonsgegevens die op de betrokkene zelf betrekking hebben en niet op die van derden.

Verder stelde eiser dat de minister onzorgvuldig handelde door niet de naam van de besluitnemer te vermelden, maar de rechtbank constateerde dat deze informatie wel degelijk in het primaire besluit en het bestreden besluit was opgenomen. Het verzoek om een getuige te horen werd afgewezen omdat dit niet zou bijdragen aan de oordeelsvorming.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het inzageverzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5173

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigden: mr. C.H. Mensink en mr. H.E. den Hertog.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over eisers verzoek om inzage op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser is het niet eens met de beslissing van de minister op zijn bezwaarschrift. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht geen inzage heeft gegeven in de naam van de medewerker die eisers sollicitaties heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
De minister heeft met een besluit (het primaire besluit) van 28 februari 2023 het inzageverzoek van eiser op grond van de AVG niet in behandeling genomen. Met het in beroep bestreden besluit van 16 juni 2023 heeft de minister het bezwaar van eiser gegrond verklaard en alsnog inhoudelijk op eisers verzoek beslist door dit verzoek af te wijzen.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1.
Eiser heeft op 30 januari 2023, met een beroep op artikel 15, derde lid van de AVG, verzocht om de naam van de persoon die zijn sollicitaties heeft afgewezen.
2.2.
De minister heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de door eiser gewenste informatie niet op grond van de AVG kan worden verkregen.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft de minister eisers inzageverzoek inhoudelijk behandeld. De minister stelt zich op het standpunt dat de naam van de medewerker die eiser naar aanleiding van zijn sollicitaties heeft afgewezen, geen op eiser betrekking hebbend persoonsgegeven is en daarmee niet onder het toepassingsbereik van het inzagerecht van de AVG valt.
3. Eiser voert aan er een ruime uitleg gegeven moet worden aan het begrip ‘persoonsgegevens’ uit de AVG. Een (afwijzings-)mail van een vacature valt hier ook onder. Dat geldt ook voor de aantekeningen van een beoordelaar. Eiser verzoekt dan ook deze aantekeningen (alsnog) te ontvangen. Het inzagerecht brengt bovendien met zich mee dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is om aan betrokkenen de identiteit van de ontvangers van zijn persoonsgegevens mee te delen. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:3).
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiser in zijn AVG verzoek alleen heeft verzocht om de naam van de medewerker die eiser bij zijn sollicitaties heeft afgewezen. Met een inzageverzoek als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de AVG kan eiser dit niet bereiken. Dit artikel geeft een betrokkene slechts het recht om informatie te verkrijgen over de hem betreffende persoonsgegevens. Artikel 15 van Pro de AVG biedt geen grondslag om persoonsgegevens van derden te verstrekken. [1] De door eiser genoemde uitspraken geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft eiser dan ook terecht geen inzage verschaft in de door eiser verzochte naam van de medewerker. Voor zover eiser stelt dat een afwijzingsbericht en aantekeningen van een beoordelaar persoonsgegevens in de zin van de AVG zijn, overweegt de rechtbank dat dit geen onderdeel uitmaakt van deze procedure. Eisers inzageverzoek zag niet op deze gegevens. De minister heeft dit in een aparte procedure beoordeeld.
4. Eiser meent verder dat de minister ten onrechte de naam van de persoon die het primaire besluit heeft genomen niet heeft vermeld. Zonder de naam van de betreffende medewerker kan eiser niet controleren of zijn persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt. Ook kan volgens eiser niet gecontroleerd worden of in strijd met artikel 7:5 van Pro de Awb is gehandeld.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat onderaan het primaire besluit de naam en de functie van de medewerker die dit besluit heeft genomen staan vermeld. In het bestreden besluit is vervolgens aangegeven dat het primaire besluit in mandaat is genomen door het hoofd Publiekrecht van de directie Juridische Zaken. In het bestreden besluit is ook ingegaan op de samenstelling van de hoorcommissie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze opmerkingen. Van onzorgvuldig handelen door de minister is dan ook geen sprake.
5. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de door eiser genoemde getuige te laten oproepen, omdat het horen van deze getuige niet kan bijdragen aan de oordeelsvorming van de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:532).