Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6259

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/10/709556 / HA RK 25-1085
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 WgbzArt. 15 lid 1 WgbzArt. 29 lid 1 WgbzArt. 370 lid 3 FwArt. 372 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen meervoudige griffierechten bij WHOA-verzoek van groepsvennootschappen

Op 1 oktober 2025 dienden acht groepsvennootschappen gezamenlijk een verzoekschrift in bij de rechtbank Rotterdam voor het afkondigen van een afkoelingsperiode en het treffen van maatwerkvoorzieningen in het kader van een WHOA-traject. De griffier bracht echter achtmaal het griffierecht van €714,- in rekening, wat door de verzoekster werd betwist.

De verzoekster stelde dat het ging om één gezamenlijk verzoekschrift met een gedeeld feitencomplex en dat daarom slechts eenmaal griffierecht verschuldigd was op grond van artikel 15 lid 1 Wgbz Pro. De griffier voerde tegen dat het verzoekschrift acht afzonderlijke verzoeken bevatte, die elk zelfstandig beoordeeld moesten worden, en dat daarom achtmaal griffierecht terecht was geheven.

De rechtbank oordeelde dat het verzoekschrift inderdaad één gelijkluidend verzoek betrof, waarbij de acht vennootschappen gezamenlijk bescherming zochten binnen een WHOA-traject. Ook als het om verschillende verzoeken zou gaan, was er een direct verband tussen deze verzoeken, zodat slechts eenmaal griffierecht verschuldigd was. Het verzet werd daarom gegrond verklaard en de griffierechten werden aangepast tot één maal €714,-, met terugbetaling van het teveel betaalde bedrag.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet gegrond en bepaalt dat slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is voor het gezamenlijke WHOA-verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709556 / HA RK 25-1085
Beschikking van 7 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster], werkzaam bij
[advocatenkantoor X] ,
kantoorhoudend in [plaats] ,
verzoekster,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK,
gevestigd in Rotterdam,
verweerder.
Partijen worden hierna [verzoekster] en de griffier genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift dat bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen op 22 oktober 2025, met bijlagen;
- het verweerschrift;
- de brief van [verzoekster] van 6 januari 2026;
- de e-mail van [verzoekster] van 5 maart 2026, met bijlage.
1.2.
Beide partijen hebben aangegeven dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan.

2.De feiten

2.1.
Op 1 oktober 2025 heeft [verzoekster] namens [bedrijf 1] ., [bedrijf 2] ., [bedrijf 3] ., [bedrijf 4] ., [bedrijf 5] ., [bedrijf 6] ., [bedrijf 7] . en [bedrijf 8] . bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode in de zin van artikel 376 Fw Pro en het treffen van een maatwerkvoorziening in de zin van artikel 379 Fw Pro (zaaknummer [zaaknummer] ), hierna te noemen: het verzoekschrift. De griffier heeft voor dat verzoekschrift achtmaal griffierecht geheven ter hoogte van € 714,-, welke bedragen op 21 oktober 2025 zijn betaald.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt – samengevat – de beslissing van de griffier om achtmaal het griffierecht van € 714,- te heffen te vernietigen en te bepalen dat in plaats daarvan eenmaal een griffierecht van € 714,- moet worden geheven en de griffier te instrueren het teveel betaalde bedrag aan griffierecht van € 4.998,- terug te betalen.
3.2.
[verzoekster] legt aan haar verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. Het betrof één verzoekschrift dat gelijkluidend is voor alle individuele rechtspersonen uit het [naam] -concern met een gedeeld feitencomplex. Er volgt een gezamenlijke behandeling en één beslissing. Er is dus sprake van één verzoek waarvoor volgens artikel 15 lid 1 Wgbz Pro eenmaal griffierecht moet worden geheven. Het verzoekschrift is ingediend naar aanleiding van het starten van een WHOA-traject. Het [naam] -concern had acute bescherming nodig tegen activistische aandeelhouders tevens schuldeisers met pandrecht op aandelen alsook jegens andere schuldeisers zoals onderaannemers met pre-fixatievorderingen. Hiervoor is een gelijkluidend verzoek gedaan door alle [naam] -concern vennootschappen. Ook als zou worden aangenomen dat het om afzonderlijke verzoeken per vennootschap gaat, moet eenmaal griffierecht worden geheven vanwege het directe verband. Het gaat immers om een achttal vennootschappen binnen een groep die gezamenlijk werden gefinancierd en waarin een gezamenlijke oplossing wordt gezocht en het verzoekschrift is ingediend om ‘rust’ te creëren om die gezamenlijke oplossing mogelijk te maken.
3.3.
De griffier is het daar niet mee eens en voert – samengevat – het volgende verweer. In het verzoekschrift hebben acht verzoekers verzocht om een afkoelingsperiode af te kondigen en voorzieningen te treffen met betrekking tot stemrechten verbonden aan aandelen in (een van de) verzoekers. De griffier heeft het griffierecht bepaald op basis van het aantal in het verzoekschrift opgenomen verzoekers en aan de hand van het petitum. Daarbij bestudeert de griffier de stukken niet inhoudelijk. De acht verzoekers deponeerden voor indiening van het verzoekschrift ieder een verklaring in de zin van artikel 370 lid 3 Fw Pro. De verzoeken zijn niet op de voet van artikel 372 lid 3 Fw Pro door één verzoeker mede namens zeven andere (rechts)personen ingediend in het kader van de voorbereiding van één akkoord als bedoeld in artikel 372 lid 1 Fw Pro. De rechtbank moet bij de behandeling van de verzoeken op grond van artikel 376 Fw Pro ten aanzien van elke verzoeker afzonderlijk beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw Pro. In verband daarmee zijn bij het verzoekschrift van iedere verzoeker afzonderlijk onder meer een liquiditeitsbegroting per week over de beoogde afkoelingsperiode, een schuldenoverzicht, jaarrekeningen, een actuele balans en een actuele winst- en verliesrekening gevoegd. Hoewel er een bepaalde mate van samenhang bestaat, is ten aanzien van elke verzoeker sprake van een ander feitencomplex. Het verzoek ten aanzien van elke verzoeker staat op zichzelf en dient zelfstandig aan de hand van de verschillende toepasselijke feitencomplexen te worden beoordeeld.

4. De beoordeling

4.1.
Het verzoek is binnen een maand na betaling van het griffierecht op 21 oktober 2025 ingediend, zodat [verzoekster] tijdig in verzet is gekomen (artikel 29 lid 1 Wgbz Pro).
4.2.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond en licht dat als volgt toe.
4.3.
De hoofdregel is dat voor de indiening van een verzoekschrift een griffierecht wordt geheven (artikel 3 lid 2 Wgbz Pro). Er wordt dus griffierecht geheven per verzoekschrift, niet per verzoeker.
4.4.
Er moeten twee situaties worden onderscheiden. De situatie waarin meerdere verzoekers een verzoekschrift indienen (subjectieve cumulatie) en de situatie waarin meerdere verzoeken in één verzoekschrift zijn gedaan (objectieve cumulatie).
4.5.
In geval van subjectieve cumulatie geldt artikel 15 lid 1 Wgbz Pro. Daarin staat dat van
verzoekers die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende verzoekschriften indienen, slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven.
4.6.
Voor objectieve cumulatie bestaat geen afzonderlijke wettelijke regeling. In de parlementaire geschiedenis is daarover het volgende te vinden:
“Voor elk verzoekschrift wordt afzonderlijk een vast recht geheven, ook indien er sprake is van met elkaar samenhangende verzoekschriften. Indien meerdere verzoeken in één request worden gedaan zal dit - zeker indien tussen verschillende verzoeken geen direct verband bestaat - ertoe kunnen leiden dat dit wordt beschouwd als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk recht moet worden geheven.” [1]
4.7.
De Hoge Raad heeft op basis van voorgaande passage overwogen dat de mogelijkheid bestaat in afwijking van artikel 3 lid 2 Wgbz Pro een verzoekschrift dat meerdere verzoeken bevat, te beschouwen als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven en dat daarvoor nodig is dat tussen de verschillende verzoeken in het verzoekschrift geen direct verband bestaat. [2]
4.8.
In dit geval hebben acht verzoekers samen één verzoekschrift ingediend, waarin een en hetzelfde verzoek om een afkoelingsperiode en maatwerkvoorzieningen is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een gelijkluidend verzoekschrift in de zin van artikel 15 lid 1 Wgbz Pro, zodat slechts eenmaal een griffierecht mocht worden geheven. Hieraan doet niet af dat per verzoeker zal moeten worden beoordeeld of voldaan is aan de voorwaarden om ten aanzien van die verzoeker tot toewijzing van het verzoek te kunnen komen. Het verschuldigde griffierecht is immers onafhankelijk van het aantal in de betreffende instantie verrichte of nog te verrichten werkzaamheden. [3] Dit is overigens niet anders als moet worden aangenomen dat het hier niet gaat om gelijkluidende verzoeken, maar om verschillende verzoeken opgenomen in één rekest. Voor dat geval geldt namelijk dat tussen die verzoeken een direct verband bestaat. De verzoekers zijn vennootschappen die deel uitmaken van een groep en werden gezamenlijk gefinancierd. De aanleiding en het doel van de verzoeken is blijkens het verzoekschrift gelijk. Bovendien worden de verzoeken gezamenlijk door de rechtbank behandeld.
4.9.
Het griffierecht zal worden aangepast op de wijze zoals hieronder in de beslissing omschreven.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart het verzet gegrond,
5.2.
stelt het griffierecht voor het verzoekschrift van 1 oktober 2025 in zaaknummer [zaaknummer] vast op eenmaal € 714,-,
5.3.
bepaalt dat de griffier het teveel betaalde griffierecht voor het onder 5.2 bedoelde verzoekschrift ter hoogte van € 4.998,- dient te crediteren en terug te betalen,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
3726 / 1980

Voetnoten

2.ECLI:NL:HR:2016:1515, r.o. 3.3.4.