Conclusie
pay as you go-tarief [4] . Bij de herziening van deze regeling bij wet van 8 december 1960, Stb. 541, heeft de wetgever afstand genomen van dit stelsel, in het kort omdat het systeem te bewerkelijk was gebleken bij de inning van het griffierecht en de controle daarop [5] . De wetgever heeft toen gekozen voor één zogenoemd ‘vast recht’, verschuldigd per instantie, onafhankelijk van het aantal in die instantie verrichte of nog te verrichten proceshandelingen. De hoogte van dit vast recht was in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) gedetailleerd geregeld, afhankelijk van de aard en van het totaalbedrag van de ingestelde vordering. In geval van objectieve cumulatie (meerdere vorderingen in één dagvaarding) volgde uit de wet welk bedrag in rekening moest worden gebracht als ‘vast recht’. In rekestprocedures was het vast recht verschuldigd bij het indienen ter griffie van een verzoek- of verweerschrift (art. 2 lid 1 Wtbz Pro). Voor een objectieve cumulatie van verzoeken bestond geen afzonderlijk wettelijk voorschrift. De parlementaire geschiedenis van een wijziging van de Wtbz vermeldt:
per ingediend verzoekschrift, tenzij de Wgbz anders bepaalt.
conclusiestrekt ertoe dat de Hoge Raad op de prejudiciële vraag zal antwoorden dat één ingediend verzoekschrift dat strekt tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma en haar twee vennoten, sedert het arrest van 6 februari 2015 kan worden beschouwd als één geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven.