ECLI:NL:RBROT:2026:628

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/10/678594 / FA RK 24-3471
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en ouderlijk gezag met omgangsregeling en alimentatiekwesties

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 21 januari 2026 een beschikking gegeven in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, die in Marokko zijn gehuwd. De vrouw heeft het verzoek tot echtscheiding ingetrokken, omdat er een echtscheidingsprocedure in Marokko aanhangig is. De rechtbank heeft vervolgens de verzoeken van de man en de vrouw ten aanzien van het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen beoordeeld. De man verzocht om gezamenlijk gezag, terwijl de vrouw verzocht om eenhoofdig gezag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en dat het Nederlandse recht van toepassing is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het gezamenlijk gezag niet kan worden toegekend, gezien de problematische communicatie tussen de ouders en het risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Daarom is het eenhoofdig gezag aan de vrouw toegewezen, met ingang van de datum dat de echtscheiding in Marokko in kracht van gewijsde is gegaan.

Daarnaast heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, waarbij de kinderen om het weekend bij de man verblijven en wekelijks contact met hem hebben. De vrouw heeft ook een verzoek ingediend voor een kinderbijdrage, maar dit is afgewezen omdat de man onder bewind staat en niet in staat is om een bijdrage te betalen. De rechtbank heeft bepaald dat elke partij zijn eigen proceskosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/678594 / FA RK 24-3471
Beschikking van 21 januari 2026 over het ouderlijk gezag/de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht/ de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. V. de Roo te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. van Eck te Rotterdam.
en voor het verzoek dat gaat over de onder bewind gestelde goederen van de man:
VGO Advies & Bewind B.V.,
in de rol van bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van de man, hierna: de bewindvoerder, gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. M. van Eck te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van de man, ingekomen op 3 mei 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 18 juli 2024;
  • de aanvulling op het verweerschrift met zelfstandig verzoek met bijlage van 20 december 2024;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 5 december 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 12 december 2025 en twee berichten van de man met bijlagen van 15 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
De oudste twee minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier gebruik van gemaakt.
1.4.
Na de mondelinge behandeling is op verzoek van de rechtbank door de man op 24 december 2025 een machtiging van 21 december 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de advocaat van de man mede voor de bewindvoerder optreedt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] ,geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats] ;
2.2.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Partijen zijn op 15 april 2024 in kortgeding het volgende overeengekomen:
1.Vanaf 17 april 2024 wordt er elke woensdagavond gevideobeld tussen de kinderen en de
vader om 19.00 uur. Moeder belt vader.
2. enkele overnachtingen:
- Vrijdag 19 april 2024 haalt de vader [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op uit school en haalt hij aansluitend [voornaam minderjarige 3] op bij de zus van moeder (hierna: tante). Hij brengt de kinderen terug bij tante op zaterdag om 18.45 uur.
- Zondag 28 april 2024 haalt de vader [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] om 10.00 op bij tante en brengt ze maandag 29 april 2024 om 10.00 terug bij tante.
-Vrijdag 3 mei 2024 haalt de vader [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] om 15.00 op bij tante en brengt ze zaterdag 4 mei 2024 om 18.45 uur terug bij tante.
Vrijdag/zaterdag 10/1 1 mei 2024 verloopt zoals vrijdag/zaterdag 3/4 mei 2024.
3. dubbele overnachtingen
Vanaf vrijdag 17 mei 2024 haalt de vader [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] om het weekend op vrijdag uit school op en haalt hij aansluitend [voornaam minderjarige 3] op bij tante. Hij brengt de kinderen terug op zondagmiddag om 17.00 bij tante.
4. [voornaam minderjarige 4] heeft medicatie nodig die goed moet worden toegediend. Vader neemt contact op
met het medisch kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] , dat zal beoordelen of vader daartoe in staat is en het zo nodig aan hem zal leren. Zodra [naam kinderdagverblijf] aan moeder meldt dat vader goed in staat is de medicatie van [voornaam minderjarige 4] toe te dienen, gaat [voornaam minderjarige 4] mee in de omgangsregeling zoals hierboven voor de andere kinderen is uiteengezet.
5. Vader bespreekt met [naam kinderdagverblijf] hoe het moet met medische hulpmiddelen die bij hem
thuis staan voor [voornaam minderjarige 4] .
6. Vader en moeder nemen geen direct contact op met elkaar. Dat laat onverlet dat er direct-
contact mogelijk is onder begeleiding van raadslieden of hulpverleners.
7. Vader en moeder zullen over de kinderen communiceren via een schrift dat meegaat telkens als de kinderen van de ene naar de andere ouder gaan. In dat schrift wordt kort
verteld wat er is gebeurd bij de schrijvende ouder en worden eventuele aandachtspunten
en vragen meegegeven.
8. Vader en moeder staan samen open voor hulpverlening voor een goed onderling contact
Voor zover hulpverlening op het contact tussen de ouders onderling ziet, zullen beiden
daaraan hun medewerking verlenen.
2.4.
Bij beschikking van 25 april 2025 heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam alle goederen die (zullen) toebehoren aan de man onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden voor de duur van 5 jaar met een evaluatie van de maatregel na 3 jaar en tot bewindvoerder benoemd: VGO Advies & Bewind B.V., kantoorhoudende te 3007 DJ Rotterdam.

3.De beoordeling

Ingetrokken verzoek echtscheiding
3.1.
Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat zij in Marokko zijn gehuwd. De vrouw heeft een afschrift van de huwelijksakte en een vertaling daarvan overgelegd, welke stukken zijn gelegaliseerd door een daartoe bevoegd gezag. Gelet hierop bestaat het rechtsvermoeden dat de man en de vrouw op [huwelijksdatum] te Al Hoceima, Marokko een, naar Marokkaans recht, rechtsgeldig huwelijk hebben gesloten, dat op grond van artikel 10:31 BW in Nederland wordt erkend. Niet gesteld noch gebleken is dat het huwelijk onverenigbaar is met de openbare orde of dat sprake is van de weigeringsgronden van artikel 10:32 BW.
Tussen partijen staat vast dat er in Marokko een echtscheidingsprocedure tussen hen aanhangig is in een vergevorderd stadium.
De vrouw heeft gelet op het vorenstaande het verzoek ten aanzien van de echtscheiding ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.
Gezag
3.2.
De man verzoekt te bepalen dat partijen gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen worden belast.
3.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen (na echtscheiding) te wijzigen in die zin dat de vrouw het éénhoofdig gezag over de kinderen verkrijgt.
3.4.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek ten aanzien van het gezag over de minderjarigen.
3.5.
Zoals hiervoor is overwogen, wordt het huwelijk van de man en de vrouw in Nederland erkend en zijn de minderjarigen geboren in Nederland tijdens het huwelijk van de man en de vrouw.
3.6.
Voordat de rechtbank de verzoeken ten aanzien van de minderjarigen inhoudelijk kan beoordelen, moet de voorvraag beantwoord worden of de man en de vrouw met het gezamenlijk ouderlijk gezag zijn belast over de minderjarigen of dat één van hen belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag. Om te bepalen welk recht van toepassing is op deze voorvraag wordt aansluiting gezocht bij artikel 16 van het Haags Kinderbeschermings-verdrag 1996.
3.7.
Op grond van lid 1 van het genoemde artikel wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. Omdat de minderjarigen op het moment van de geboorte hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland, is Nederlands recht van toepassing.
3.8.
Uit artikel 1:251 BW volgt dat ouders gedurende hun huwelijk gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kinderen. De man is derhalve, van rechtswege, gezamenlijk met de vrouw, belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen, zodat het verzoek van de man wordt afgewezen.
3.9.
Het verzoek van de vrouw zal voorwaardelijk worden beoordeeld, omdat dit ziet op de situatie nadat de echtscheiding tussen partijen in Marokko tot stand is gekomen.
3.10.
Het gezamenlijk gezag kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op grond van artikel 1:251a BW worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.11.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.12.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen een turbulent verleden hebben met elkaar en veel tussen hen is gebeurd. De verhalen van partijen hierover staan echter lijnrecht tegenover elkaar. Zo stelt de man dat hij altijd een betrokken vader is geweest en graag een goede band wenst met de minderjarigen. Hier tegenover staan de verhalen van de vrouw, namelijk dat zij veel negatieve ervaringen met de man heeft gehad. Het gaat op dit moment wel beter maar nog niet goed met de vrouw. Zij heeft na het beëindigen van de relatie met de man met de minderjarigen via Fier in de vrouwenopvang gezeten en via de politie is het verkrijgen van
een Aware-systeem in gang gezet. De hulpverlening, gespecialiseerd in het bieden van hulp en veiligheid in geweldssituaties, heeft op enig moment "code rood" afgegeven.
Die gehele periode heeft zij geprobeerd om de minderjarigen zo goed mogelijk te begeleiden. Dit heeft de vrouw veel tijd en energie gekost. Zij zit nog midden in een proces van traumaherstel met passende hulpverlening, ook voor de minderjarigen, waarvoor stabiliteit en rust nodig is. Gelet op het voorgaande kan zij niet open staan voor contact met de man. Ook het contact tussen de man en de minderjarigen verloopt sinds het uiteengaan van partijen zeer moeizaam.
3.13.
De beslissingen over de minderjarigen zijn tot nu toe door de vrouw alleen genomen omdat het huwelijk van partijen niet in Nederland is geregistreerd zodat instanties ervanuit zijn gegaan dat sprake is van eenhoofdig gezag van de vrouw. De vrouw heeft er (nog) geen vertrouwen in dat de man zich meewerkend zal opstellen bij het nemen van gezamenlijke gezagsbeslissingen. Zij baseert dit op haar ervaringen met de man in het verleden, waarbij de man zich jegens de vrouw dwingend heeft opgesteld. Ook de raad constateert tijdens de mondelinge behandeling dat er nog veel druk vanuit de man voelbaar is en adviseert gezien de prilheid in de weg naar herstel, het gezag alleen bij de vrouw te laten zijn, waarbij de vrouw de man maandelijks informeert over alle kinderen, zodat de man op de hoogte is.
3.14.
Nu er ondanks de geruime tijd betrokkenheid van diverse instanties, onvoldoende verbetering is in de situatie, is er een reëel risico dat de kinderen klem en/of verloren zullen raken tussen hun ouders. Voorkomen moet worden dat de vrouw in de thuissituatie niet meer kan functioneren. De minderjarigen wonen bij de vrouw en de minderjarigen zijn van haar, als hoofdopvoeder, afhankelijk. Het belang van de minderjarigen bij een opvoeder die voor hen voldoende beschikbaar is, weegt zwaarder dan het belang van de man om ook met het gezag te zijn belast. Er is omgang tussen de man en de minderjarigen en de vrouw heeft toegezegd de man op de hoogte te zullen houden van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarigen en hem te raadplegen over daarover te nemen beslissingen.
Als de hulpverlening positief wordt afgesloten en de onderlinge verstandhouding tussen partijen is verbeterd, ontstaat er mogelijk ruimte voor gezamenlijk gezag.
3.15.
Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het eenhoofdig gezag toewijzen aan de vrouw, met ingang van de datum dat de beslissing tot echtscheiding in de tussen partijen in Marokko aanhangige procedure in kracht van gewijsde is gegaan
3.16.
Zorgregeling / Omgangsregeling
3.16.1.
De man verzoekt een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) dan wel zorgregeling (bij gezamenlijk gezag) vast te stellen als volgt: de minderjarigen verblijven ieder weekend van vrijdagmiddag uit school/opvang tot zondagmiddag 17:00 uur bij de man, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.
3.16.2.
De vrouw verzoekt een regeling vast te stellen waarbij de minderjarigen allen om het weekend van vrijdagmiddag uit school/opvang tot zondagavond om 17.00 uur (vóór het eten) bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt en terugbrengt (en daarbij niet in de woning van de vrouw komt). Daarnaast verzoekt de vrouw te bepalen dat:
- de minderjarigen [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] op de woensdag uit school/opvang tot 19.00 uur, bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt en bij de vrouw terugbrengt (en daarbij niet ín de woning van de vrouw komt);
- de minderjarigen tijdens het offerfeest, het Suikerfeest en op hun verjaardagen en de
verjaardag van een ouder zijn bij de ouder bij wie ze volgens voormelde regeling dan zijn;
- de minderjarigen in de zomervakantie 3 aaneengesloten weken bij elke ouder zijn, waarbij
zij om en om de eerste 3 weken bij de man zijn en het andere jaar de laatste 3 weken;
- de minderjarigen in de kerstvakantie een week aangesloten bij elke ouder zijn, waarbij zij het ene jaar bij de man zijn in de week dat Oud & Nieuw valt en in het andere jaar de week van Oud & Nieuw bij de vrouw zijn;
- de minderjarigen de andere vakanties bij de vrouw zijn, en de man te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat de man (zonder overleg met en uitdrukkelijke toestemming van de vrouw) de zorg- c.q. omgangsregeling niet nakomt.
3.17.
Sinds het kort geding verloopt (het contact rondom) de omgang zeer wisselend. Partijen zijn betrokken ouders en zijn het eens dat er een frequente en structurele omgangsregeling moet zijn om duidelijkheid te creëren. De minderjarigen hebben graag contact met hun vader. De intensieve zorg voor [voornaam minderjarige 4] en aanpassingen in huis zijn een aandachtspunt in de verdeling van de zorgtaken. De man stemt in met de door de vrouw verzochte weekendregeling, als de nodige hulpmiddelen voor [voornaam minderjarige 4] (zoals een geschikt bed en stoel) zijn aangeschaft om zijn verblijf bij de man te faciliteren. Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling kan de vrouw dit met Arosa en via het haar toegekende pgb regelen. De rechtbank zal de weekendregeling zoals verzocht door de vrouw daarom vastleggen. Daarnaast wordt een wekelijks contact met de man in het belang van de minderjarigen geacht. Deze dag zal in onderling overleg tussen partijen worden bepaald, afgestemd op de wisselende werktijden van de man. Voor wat betreft de zomervakanties wordt de man in staat geacht hiervan drie weken op zich te kunnen nemen. Ouders dragen beiden de verantwoordelijkheid de minderjarigen tijdens de schoolvakanties op te vangen, in beginsel bij helfte. Voor wat betreft de verzoeken van de vrouw voor de verdeling van overige vakanties en feestdagen heeft de man geen verweer gevoerd. De rechtbank zal deze verzoeken van de vrouw toewijzen.
3.18.
De rechtbank zal de verzochte dwangsom afwijzen, omdat de rechtbank ervan uit gaat dat de man zich aan deze beschikking zal houden. De man moet zich er echter van bewust zijn dat, mocht hij zich niet aan de uitspraak houden, in een opvolgende procedure alsnog een dwangsom kan worden bepaald.
Onderhoudsbijdrage
3.19.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 125,- per maand per kind vast te stellen, met ingang van 5 december 2024, althans vanaf de datum van indiening van onderhavig verzoekschrift bij vooruitbetaling te voldoen, althans een ander door de rechtbank vast te stellen bedrag.
3.20.
De man heeft de rechtbank op 12 december 2025 bericht dat hij onder bewind staat conform de beschikking zoals opgenomen onder 2.4.. De man verzoekt te bepalen dat een bijdrage voor alle kinderen wordt vastgesteld van € 0,- per maand.
3.21.
Op grond van vaste rechtspraak dient bij het bepalen van de draagkracht in beginsel rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige.
3.22.
De bewindvoerder heeft de rechtbank op 15 december 2025 schriftelijk bericht dat het voor de man onmogelijk is om een alimentatiebijdrage te voldoen. De man heeft weliswaar betaald werk, maar kampt met problematische schulden en heeft diverse betalingsregelingen getroffen teneinde verdere beslagen te voorkomen. Ter onderbouwing is een begroting en schuldenlijst bijgevoegd. De rechtbank constateert dat er nog iets van vrije ruimte is in de door de bewindvoerder overgelegde begroting (€ 184,52 per maand), maar gezien de schuldenlast van meer dan € 30.000,- gaat de rechtbank er vanuit dat die vrije ruimte zal worden benut voor het aflossen van de schulden. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank geen bedrag vrij voor een kinderbijdrage, en geeft dus aanleiding om het verzoek van de vrouw af te wijzen. Dit betekent bovendien dat de man zijn schulden sneller kan aflossen, zodat er bij hem ook sneller ruimte ontstaat om een kinderbijdrage te voldoen.
3.23.
Proceskosten
3.23.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat, zodra de beslissing tot echtscheiding in de tussen partijen in Marokko aanhangige procedure in kracht van gewijsde is gegaan, de vrouw alleen het ouderlijk gezag uitoefent over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] .
4.2.
verzoekt de vrouw, op grond van artikel 1:253p lid 2 BW, na het in kracht van gewijsde gaan van de onder 4.1. bedoelde beslissing tot echtscheiding, dit te melden bij de griffie van de rechtbank voor aantekening in het gezagsregister;
4.3.
bepaalt dat van deze beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan én de onder 4.1. bedoelde echtscheiding onherroepelijk is geworden, aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
4.4.
stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken / omgangsregeling bij de man zullen zijn als volgt;
- om het weekend van vrijdagmiddag uit school/opvang tot zondagavond om 17.00 uur (vóór het eten), waarbij de man de kinderen ophaalt en terugbrengt (en daarbij niet in de woning van de vrouw komt),
- de minderjarigen [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verblijven wekelijks op een in onderling overleg te bepalen dag uit school/opvang tot 19.00 uur, bij de man, waarbij de man de kinderen ophaalt en bij de vrouw terugbrengt (en daarbij niet in de woning van de vrouw komt)
- de minderjarigen verblijven tijdens het offerfeest, het Suikerfeest en op hun verjaardagen en de verjaardag van een ouder bij de ouder bij wie ze volgens voormelde regeling dan zijn;
- de minderjarigen verblijven in de zomervakantie 3 aaneengesloten weken bij elke ouder zijn, waarbij zij om en om de eerste 3 weken bij de man zijn en het andere jaar de laatste 3 weken;
- de minderjarigen zijn in de kerstvakantie een week aangesloten bij elke ouder, waarbij zij het ene jaar bij de man zijn in de week dat Oud & Nieuw valt en in het andere jaar de week van Oud & Nieuw bij de vrouw zijn;
- de minderjarigen verblijven de andere vakanties bij de vrouw;
4.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 21 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.