ECLI:NL:RBROT:2026:633

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/2511
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIASchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling mate arbeidsongeschiktheid Wet WIA ongegrond verklaard

Eiseres, voormalig verzorgende extramuraal, werd sinds 6 december 2019 arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV kende haar op grond van de Wet WIA een gedeeltelijke WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 48,80%, later herzien naar 42,35% na bezwaar. Eiseres stelde dat haar beperkingen en medische situatie onderschat waren en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onjuist was vastgesteld.

De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek, dat bestond uit meerdere onderzoeken door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige, en concludeerde dat het UWV zorgvuldig en volledig te werk was gegaan. De rechtbank vond dat de FML correct was opgesteld en dat de beperkingen van eiseres adequaat waren meegenomen, ook rekening houdend met haar fysieke en psychische klachten.

Eiseres voerde aan dat er sprake was van een complex medisch beeld en dat een multidisciplinaire beoordeling ontbrak, maar de rechtbank vond dat dit onvoldoende onderbouwd was en dat de door het UWV gehanteerde criteria en rapportages de situatie juist weerspiegelen. De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat het verlies aan verdienvermogen van 42,35% terecht was vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV-besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te Hellevoetsluis, eiseres,

gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het UWV,
gemachtigde: mr. S. Roodenburg.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV eiseres met ingang van 7 januari 2023 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 48,80%.
Bij besluit van 4 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het UWV heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 januari 2023 vastgesteld wordt op 42,35%.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift met daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 september 2025 ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Besluitvorming

1.1.
Eiseres, die werkzaam is geweest als verzorgende extramuraal, is op 6 december 2019 ten gevolge van gezondheidsklachten arbeidsongeschikt geworden. Na ommekomst van de aan de werkgever van eiseres opgelegde maximale loonsanctieperiode, is de aanvraag van eiseres om een Wet WIA-uitkering beoordeeld.
1.2.
Op 13 september 2022 heeft verzekeringsarts [naam 1] van het UWV een onderzoek verricht in het kader van een bekortingsverzoek van de loonsanctie van de werkgever. Deze arts heeft een anamnese afgenomen en eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht.
Op 18 april 2023 heeft verzekeringsarts [naam 1] telefonisch een vervolgonderzoek verricht in verband met de Wet WIA-beoordeling per einde wachttijd. Aan de hand van beide onderzoeken heeft de verzekeringsarts [naam 1] op 18 april 2023 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld waarin de beperkingen van eiseres zijn aangegeven.
De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres drie gangbare functies geselecteerd. Het loon dat met de mediaanfunctie verdiend kan worden ligt 48,80% lager dan het zogeheten maatmaninkomen. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.
1.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die eiseres op het spreekuur van 7 oktober 2024 medisch heeft onderzocht, in het rapport van 6 november 2024 geconcludeerd dat het onderzoek van de primaire arts zorgvuldig en volledig is geweest. Wel heeft hij aanleiding gezien om de FML aan te passen in die zin dat de beperking ten aanzien van ‘aandacht’ in rubriek persoonlijk functioneren komt te vervallen en er een beperking in rubriek fysieke omgevingseisen in verband met astma is toegevoegd. Op 6 november 2024 heeft deze arts een nieuwe FML opgesteld.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is vervolgens tot een gewijzigde functieduiding gekomen, die een wijzing van de mediaan (middelste functie) tot gevolg heeft. Hij heeft op basis van het maatmanloon, afgezet tegen de nieuwe mediaan, de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 42,35%
2. Het UWV heeft vervolgens op 7 januari 2025 een ‘voornemen wijziging besluit’ naar de gemachtigde van eiseres toegestuurd. Hierin heeft het UWV medegedeeld voornemens te zijn de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA van eiseres per 7 januari 2023 vast te stellen op 42,35% (waarbij de wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse ingaat per 8 maart 2025). Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
3. In het kader van de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar tegen het ‘voornemen wijziging besluit’ heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, na dossierstudie, in zijn rapport van 28 januari 2025 geconcludeerd dat er, op grond van de ingebrachte medische bezwaren tegen de voorgenomen beslissing, geen aanleiding is om de FML van 6 november 2024 bij te stellen.
4. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Standpunt van eiseres
5. In beroep voert eiseres aan dat haar medische situatie door het UWV is onderschat, dat er onvoldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML, dat zij niet in staat is om de geduide functies uit te voeren en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage te laag is vastgesteld. Zij heeft een overzicht gegeven van de gestelde diagnosen, van haar klachten en beperkingen, van haar medicatie en van de behandelingen die zij ondergaat. Zij voert verder aan dat er sprake is van een complex medisch beeld met een samenloop van lichamelijke en psychische aandoeningen. Daarbij voert zij aan aangewezen te zijn op uitgebreide thuiszorg, waaronder woonbegeleiding en huishoudelijke ondersteuning. Eiseres voert vervolgens aan meer beperkt te zijn dan door het UWV is vastgesteld. Zij stelt dat het UWV ten onrechte geen multidisciplinaire beoordeling heeft laten plaatsvinden en dat er een grotere urenbeperking had moeten worden vastgesteld, tot maximaal 2-4 uur per dag. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een afschrift overgelegd van een psychodiagnostisch onderzoek van 17 juni 2024, een brief van de GGZ van 2 juli 2024 en een ongedateerd brief van de klinisch psycholoog [naam 2]. Bij brief van 22 april 2025 heeft eiseres ten slotte nog kenbaar gemaakt dat zij is gediagnosticeerd met een borderline stoornis en dat zij onder behandeling staat voor rouwverwerking.
Ter zitting heeft de gemachtigde nog een aantal opmerkingen gemaakt bij de FML: dingen die haar opvielen, die ze zich afvroeg, of die ze vreemd, “wat tegenstrijdig” of kort door de bocht vindt.
Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
6.2.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.
Oordeel rechtbank
7. De rechtbank moet beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 7 januari 2023 terecht heeft vastgesteld op 42,35%. Daarbij dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen per die datum correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan haar voorgehouden functies te verrichten.
8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, een anamnese, een lichamelijk en psychisch onderzoek door de verzekeringsarts tijdens het spreekuur op 13 september 2022, een telefonisch onderhoud met eiseres op 18 april 2023, het gestelde in bezwaar en het aanvullend medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur van 7 oktober 2024 en alle tot dan toe beschikbare medische informatie onder meer afkomstig van de behandelend huisarts, revalidatiearts, neuroloog, psycholoog, SEH-arts, de behandelaars van Antes en de bedrijfsarts. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennisgenomen van de in beroep overgelegde medische informatie. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek aldus op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
9.1.
Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres op de datum in geding en meer of verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Hierbij is van belang dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiseres als zodanig of om de door haar ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid. Wat eiseres in dat verband heeft aangevoerd, legt – zonder af te doen aan de door haar ervaren klachten – tegenover het gemotiveerde medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan verdergaande beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML van 6 november 2024.
Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat eiseres is aangewezen op zowel mentaal als fysiek relatief licht belastende werkzaamheden, waarbij forse beperkingen zijn aangenomen in persoonlijk en sociaal functioneren en specifiek rekening is gehouden met de belastbaarheid van met name de rechterarm. Vanwege de chronische pijnklachten is tevens een urenbeperking aangenomen. Ook heeft hij vermeld dat met de door eiseres ervaren concentratieproblemen rekening is gehouden door vast te stellen dat eiseres is aangewezen op relatief eenvoudig en psychisch licht belastend werk waarbij geen grote eisen worden gesteld aan de cognitieve functies. Beperkingen in de aandacht zijn niet aangenomen: hoewel belanghebbende cognitieve klachten ervaart, konden deze niet worden geobjectiveerd bij neuropsychologisch onderzoek door Antes (10 november 2023) en vielen ook geen aperte cognitieve beperkingen op tijdens medisch onderzoek in de primaire fase of in bezwaar, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
9.2.
In zijn rapport van 28 januari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, naar aanleiding van het gestelde in het bezwaar tegen het ‘voornemen wijziging besluit’,
inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom hij daarin geen aanleiding ziet het eerder ingenomen standpunt en de FML van 6 november 2024 te wijzigen. Daarbij heeft hij overwogen dat de ingebrachte gronden geen wezenlijk ander beeld van de medische situatie van eiseres geven. Hij overweegt verder dat bij de beoordeling in bezwaar rekening is gehouden met de fysieke pijnklachten, de aanwezige psychopathologie, de gevoeligheid voor bepaalde prikkels en de ervaren cognitieve klachten.
9.3.
In zijn aanvullend rapport van 24 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, naar aanleiding van het gestelde in beroep en de ingebrachte medische informatie, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom hij daarin geen aanleiding ziet het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Daarbij heeft hij overwogen dat uit de informatie niet blijkt dat er ten tijde van belang sprake was van een andere medische situatie dan waarvan eerder is uitgegaan. Hij overweegt daarbij dat bij het opstellen van de belastbaarheid rekening is gehouden met zowel de door eiseres ervaren fysieke beperkingen als de beperkte psychische belastbaarheid. Verder overweegt hij dat op basis van het chronisch pijnsyndroom een urenbeperking is toegekend zoals past volgens de
standaard 'duurbelastbaarheid in arbeid'. Evenals de primaire verzekeringsarts ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om een verdergaande beperking in de duurbelastbaarheid aan te nemen. Hij stelt vast dat eiseres naast deze urenbeperking ook door inhoudelijke aanpassingen is aangewezen op mentaal en fysiek relatief licht belastende werkzaamheden, waardoor de energetische belasting in het werk relatief laag is. Verder is bij eiseres geen sprake van een onderliggende stoornis (bijvoorbeeld ernstige cardiale- of pulmonale problematiek, een maligniteit of ernstig depressief/psychotisch beeld) die een sterker afgenomen energieniveau aannemelijk maakt, noch van de nader in de standaard genoemde behandel- of preventieve aspecten, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
10. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.
11. Uit het voorgaande volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De ter zitting door de gemachtigde van eiseres bij de FML gemaakte opmerkingen over dingen die haar in de FML opvielen, die ze zich afvroeg, of die ze vreemd, wat tegenstrijdig of kort door de bocht vindt, leiden zonder toelichting in termen van de op het invullen van de FML toepasselijke CBBS-criteria, welke toelichting niet is gegeven, niet tot het oordeel dat de FML onjuist is vastgesteld.
De gemachtigde van het UWV heeft ter zitting volstaan met de reactie dat hij geen tegenstrijdigheden ziet en dat, bijvoorbeeld, het acht uur per dag kunnen werken, anders dan de gemachtigde heeft geopperd, niet in strijd is met 30-32 uur per week kunnen werken.
Voor het overige had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de gemachtigde van eiseres gelegen om voor zover in haar opmerkingen over de FML (gedetailleerde) beroepsgronden schuilen, deze ook gedetailleerd te onderbouwen aan de hand van de CBBS-criteria en om die beroepsgronden tijdig voor de zitting, met inachtneming van de daarvoor geldende termijn, naar voren te brengen, opdat het UWV daarop even gedetailleerd had kunnen reageren. Dit klemt te meer nu de processtukken reeds op 17 april 2025 aan de gemachtigde van eiseres zijn toegezonden en niet is gebleken dat de betreffende beroepsgronden niet eerder aangevoerd hadden kunnen worden. In zoverre moet hetgeen over de FML ter zitting nog is aangevoerd wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing blijven (aldus in een vergelijkbare kwestie die naslag of navraag kan vereisen ook de Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2267).
12. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt.
13. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van meer dan 42,35%.
14. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.