ECLI:NL:RBROT:2026:6332

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718329 / JE RK 26-731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en veiligheidsrisico's in gezin

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2010, vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling binnen het gezin. Na een periode van uithuisplaatsing woont de minderjarige weer bij haar ouders, maar er zijn signalen van een gesloten gezinssysteem en bedreigingen door familieleden, waaronder broers en een oom.

Tijdens de zitting op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de minderjarige gehoord en de ouders en betrokken instanties gehoord. De hulpverlening door Massive Care wordt erkend, maar er is onvoldoende zicht op de thuissituatie en de veiligheid kan niet worden gegarandeerd. De minderjarige is eerder met een machtiging uit huis geplaatst na bedreigingen en geweld.

De ouders betwisten de noodzaak van ondertoezichtstelling en stellen dat vrijwillige hulpverlening volstaat. De kinderrechter oordeelt echter dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen zonder ondertoezichtstelling. Daarom wordt de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van zes maanden, met een pro forma zitting gepland op 1 oktober 2026. De beslissing is direct uitvoerbaar en er wordt een rapportageverplichting opgelegd aan de Raad.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor zes maanden wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling en veiligheid binnen het gezin.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718329 / JE RK 26-731
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[ouders],
hierna te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 16 april 2026, ontvangen op 16 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders en hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was zelf aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus van de kinderrechter gehoord.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Na een uithuisplaatsing woont [minderjarige] weer bij de ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
In de afgelopen periode hebben de ouders meegewerkt aan de ingezette hulpverlening van Massive Care. Massive Care biedt cultuur sensitieve hulpverlening in het gezin. Massive Care heeft aangegeven dat de ouders weliswaar lijken mee te werken, maar dat er nog te weinig zicht op het gezin is, dat het een gesloten gezinssysteem is en dat de veiligheid van [minderjarige] nog niet kan worden gewaarborgd. Het is onduidelijk wat er is gebeurd in de dynamiek waarbij [minderjarige] is weggelopen en dat zij uiteindelijk weer terug naar huis wilde. Er zijn risico’s in het gezin. Er zijn signalen dat een broer van [minderjarige] zich naar haar zeer bedreigend heeft opgesteld en heeft aangegeven dat als hij het vermoeden heeft dat [minderjarige] een vriendje heeft, dat hij haar telefoon zal onderzoeken. Een andere broer mag niet weten dat er begeleiding in het gezin is en dat [minderjarige] begeleiding heeft. Voor de veiligheid van [minderjarige] is het belangrijk dat er beter zicht op de situatie ontstaat en dat er systemische hulpverlening wordt ingezet.
4.2.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad en hetgeen de Raad ter zitting heeft toegelicht ondersteund en het volgende aangevuld. In de afgelopen periode is [minderjarige] door het verblijf bij een nicht en bij een buurvrouw en logeermomenten thuis stapsgewijs weer naar huis gegaan. Sinds twee weken woont [minderjarige] weer volledig thuis. De ouders en [minderjarige] werken goed mee aan de hulpverlening vanuit Massive Care. Maar [minderjarige] gaat nog niet naar school. De moeder heeft [minderjarige] ingeschreven voor een MBO 1 opleiding horeca, waarmee zij na de zomervakantie zal starten. Momenteel werkt [minderjarige] bij de moeder in het bedrijf waar zij een contract heeft. [minderjarige] staat voor een persoonlijkheidsonderzoek bij Mentaal beter op de wachtlijst.
4.3.
Namens en door de ouders is ter zitting aangegeven dat een ondertoezichtstelling niet nodig is. Ter onderbouwing hiervan is het volgende aangevoerd. De ouders staan op één lijn met de hulpverlening. De ouders zijn het ook eens met het onderzoek van [minderjarige] bij Mentaal beter. De hulpverlening kan dan ook in het vrijwillig kader worden geboden. Eergerelateerde problematiek ligt voor de ouders anders. Er is geen sprake van controle door haar broers. Zij vormen geen risico voor [minderjarige] . Na een verblijf bij [zorginstelling] is [minderjarige] bovendien door haar broers opgehaald toen zij naar huis mocht worden gebracht. [minderjarige] moet zich thuis wel aan de gemaakte afspraken houden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn forse zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie en in relatie tot haar familie. Tijdens het raadsonderzoek heeft [minderjarige] aangegeven dat zij regelmatig wordt geslagen door haar vader en haar broers. Daar komt bij dat er signalen zijn van dreiging en controle vanuit de meerderjarige broers naar [minderjarige] en van bedreiging vanuit haar oom. Zo heeft de school aangegeven dat een broer naar de school van [minderjarige] is gegaan om te vragen met wie zij omgaat, waarna de oom een locatieverbod op deze school heeft gekregen. Tijdens het verblijf van haar ouders in Mekka heeft [minderjarige] bij haar oma, oom en tante verbleven. Tijdens dit verblijf is [minderjarige] op 20 februari 2026 weggelopen. Tegenover de politie heeft de oom [minderjarige] fors bedreigd, waarbij hij heeft aangegeven dat hij haar kapot zal slaan als zij nu terugkomt. Uit informatie vanuit de politie is ook gebleken dat tijdens het verblijf van [minderjarige] bij een vriendin, deze vriendin via diverse telefoonnummers is gebeld en bedreigd, waarbij is aangegeven dat als [minderjarige] niet direct naar huis zou komen, een groep mannen naar deze woning zou gaan. Vanwege de zorgen is [minderjarige] met een machtiging uit huis geplaatst.
5.3.
Het is positief dat de ouders zoals wordt gemeld ter zitting in de afgelopen periode hebben meegewerkt aan de ingezette hulpverlening vanuit Massive Care. Massive Care heeft echter aangegeven dat het een gesloten gezinssysteem is, dat er nog onvoldoende zicht is op de situatie van [minderjarige] in de thuissituatie en dat de veiligheid van [minderjarige] nog onvoldoende kan worden gewaarborgd. Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging dan ook niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden tot de hierna vermelde pro forma datum. De kinderrechter heeft, gelet op al het voorgaande, zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de ouders en wil daarover op de hoogte worden gehouden.
5.4.
De Raad wordt verzocht om de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en de advocaat) in een briefrapportage te informeren over hoe het met [minderjarige] gaat en de stand van zaken in de afgelopen periode en gemotiveerd aan te geven of het resterende deel van verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 20 mei 2026 tot
20 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
6.3.
houdt het verzoek voor het overig verzochte aan.
En alvorens verder te beslissen:
6.4.
Bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 oktober 2026 pro forma.
6.5.
Bepaalt dat de Raad, de GI, de belanghebbenden, de advocaat en [minderjarige] op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.
6.6.
Verzoekt de Raad uiterlijk op 1 oktober 2026 de kinderrechter de sub 5.4. verzochte rapportage te doen toekomen en een afschrift daarvan te verstrekken aan de GI, de belanghebbenden en de advocaat.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door
mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.