ECLI:NL:RBROT:2026:6334

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/10/714581 / JE RK 26-251
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige zorgen opvoedsituatie

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds februari 2026 onder toezicht staat en in een pleeggezin verblijft. De moeder houdt het ouderlijk gezag, maar er zijn ernstige zorgen over de veiligheid en opvoeding van het kind.

Tijdens de zitting op 20 mei 2026 werd vastgesteld dat de minderjarige meerdere fracturen heeft opgelopen die niet verklaard kunnen worden door de opgegeven toedracht. Er is geen medische oorzaak voor het letsel, waardoor wordt geconcludeerd dat het letsel is ontstaan binnen de opvoedsituatie bij de moeder. De minderjarige ontwikkelt zich positief in het pleeggezin en heeft begeleid contact met de moeder.

De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek tot verlenging en werkt aan een traject bij een gespecialiseerde zorginstelling gericht op kindermishandeling, waarbij ook de partner van de moeder betrokken wordt. De kinderrechter acht verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en veiligheid van de minderjarige en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 7 september 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714581 / JE RK 26-251
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Bredius, kantoorhoudende in Gorinchem,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 13 april 2026, ontvangen op 14 april 2026;
- de brief met bijlage van mr. M. Bredius van 11 mei 2026, ontvangen op
11 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 2] en
[vertegenwoordiger 3] .
1.3.
Bijzondere toegang is verleend aan [persoon A] , de pleegzorgbegeleider [naam zorginstelling 1] , [persoon B] , de pleegvader, en [persoon C] , de huidige partner van moeder.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 24 februari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 24 februari 2026 tot 24 februari 2027, is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 7 juni 2026 en is de behandeling van de zaak voor het overig verzochte pro forma aangehouden tot 1 mei 2026.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er dient nog te worden beslist over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de resterende duur van drie maanden, te weten tot 7 september 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft naar aanleiding van de briefrapportage van de GI van 13 april 2026 ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd.
4.2.
De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld.
In de afgelopen periode is bij [minderjarige] fors letsel geconstateerd. De uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek zijn nog onduidelijk. Er komt een beslissing over het al dan niet vervolgen van de moeder als verdachte. Vervolgens worden de mogelijkheden bekeken wat dit alles voor [minderjarige] betekent. De GI moet besluiten zorgvuldig nemen. [minderjarige] is nog heel jong en volledig afhankelijk van zijn verzorger(s).
Op 12 mei 2026 heeft de intake voor een traject tot gezinsopname bij [naam zorginstelling 2] plaatsgevonden. [naam zorginstelling 2] is gespecialiseerd in kindermishandeling. [naam zorginstelling 2] wil het traject aanbieden mits de partner van de moeder ook deelneemt aan dit traject, om te onderzoeken wat er gebeurt in de dynamiek en of de situatie voor [minderjarige] veilig is. Op 23 juni 2026 kan mogelijk een vervolgintake plaatsvinden. Daarna volgt een opname voor de duur van twee weken en een evaluatie. Vervolgens zal de klinische opname voor de duur van zestien weken plaatsvinden. Na vier weken wordt gekeken of gewerkt kan worden in stappen naar huis. Daarbij vinden ook bodychecks plaats. In de tussentijd is er wel gesproken over de (uitbreiding van de) omgang tussen [minderjarige] en met name moeder.
De oma mz en stiefoma zullen om en om de omgang op maandagmiddag gaan begeleiden. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder kan verder wordt uitgebreid met het vier ogen principe. Het vertrouwen is er dat dit voor [minderjarige] goed zal verlopen.
Op 27 mei 2026 zal de GI met de moeder in gesprek gaan over de verwachtingen over en weer en praktische zaken bespreken om zodoende tot betere samenwerking te komen.
4.3.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting aangegeven dat zij zich refereren aan het oordeel van de kinderrechter. Door en namens de moeder is wel verzocht om in de beschikking als overweging op te nemen dat voortvarendheid door de GI nodig is en dat het daaraan ontbroken heeft in de afgelopen maanden voor de uitbreiding van de omgang en dat door de GI moet worden gekeken naar andere opties, een plan B in plaas van de opname in [naam zorginstelling 2] als de moeder niet strafrechtelijk zal worden vervolgd.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er ernstige zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder. Op 6 december 2025 is bij [minderjarige] in het ziekenhuis een fractuur in zijn bovenarm geconstateerd. Uit aanvullend onderzoek en een herbeoordeling van het radiologisch onderzoek is gebleken dat bij [minderjarige] ook een schedelfractuur, een ribfractuur, twee mogelijke ribfracturen en twee oudere fracturen in de benen is waargenomen. Deze bevindingen kunnen door de geschetste toedracht van de moeder over de bovenarmbreuk, de beenbreuken en ribfractu(u)r(en), niet worden verklaard. Er is bij [minderjarige] ook geen sprake van een onderliggende medische aandoening. Vaststaat dat het forse letsel bij [minderjarige] is ontstaan in de opvoedsituatie bij de moeder, onder haar verantwoordelijkheid. Vanwege de ernstige zorgen verblijft [minderjarige] met een machtiging in een pleeggezin.
5.3.
[minderjarige] ontwikkelt zich positief in het pleeggezin. De moeder heeft twee keer per week een uur begeleid bezoek met [minderjarige] en deze bezoeken verlopen positief. De GI is dan ook van plan om de bezoeken vanaf 25 mei 2026 uit te breiden, zoals blijkt uit het namens de moeder overgelegde conceptverslag van [naam zorginstelling 1] van 6 mei 2026. Om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder en de veiligheid van [minderjarige] in bijzijn van zijn moeder en haar partner is het van belang dat zij blijft meewerken aan de hulpverlening en de moeder en haar partner meewerken aan het traject bij [naam zorginstelling 2] , zoals door de GI ter zitting is toegelicht. Op 27 mei 2026 zal een gesprek tussen de GI en de moeder plaatsvinden met de inzet de onderlinge samenwerking te verbeteren, zoals door de GI ter zitting is toegelicht.
5.4.
De komende periode dient voortvarend te worden gewerkt aan verdere uitbreiding en intensivering van het contact tussen de moeder en [minderjarige] , uiteraard binnen veilige kaders en op geleide van het belang van [minderjarige] . Naar verwachting zal de officier van justitie binnen afzienbare tijd beslissen of de moeder al dan niet als verdachte wordt aangemerkt en vervolgd. Afhankelijk van de uitkomst kunnen alternatieve opties door de GI worden overwogen. Daarbij dient de veiligheid van [minderjarige] voorop te blijven staan. Gelet op al deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige] bij zijn pleeggezin moet worden voortgezet. Daarom zal de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing verlengen voor de door de Raad verzochte resterende duur, te weten tot 7 september 2026.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 7 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door
mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.