Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1..[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de mondelinge behandeling op 8 mei 2026;
- de pleitnota van de curatoren;
- de pleitnota van [gedaagde] .
3.De feiten
Self-Pay Letter of Agreement” gesloten met het Shepherd Center. Daarin staat onder meer:
ook twee. De voorlopige offerte van [naam vervoerder] laat vooralsnog een beduidend lagere prijs zien. De verschillen tussen de offertes zijn behoorlijk groot.
4.Het geschil
€ 40.000,00+
is not fit to fly on a regular flight. The patient can be transported by ambulance flight.” Indien [gedaagde] van mening was dat de kosten van ambulancevervoer geen redelijke kosten waren, lag het op haar weg om dat direct aan de curatoren mee te delen en te motiveren waarom een reguliere vlucht voldoende was. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft geen enkel bezwaar opgeworpen. Zij heeft alleen om (nog) meer offertes gevraagd. Verwezen wordt naar de mailberichten van [gedaagde] van 1 en 2 april 2026 (zie 3.13. en 3.15.). Daarmee wekte [gedaagde] bij de curatoren de verwachting dat ambulancevervoer akkoord was, en dat het alleen ging om de goedkoopste offerte op dat punt, zonder dat overigens van een toezegging kan worden gesproken. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de curatoren op 9 april 2026 (ruim drie weken na de ontvangst van de 1e offerte) zijn overvallen door de mededeling van [gedaagde] om af te zien van de financiering van het gehele behandeltraject. Die verrassing zag niet alleen op het door [gedaagde] voor het eerst op 9 april 2026 ingenomen standpunt dat de kosten van ambulancevervoer niet redelijk waren, maar ook op het feit dat dat voor [gedaagde] reden vormde om dan maar het gehele traject niet door te laten gaan. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet (eerder) in overleg ging met de curatoren over de mogelijkheid van ander vervoer of van een gedeeltelijke vergoeding van de (in haar ogen redelijke) vervoerskosten.
redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften” (zoals bedoeld onder punt 3 van de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026).