ECLI:NL:RBROT:2026:654

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
ROT 23/8082, ROT 23/8083 en ROT 23/8087
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag overname schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen met gedeeltelijke gegrondverklaring van de beroepen

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 22 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaken ROT 23/8082, ROT 23/8083 en ROT 23/8087. Eiseres, een gedupeerden van de toeslagenaffaire, had aanvragen ingediend voor de overname van meerdere schulden op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister van Financiën had deze aanvragen afgewezen, maar tijdens de zitting verklaarde de minister dat een deel van de schulden alsnog zou worden overgenomen, omdat deze aan de vereisten van artikel 4.1 van de Wht voldoen. De rechtbank oordeelde dat de beroepen in de zaken ROT 23/8082 en ROT 23/8087 gegrond zijn, omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de Wht. De rechtbank heeft de besluiten van de minister vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de schulden aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] en [naam hypotheekkantoor]. De rechtbank heeft bepaald dat de minister de schuld aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] overneemt tot een bedrag van € 10.925,25 en de schuld aan [naam hypotheekkantoor] tot een bedrag van € 33.201,31. Het beroep in de zaak ROT 23/8083 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/8082, ROT 23/8083 en ROT 23/8087

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaken tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.H. Steensma),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. De minister heeft de aanvragen van eiseres om overname van meerdere schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. De minister heeft ter zitting verklaard een deel van de schulden over te nemen, omdat alsnog is gebleken dat deze aan de vereisten van artikel 4.1 van de Wht voldoen. De beroepen zijn in zoverre gegrond. De schulden van eiseres aan haar eigen onderneming heeft de minister terecht niet overgenomen, omdat deze schulden niet opeisbaar zijn geworden. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule slaagt niet.

Procesverloop

2. Met de besluiten van 31 januari 2023, 20 maart 2023 en 7 juli 2023 heeft de minister de aanvragen van eiseres om overname van geldschulden op grond van de Wht afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 26 oktober 2023 met kenmerk [kenmerknummer 1] (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 31 januari 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Met het besluit van 26 oktober 2023 met kenmerk [kenmerknummer 2] (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 maart 2023 ongegrond verklaard.
2.3.
Met het besluit van 26 oktober 2023 met kenmerk [kenmerknummer 3] (bestreden besluit 3) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 7 juli 2023 ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 (ROT 23/8087), het bestreden besluit 2 (ROT 23/8083) en het bestreden besluit 3 (ROT 23/8082).
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op de zitting van 10 april 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de partner van eiseres ( [persoon A] ) en de gemachtigde van de minister. Tevens was als informant aanwezig [persoon B] , boekhouder van [naam bedrijf 1] . ( [naam bedrijf 1] ).
2.6.
De rechtbank heeft de zaken na de zitting verwezen naar een meervoudige kamer.
2.7.
De rechtbank heeft de beroepen op de zitting van 9 juli 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de partner van eiseres en de gemachtigde van de minister. Tevens waren als informant aanwezig [persoon B] , boekhouder van [naam bedrijf 1] , en als getuige aanwezig [persoon C] , eigenaresse van [naam bedrijf 2] .
2.8.
[persoon C] is op de zitting als getuige gehoord.
2.9.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en nadere inlichtingen gevraagd aan eiseres. Eiseres heeft deze inlichtingen verstrekt en de minister heeft hierop gereageerd.
2.10.
Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord, verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De bestreden besluiten
3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft aanvragen gedaan om overname van meerdere schulden. De minister heeft de aanvraag om de overname van de volgende schulden afgewezen:
  • een schuld aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] ter hoogte van € 10.925,25 (ROT 23/8082, bestreden besluit 3 en ROT 23/8087, bestreden besluit 1);
  • een schuld aan [persoon D] ter hoogte van € 3.273,05 (ROT 23/8083, bestreden besluit 2 en ROT 23/8087, bestreden besluit 1);
  • een schuld aan [naam bedrijf 3] inzake Stichting [naam stichting] ter hoogte van € 16.406,34 (ROT 23/8083, bestreden besluit 2);
  • een schuld aan [persoon E] ter hoogte van € 2.017,56 (ROT 23/8087, bestreden besluit 1);
  • een schuld aan [naam incassobedrijf] inzake Stichting [naam stichting] ter hoogte van € 16.406,34 (ROT 23/8087, bestreden besluit 1);
  • een schuld aan [naam hypotheekkantoor] ter hoogte van € 33.201,31 (ROT 23/8087, bestreden besluit 1);
  • een schuld aan Kinderdagverblijf [naam bedrijf 1] met debiteurnummer [debiteurennummer] ter hoogte van € 446.353,08 (ROT 23/8087, bestreden besluit 1);
  • een schuld aan Kinderdagverblijf [naam bedrijf 1] rekening courant ter hoogte van € 218.539,- (ROT 23/8087, bestreden besluit 1).
4. Eiseres heeft verklaard dat haar inmiddels duidelijk is geworden dat de schulden aan [naam bedrijf 3] inzake Stichting [naam stichting] , [naam incassobedrijf] inzake Stichting [naam stichting] en [persoon E] niet meer bestaan. Eiseres heeft de beroepsgronden die betrekking hebben op deze schulden daarom ingetrokken. Deze beroepsgronden behoeven dus geen verdere bespreking meer.
5. Ter zitting heeft de minister verklaard dat de schulden aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] en [naam hypotheekkantoor] alsnog worden overgenomen. Gelet daarop moeten de bestreden besluiten 1 en 3 worden vernietigd en zijn de beroepen in de zaken ROT 23/8082 en ROT 23/8087 gegrond. De rechtbank zal zelf in deze zaken voorzien door de besluiten van 31 januari 2023 en 7 juli 2023 te herroepen en te bepalen dat de minister de schuld aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] over moet nemen tot een bedrag van € 10.925,25 en de schuld aan [naam hypotheekkantoor] tot een bedrag van € 33.201,31.
Wettelijk kader
6. De minister neemt op aanvraag een schuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De schulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [1]
6.1.
Schulden die zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen. [2] Informele schulden, die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen indien deze zijn vastgelegd in een notariële akte of blijken uit een rechterlijke uitspraak. [3]
6.2.
De minister kan afwijken van een bepaling over de overname van schulden, voor zover toepassing van die bepaling, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [4] Deze hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. [5]
7. De rechtbank zal per schuld beoordelen of de minister de aanvraag tot overname mocht afwijzen op grond van artikel 4.1 van de Wht. Vervolgens zal de rechtbank het beroep van eiseres op de hardheidsclausule bespreken.
Schuld aan [persoon D]
8. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld aan [persoon D] niet opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021. Omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de schuld opeisbaar moet zijn, heeft de minister de aanvraag om overname van deze schuld terecht afgewezen.
Schulden aan kinderdagverblijf [naam bedrijf 1]
9. [naam bedrijf 1] is een kinderdagverblijf waarvan eiseres directeur is en waarvan de moeder van eiseres enig aandeelhouder is. De kinderen van eiseres gingen naar de opvang bij [naam bedrijf 1] . In de periode dat eiseres financiële problemen had, heeft zij schulden opgebouwd bij [naam bedrijf 1] . Zij heeft jarenlang de kosten voor de kinderopvang niet voldaan, zodat eiseres een schuld heeft bij [naam bedrijf 1] als klant. Daarnaast heeft eiseres als directeur een rekening-courantschuld opgebouwd bij [naam bedrijf 1] , omdat zij de zakelijke betaalpas gebruikte voor privé-uitgaven.
Schuld als klant van [naam bedrijf 1]
9.1.
De minister heeft de schuld aan [naam bedrijf 1] die eiseres heeft opgebouwd als klant niet overgenomen, omdat niet aannemelijk is dat de schuld nog bestaat. Op de debiteurenlijst, afkomstig uit de administratie van [naam bedrijf 1] , staat vermeld dat de vordering van [naam bedrijf 1] op eiseres € 0,- bedraagt. Zelfs als de schuld nog zou bestaan, blijkt uit de overeenkomsten van geldlening tussen eiseres en [naam bedrijf 1] dat zij die schuld pas op 30 november 2030 moet betalen, zodat de schuld hoe dan ook niet opeisbaar was voor 1 juni 2021. Bovendien is sprake van een informele schuld die niet is vastgelegd in een notariële akte.
9.2.
Eiseres voert aan dat de schuld wel bestaat. Het bedrag op de debiteurenlijst is te wijten aan een boekhoudkundige constructie waarbij een deel van de debiteurenschuld is overgeboekt naar de rekening-courantverhouding tussen [naam bedrijf 1] en eiseres. Na correctie hiervan bedraagt de daadwerkelijke schuld van eiseres als klant € 508.559,83. Eiseres is verder van mening dat de schuld opeisbaar is geworden doordat er destijds facturen zijn opgesteld voor de kinderopvang met een verzoek om betaling. Ook is er volgens eiseres sprake van een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser. De schuld is namelijk ontstaan omdat eiseres opvang heeft afgenomen voor haar kinderen en het bieden van kinderopvang behoort tot de normale uitoefening van het bedrijf van [naam bedrijf 1] .
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag om overname van de schuld terecht afgewezen. De enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] – de moeder van eiseres – heeft verklaard dat de vennootschap zou afzien van directe invordering van de schuld van eiseres als klant tot de minister de schuld zou overnemen of de financiële situatie van de vennootschap het zou toelaten. Niet is gebleken dat aan deze voorwaarden is voldaan, zodat de schuld niet opeisbaar is geworden. Bovendien is de schuld niet ontstaan in de normale uitoefening van het bedrijf van [naam bedrijf 1] . Dat de schuld is opgelopen tot meer dan een half miljoen euro is het gevolg van de bijzondere positie van eiseres als directeur van de vennootschap en het feit dat de aandelen in handen zijn van haar moeder. De informele schuld is niet vastgelegd in een notariële akte en blijkt ook niet uit een rechterlijke uitspraak. Dat betekent dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht.
Schuld als directeur
9.4.
De minister heeft de schuld van eiseres aan [naam bedrijf 1] inzake de rekening-courantverhouding niet overgenomen, omdat sprake is van een informele schuld. [naam bedrijf 1] is een kinderdagverblijf dat normaliter geen geld uitleent. Voordat een informele schuld kan worden overgenomen, is het overleggen van een notariële akte vereist en eiseres heeft dat niet gedaan. Bovendien is de schuld niet opeisbaar geworden, omdat uit de overeenkomsten van geldlening tussen eiseres en [naam bedrijf 1] blijkt dat schuld pas op 30 november 2030 betaald moet worden.
9.5.
Eiseres voert aan dat er sprake is van schuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser. De financiële relatie tussen de directeur, die tevens een belangrijke afnemer van de vennootschap is, en de vennootschap maakt dat wederzijdse en wederkerige verplichtingen ontstaan. Deze verhouding past binnen de normale uitoefening van een bedrijf. Na de onder 9.2 besproken correctie bedraagt de schuld aan [naam bedrijf 1] inzake de rekening-courant verhouding € 166.629,09.
9.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag om overname van de schuld terecht afgewezen. Eiseres en [naam bedrijf 1] hebben in een overeenkomst van 15 december 2020, twee overeenkomsten van 2 januari 2025 en een overeenkomst van 10 mei 2025 nadere afspraken gemaakt over de bedragen die eiseres uit hoofde van de rekening-courantverhouding verschuldigd is aan [naam bedrijf 1] . Uit deze afspraken blijkt dat eiseres de hoofdsom van het bedrag uiterlijk op 30 november 2030 moet terugbetalen. De enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] – de moeder van eiseres – heeft verklaard dat de vennootschap zou afzien van directe invordering van de schuld van eiseres als directeur tot de minister de schuld zou overnemen of de financiële situatie van de vennootschap het zou toelaten. Niet is gebleken dat aan deze voorwaarden is voldaan. Het voorgaande betekent dat de schuld niet opeisbaar is geworden en dus niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht. Gelet op het voorgaande hoeft de rechtbank niet te beoordelen of sprake was van een schuld die is ontstaan in de normale uitoefening van het bedrijf van [naam bedrijf 1] .
Hardheidsclausule
10. Eiseres betoogt dat de minister de hardheidsclausule zou moeten toepassen en alsnog de schulden aan [persoon D] en [naam bedrijf 1] moet overnemen. Zij voert daartoe aan dat de schulden zijn ontstaan als gevolg van de toeslagenaffaire. De schuld aan [persoon D] is ontstaan doordat advocaten geen ruimte hebben om zaken over de toeslagenaffaire op toevoegingsbasis te behandelen, waardoor eiseres genoodzaakt was zelf de kosten te betalen. Als de schulden niet worden overgenomen, kunnen de schulden van [naam bedrijf 1] aan de Belastingdienst en een pensioenfonds niet afbetaald worden. Hierdoor zal [naam bedrijf 1] failliet gaan. Dit heeft tot gevolg dat de medewerkers en eiseres zelf hun baan verliezen en dat eiseres en haar gezin niet meer in de woning kunnen wonen. Eiseres kan al twee jaar niet werken en heeft een hoge bloeddruk door de impact die de financiële problemen op haar hebben.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. De rechtbank licht dat hierna toe.
10.2.
De rechtbank heeft geen enkele twijfel dat eiseres en haar gezin veel hebben geleden als gevolg van de toeslagenaffaire, zoals eiseres en haar partner ook ter zitting hebben verteld. In het kader van de hardheidsclausule moet de minister echter beoordelen of gelet op het doel van de regeling sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. De regeling over private schulden is erop gericht gedupeerde ouders in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Er is sprake van een bijzondere situatie: eiseres is naast gedupeerde ouder ook ondernemer en zij heeft schulden aan haar eigen onderneming. In haar hoedanigheid als directeur van [naam bedrijf 1] is eiseres in wezen schuldeiser van zichzelf. Het is niet goed voorstelbaar dat eiseres als schuldeiser incassomaatregelen ten aanzien van zichzelf zal treffen: de verklaring van de enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] – de moeder van eiseres – zoals hiervoor onder 9.3 en 9.6 besproken, bevestigt dat ook. Omdat het niet waarschijnlijk is dat ten aanzien van de schulden van eiseres aan [naam bedrijf 1] incassomaatregelen zullen worden getroffen, zal ook niet snel sprake zijn van een onbillijkheid van overwegende aard in het licht van het doel van de regeling, nu dat doel is om dergelijke incassomaatregelen in bepaalde gevallen te voorkomen. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres onvoldoende onderscheid maakt tussen haar positie als natuurlijk persoon en die als wettelijk vertegenwoordiger en bestuurder van haar onderneming. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat eiseres in reactie op het verzoek van de rechtbank om haar betoog op de hardheidsclausule te onderbouwen enkel stukken heeft overgelegd die betrekking hebben op de financiële situatie van [naam bedrijf 1] . De regeling over private schulden ziet echter op schulden van gedupeerde ouders, niet op schulden van rechtspersonen. Uit de overgelegde stukken volgt dat [naam bedrijf 1] schulden heeft aan de Belastingdienst en een pensioenfonds van in totaal € 1.049.770,- en een positief maandelijks resultaat van € 24.279,-. Later heeft eiseres daarover verklaard dat dit het jaarlijkse resultaat zou zijn. Dit strookt niet met de tekst van het door haarzelf opgestelde overzicht “inkomsten vs. uitgaven (maandelijks, afgerond)”. Het is voor de rechtbank in ieder geval niet duidelijk waarom het niet overnemen van haar schulden zou leiden tot het faillissement van [naam bedrijf 1] . Bovendien heeft eiseres onvoldoende onderbouwd waarom een eventueel faillissement van [naam bedrijf 1] zou leiden tot serieuze en structurele financiële nood in haar privésituatie. De enkele stelling dat eiseres haar woning in dat geval zou moeten verkopen, legt in dat verband onvoldoende gewicht in de schaal, ook omdat onzeker is of dit daadwerkelijk het geval zal zijn. Van ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden is ook niet gebleken. Het voorgaande betekent dat de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing mocht laten.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen in de zaken ROT 23/8082 en ROT 23/8087 zijn gegrond, omdat de bestreden besluiten 1 en 3 in strijd zijn met artikel 4.1 van de Wht. Het beroep in de zaak ROT 23/8083 is ongegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten 1 en 3 voor zover daarin is beslist dat de minister de schulden aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] en [naam hypotheekkantoor] niet overneemt. De rechtbank voorziet zelf in de zaken op de wijze als hiervoor onder 5 weergegeven. [6]
11.1.
Omdat de beroepen in de zaken ROT 23/8082 en ROT 23/8087 gegrond zijn, moet de minister het betaalde griffierecht van € 50,- vergoeden. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.800,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, met een waarde per punt van € 934,‑, 2 punten voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt de zaken ROT 23/8082 en ROT 23/8087 voor de beroepsfase als samenhangende zaken, omdat in iedere zaak door dezelfde gemachtigde een identiek beroepschrift is ingediend. [7] De door eiseres meegebrachte getuige heeft verklaard dat zij € 72,50 aan verletkosten had. De minister heeft dat niet betwist. De rechtbank stelt de kosten van de door eiseres meegebrachte getuige daarom vast op € 72,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep in de zaak ROT 23/8083 ongegrond;
  • verklaart de beroepen in de zaken ROT 23/8082 en ROT 23/8087 gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten 1 en 3 voor zover daarin is beslist dat de minister de schulden aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] en [naam hypotheekkantoor] niet overneemt;
  • herroept de besluiten van 31 januari 2023 en 7 juli 2023 voor zover daarin is beslist dat de minister de schulden aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] en [naam hypotheekkantoor] niet overneemt;
  • bepaalt dat de minister schuld aan [persoon C] / [naam bedrijf 2] overneemt tot een bedrag van € 10.925,25 en de schuld aan [naam hypotheekkantoor] tot een bedrag van € 33.201,31;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde gedeelten van de bestreden besluiten;
  • bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 4.872,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, voorzitter, en mr. S. Veling en mr. C.A. Hage, leden, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht.
3.Artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
4.Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
5.ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, r.o. 7.3.
6.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
7.Artikel 3 van het Bpb.