Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[naam 1],
1.De procedure
- de dagvaarding van 6 mei 2025, met bijlagen;
- het antwoord;
- de mail van 5 augustus 2025 van mr. Claassen, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
Stichting Woonstad Rotterdam vordert ontbinding van de huurovereenkomst met [naam 1] wegens het niet houden van hoofdverblijf in de woning en het zonder toestemming in gebruik geven aan familieleden. De huurder betwist dit en stelt dat hij zijn hoofdverblijf wel in de woning heeft en dat zijn belang bij behoud groter is dan dat van Woonstad.
De kantonrechter beoordeelt de bewijsstukken, waaronder fotoverslagen en rapportages van huisbezoeken door de gemeente, en concludeert dat deze onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen bevatten om het vermoeden van geen hoofdverblijf te staven. Persoonlijke spullen en kleding van de huurder zijn mogelijk aanwezig, en het feit dat hij op de bank slaapt is niet onredelijk.
Hoewel de huurder zijn dochter en kleinkinderen zonder toestemming heeft laten inwonen, is dit geen tekortkoming van voldoende gewicht om ontbinding te rechtvaardigen. Er is geen sprake van onderverhuur en de dochter heeft inmiddels een eigen woning. De vorderingen van Woonstad worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen omdat onvoldoende is bewezen dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in de woning hield.