ECLI:NL:RBROT:2026:6623

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11698966 CV EXPL 25-11463
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:244 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens onvoldoende bewijs geen hoofdverblijf

Stichting Woonstad Rotterdam vordert ontbinding van de huurovereenkomst met [naam 1] wegens het niet houden van hoofdverblijf in de woning en het zonder toestemming in gebruik geven aan familieleden. De huurder betwist dit en stelt dat hij zijn hoofdverblijf wel in de woning heeft en dat zijn belang bij behoud groter is dan dat van Woonstad.

De kantonrechter beoordeelt de bewijsstukken, waaronder fotoverslagen en rapportages van huisbezoeken door de gemeente, en concludeert dat deze onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen bevatten om het vermoeden van geen hoofdverblijf te staven. Persoonlijke spullen en kleding van de huurder zijn mogelijk aanwezig, en het feit dat hij op de bank slaapt is niet onredelijk.

Hoewel de huurder zijn dochter en kleinkinderen zonder toestemming heeft laten inwonen, is dit geen tekortkoming van voldoende gewicht om ontbinding te rechtvaardigen. Er is geen sprake van onderverhuur en de dochter heeft inmiddels een eigen woning. De vorderingen van Woonstad worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen omdat onvoldoende is bewezen dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in de woning hield.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11698966 CV EXPL 25-11463
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. van der Hoeff,
eerst tegen
Robes Schuldondersteuning B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[naam 1],
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Claassen;
nu tegen
[naam 1],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Claassen.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘[naam 1]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 6 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de mail van 5 augustus 2025 van mr. Claassen, met bijlagen.
1.2.
Op 28 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [naam 2] van Woonstad met mr. Van der Hoeff en [naam 1] met mr. Claassen aanwezig.

2.De beoordeling

De procespartijen
2.1.
Gedagvaard is Robes Schuldondersteuning B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de goederen van [naam 1]. Tijdens de procedure is het bewind opgeheven. Daarom is [naam 1] nu zelf procespartij en wordt dit vonnis gewezen met hem als gedaagde.
Waar gaat de zaak over?
2.2.
Woonstad verhuurt aan [naam 1] sinds 2015 de woning aan de [adres]. Woonstad eist dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en [naam 1] veroordeelt de woning te verlaten. Woonstad eist dat, omdat zij vindt dat [naam 1] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van zijn verplichtingen als huurder. Hij heeft zijn hoofdverblijf niet in de woning gehouden en de woning zonder toestemming (deels) onderverhuurd of in gebruik gegeven aan familieleden, stelt Woonstad. [naam 1] betwist dat hij zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft gehouden en dat hij heeft onderverhuurd. Ook voert hij aan dat zijn belang bij het behouden van de woning groter is dan het belang van Woonstad bij ontbinding van de huurovereenkomst. De uitkomst van de zaak is dat [naam 1] in de woning mag blijven. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
[naam 1] hoeft de woning niet te verlaten, omdat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden
2.3.
Een huurovereenkomst kan door de kantonrechter worden ontbonden als sprake is van een tekortkoming van de huurder in het nakomen van zijn verplichtingen (artikel 6:265 BW Pro). De tekortkoming moet wel van voldoende gewicht zijn om ontbinding met alle gevolgen te rechtvaardigen. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden. [1]
2.4.
De partijen zijn het erover eens dat [naam 1] verplicht is zijn hoofdverblijf te hebben in de woning, maar niet of hij dat heeft gedaan. De vraag is dus of [naam 1] hoofdverblijf heeft gehouden in de woning.
Dat zijn dochter en haar twee minderjarige kinderen gebruik maken (of hebben gemaakt) van de twee slaapkamers in de woning staat vast. Daar is geen discussie over.
2.4.1.
Woonstad stelt dat [naam 1] geen hoofdverblijf heeft (gehouden) in de woning en onderbouwt dat met fotoverslagen van de gemeente van de huisbezoeken op 28 mei, 11 juli en 12 september 2024 (bijlagen 6 t/m 8 van Woonstad) en een rapportage van de gemeente over december 2022 t/m oktober 2024 (bijlage 10 van Woonstad). Woonstad was aanwezig bij een aantal huisbezoeken. Woonstad licht toe dat de aanleiding voor de rapportage van de gemeente een verzoek was van [naam 1] om zijn zoon uit te laten schrijven van het adres van de woning. De focus van Woonstad lag echter bij het onderzoeken van de woonsituatie van [naam 1], stelt Woonstad. Op basis van de overgelegde fotoverslagen en de rapportage schetst Woonstad het beeld dat de woning alleen wordt bewoond door de dochter en haar twee kinderen en niet door [naam 1] zelf; voor hem is geen slaapplaats ingericht in de woning. Tijdens de huisbezoeken worden alleen persoonlijke spullen en kleding van de dochter en de kinderen gezien, niets van [naam 1]. Tijdens de huisbezoeken wordt [naam 1] ook niet aangetroffen, wel zijn dochter en/of de ex-partner van zijn dochter, aldus Woonstad. Woonstad vindt het niet aannemelijk dat [naam 1] gezien zijn hoge leeftijd en gezondheid zijn slaapkamer afstaat aan zijn kleinkinderen en zelf op de bank slaapt en dat zijn persoonlijke spullen in plastic bakken zijn opgeslagen in een van de slaapkamers.
2.4.2.
[naam 1] betwist dat hij geen hoofdverblijf heeft in de woning. Hij licht toe dat zijn dochter en haar twee kinderen bij hem zijn komen wonen in verband met de toenmalige omstandigheden van zijn dochter en de belangen van de kinderen. Hij slaapt zelf op de bank. Hij licht toe dat hij weinig financiële middelen heeft en daarom weinig persoonlijke spullen heeft. Hij is meestal in de avonduren thuis, maar de meeste huisbezoeken hebben overdag plaatsgevonden. Bij niet alle huisbezoeken is gezocht naar zijn persoonlijke spullen terwijl die er wel lagen en toen dat wel is gevraagd, heeft hij persoonlijke spullen en kleding aangewezen, aldus [naam 1]. Hij stelt daarnaast kritische kanttekeningen bij de rapportage en de fotoverslagen en de manier waarop die zijn opgesteld.
2.4.3.
De kantonrechter overweegt dat de omstandigheid dat voor [naam 1] geen slaapplaats is ingericht in de woning nog niet hoeft te betekenen dat hij er niet slaapt, maar wel dit vermoeden kan doen ontstaan. In het rapport staat dat [naam 1] meerdere keren heeft verklaard dat hij op de bank slaapt en ook dat hij een keer desgevraagd dekens heeft getoond die hij daarvoor gebruikt. De omstandigheid dat in de woning geen kledingkast aanwezig is met een stapel kleding van [naam 1], betekent ook nog niet dat hij er niet woont. Op de foto’s van de verslagen is slechts één (kinder)kledingkast te zien. Op de foto’s is verder te zien dat in beide slaapkamers vele (doorzichtige) plastic bakken zijn opgestapeld die zijn gevuld met allerlei soorten spullen, waaronder veel kleding. Verder is te zien dat de slaapkamers niet zijn opgeruimd en dat overal spullen en kledingstukken liggen verspreid en dozen zijn opgestapeld.
2.4.4.
De kantonrechter overweegt dat op basis van de fotoverslagen en rapportage niet is uitgesloten dat er persoonlijke spullen en kledingstukken van [naam 1] in de woning liggen.
In de rapportage staat dat bij de huisbezoeken geen persoonlijke spullen of kleding van [naam 1] zijn gezien, maar [naam 1] voert aan dat op een van de foto’s uit het fotoverslag van het huisbezoek op 28 mei 2024 wel degelijk herenschoenen van [naam 1] op het schoenenrek te zien zijn, terwijl dat niet wordt vermeld in de rapportage. De kantonrechter ziet dat er veel schoenen op het schoenenrek te zien zijn op die foto; of enkele daarvan ook van [naam 1] zijn, kan niet zonder meer uit die foto alleen worden afgeleid. De kantonrechter constateert ook dat op een van de foto’s van het fotoverslag van het huisbezoek van 11 juli 2024 schoenen staan met als bijschrift dat dit de schoenen zijn van [naam 1] volgens zijn dochter. In het fotoverslag van het huisbezoek van 11 juli 2024 zijn ook plastic bakken met kleding te zien met als bijschrift dat hier de kleding van [naam 1] in zou zitten. Of dat wel of niet zo is of welke conclusies Woonstad dan wel de gemeente daaraan verbinden is niet uit de rapportage af te leiden; daarin is slechts te lezen dat geen kleding van [naam 1] is gezien. Verder zijn tijdens het huisbezoek van 12 september 2024 scheermesjes en een tandenborstel gezien die ook op de foto zijn gezet, waarvan volgens de rapporteurs niet met zekerheid kan worden gezegd dat deze spullen van [naam 1] zijn. De kledingstukken die [naam 1] (c.q. zijn dochter omdat [naam 1] niet precies wist waar de kleding lag – zo staat in het rapport) tijdens het huisbezoek op 12 september 2024 tevoorschijn heeft gehaald en heeft getoond zijn volgens de rapporteurs voornamelijk trainingspakken, trainingsbroeken en t-shirts. Hier zijn ook foto’s van. Dat de rapporteurs schrijven dat zij het niet geloofwaardig vinden dat deze (merk)kleding van [naam 1] is, betekent nog niet dat het inderdaad niet van hem is. De dochter heeft tegenover de rapporteurs verklaard dat het de kleding van haar vader is en dat zij die voor hem heeft gekocht en ook [naam 1] heeft verklaard dat het zijn kleding is.
2.4.5.
Verder is van belang dat uit de rapportage en de fotoverslagen van de huisbezoeken niet kan worden afgeleid hoe die huisbezoeken hebben plaatsgevonden en wat er precies is gevraagd over de woonsituatie van de dochter van [naam 1] en haar kinderen en van [naam 1] zelf. Ook is onduidelijk of er naar persoonlijke spullen en kleding van [naam 1] is gezocht/gevraagd of alleen naar die van de dochter en de kinderen. Dat is wel van belang, omdat het doel van de gemeente bij het onderzoek naar aanleiding waarvan de rapportage is gemaakt (in ieder geval in het begin) anders was dan het doel van Woonstad.
2.4.6.
Vast staat dat [naam 1] meerdere keren per dag medicatie nodig heeft, die in de koelkast moet worden bewaard. In de rapportage staat dat tijdens een van de huisbezoeken die medicatie ook is aangetroffen in de koelkast van de woning. Dat op het etiket zijn oude adres staat, is niet doorslaggevend. [naam 1] heeft immers toegelicht dat hij altijd dezelfde apotheek heeft aangehouden en nooit zijn adres heeft veranderd.
2.4.7.
Woonstad wijst erop dat in de rapportage staat dat de gemeente in de periode maart 2023 tot en met september 2025 in totaal zeven keer is langs geweest en dat [naam 1] slechts een keer is aangetroffen en een keer aanwezig was nadat zijn dochter hem had gebeld, terwijl zijn dochter drie keer aanwezig was en een keer ook de ex-partner van zijn dochter. Woonstad heeft erop gewezen dat in de rapportage staat dat een omwonende in mei 2024 heeft verklaard dat een gezin bestaande uit een Turkse vrouw, twee kinderen en een Surinaamse of Antilliaanse man in de woning woont en dat die omwonende de oudere man die er vroeger woonde (daarmee doelend op [naam 1]) zelden of nooit zag. Daartegenover wijst [naam 1] op twee voorgedrukte verklaringen van januari 2025 die volgens hem zijn ondertekend door twee van zijn buren. Daarin staat dat zij [naam 1] vaker zien op zijn woonadres. Woonstad betwist dat niet, maar reageert dat het niet gek is als [naam 1] wel wordt gezien omdat hij dan bij zijn dochter en kleinkinderen op bezoek gaat. Naar oordeel van de kantonrechter zegt de aan- of afwezigheid van [naam 1] bij de huisbezoeken over een periode van anderhalf jaar gelet op het voorgaande niet zo veel.
2.5.
Alles overziend oordeelt de kantonrechter dat Woonstad (het vermoeden van) niet hebben van hoofdverblijf door [naam 1] met te weinig concrete en objectieve aanwijzingen heeft onderbouwd. Daarom wordt ook niet aan bewijslevering toegekomen.
2.6.
[naam 1] heeft zijn dochter en kleinkinderen in de woning laten wonen, terwijl hij zelf zijn hoofdverblijf in de woning heeft (althans Woonstad heeft onvoldoende onderbouwd dat hij zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft). Dat is niet in strijd met de wet (artikel 7:244 BW Pro). Woonstad wijst echter op artikel 6.5 van de algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat de huurder toestemming moet hebben voor het geheel of gedeeltelijk in gebruik geven van de woning aan anderen. Vast staat dat [naam 1] geen toestemming heeft gekregen van Woonstad. In discussie is echter of Woonstad een beroep kan doen op artikel 6.5 en dus of sprake is van een tekortkoming. [naam 1] voert aan dat de overgelegde algemene voorwaarden niet de (versie van de) voorwaarden zijn waarvan hij voor de ontvangst hij heeft getekend in de huurovereenkomst destijds in 2015. Volgens Woonstad zijn het wel die (versie van de) voorwaarden en is dat eenvoudig na te gaan op haar website. Wat daar verder ook van zij, ook als Woonstad een beroep kan doen op de algemene voorwaarden en [naam 1] is tekortgeschoten in het nakomen daarvan door zonder toestemming zijn dochter en kleinkinderen bij hem te laten wonen, dan leidt dat niet tot ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter vindt die tekortkoming in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht om ontbinding van de huurovereenkomst met alle verstrekkende gevolgen te rechtvaardigen. Daarbij is meegewogen dat de woning niet is onttrokken aan de woningvoorraad of wordt bewoond door iemand die daar geen recht op heeft, omdat [naam 1] er ook woont. Ook is niets gesteld over overlast door de inwoning. Ook is meegewogen dat vast staat de dochter inmiddels een eigen huurwoning heeft kunnen krijgen via de gebruikelijke wegen, die overigens ook wordt verhuurd door Woonstad. Tijdens de zitting is van de kant van [naam 1] gesteld dat zijn dochter bezig is met de verhuizing. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat de inwoning inmiddels is of op korte termijn zal worden gestaakt.
2.7.
Van onderverhuur is geen sprake. Woonstad heeft haar stelling dat sprake is van onderverhuur op geen enkele manier onderbouwd.
2.8.
De eis tot ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van de woning wordt afgewezen. Ook de nevengevorderde veroordeling van [naam 1] om aan Woonstad € 462,50 aan buitengerechtelijke kosten met rente te betalen wordt afgewezen.
Woonstad moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van Woonstad, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die Woonstad aan [naam 1] moet betalen op € 576,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 720,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de manier zoals onder de beslissing vermeld.
De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [naam 1] dat eist en Woonstad daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt Woonstad in de proceskosten, die aan de kant van [naam 1] worden begroot op € 720,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
34286

Voetnoten

1.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.