Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6641

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/10/619743 / FA RK 21-4312
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag en omgang wegens weerstand minderjarige

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de man tot het vaststellen van gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige kind. De procedure kende een langdurig en roerig verleden, waarbij het contact tussen de man en de minderjarige via het Rotterdams Omgangshuis tot stand kwam, maar na vijf bezoeken werd stopgezet vanwege de emotionele spanning bij het kind.

Tijdens de mondelinge behandeling op 15 mei 2026 troffen partijen overeenstemming dat het in het belang van de minderjarige is om het contact niet te forceren. De man trok zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in en beide ouders spraken af elkaar twee keer per jaar via e-mail te informeren over de ontwikkelingen van de minderjarige en eventuele contactgegevens.

De kinderrechter stuurde een brief aan de minderjarige waarin werd uitgelegd dat er voorlopig geen omgangsregeling komt, maar dat de deur voor toekomstig contact open blijft. De rechtbank wees de verzoeken van de man af en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoeken tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling worden afgewezen vanwege emotionele weerstand van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/619743 / FA RK 21-4312
Beschikking van 12 juni 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats]
advocaat mr. R.G. Jagesar te Den Haag.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de (tussen)beschikking van 9 september 2024;
  • het eindverslag van het Rotterdams Omgangshuis van 30 juli 2025;
  • het bericht van de raad van 4 augustus 2025;
  • het bericht van de vrouw van 1 september 2025;
  • het bericht van de man van 10 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
[voornaam minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft op 11 mei 2026 een gesprek met de kinderrechter gehad.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Beschikking 9 september 2024
2.2.
Bij beschikking van 9 september 2024 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak, in afwachting van het traject bij het Rotterdams Omgangshuis (hierna: RO), aangehouden ten aanzien van het ouderlijk gezag en de zorg-/omgangsregeling. De rechtbank verwijst naar wat over die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
2.3.
Gezag en zorg-/omgangsregeling
2.3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over de voorliggende verzoeken van de man tot het vaststellen van gezamenlijk gezag en een zorg-/omgangsregeling. Tussen partijen is sprake van een roerig verleden. Ook deze procedure is al lang aanhangig. Uiteindelijk zijn partijen bij beschikking van 9 september 2024 voor de tweede keer verwezen naar het RO. Uit het eindverslag van het RO van 30 juli 2025 blijkt dat het contact tussen de man en de minderjarige tot stand is gekomen. De minderjarige vond dit erg spannend en naarmate de bezoeken vorderden, werden de emoties van de minderjarige heftiger. Bij het vijfde bezoek, toen de minderjarige overstuur bij het RO binnenkwam, is besloten om het traject stop te zetten. Dit is ook met de ouders besproken. Sindsdien heeft er geen contact meer plaatsgevonden tussen de man en de minderjarige.
2.3.2.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling nadrukkelijk naar voren gebracht dat hij in het belang van de minderjarige wil handelen. Hij wil wat het beste is voor de minderjarige en als dat op dit moment is dat er geen contact is, legt de man zich daarbij neer. De man is er niet op uit om de minderjarige te dwingen tot contact, al hoopt hij dat de minderjarige op een later moment nieuwsgierig wordt naar zijn biologische vader. De man geeft aan dat zijn deur altijd open zal staan. In het verlengde hiervan heeft de man zijn verzoek tot het vaststellen van gezamenlijk gezag ingetrokken.
2.3.3.
Ook de vrouw hoopt dat de minderjarige in de toekomst wel ruimte en draagvlak heeft om contact te hebben met zijn biologische vader. Zij stelt dat zij dit nooit in de weg zal staan en dat de minderjarige weet dat hij altijd bij haar terecht kan met vragen over zijn biologische vader. De vrouw is er geenszins op uit om het contact te blokkeren.
2.3.4.
De raad sluit zich bij partijen aan en adviseert ook om het contact tussen de man en de minderjarige op dit moment niet te forceren. De situatie is te ingewikkeld voor de minderjarige en door contact te forceren zal er alleen maar meer weerstand ontstaan. De raad verwacht dat de minderjarige op enig moment van nature interesse zal krijgen in zijn biologische vader en spreekt de hoop uit dat hij dan via zijn moeder in contact kan komen met zijn vader.
2.3.5.
Omdat partijen het erover eens zijn dat er op dit moment geen omgangsregeling kan worden vastgesteld, hebben zij tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat zij elkaar twee keer per jaar op de hoogte houden van de ontwikkelingen van de minderjarige en de ontwikkelingen van de man. De vrouw zal de man daartoe een e-mail sturen en de man zal daarop reageren. Partijen zullen elkaar in deze e-mails ook op de hoogte houden van eventuele adreswijzigingen of het veranderen van telefoonnummer/e-mailadres. Zo wordt het, als de minderjarige wel de behoefte krijgt om contact te hebben met zijn biologische vader, geen zoekplaatje.
2.3.6.
Omdat de man zijn verzoek tot het vaststellen van gezamenlijk gezag heeft ingetrokken, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen. Ook het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling zal worden afgewezen, nu beide partijen zich erbij hebben neergelegd dat er op dit moment geen ruimte is bij de minderjarige en zij afspraken gemaakt om elkaar op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de minderjarige en de man.
2.4.
Brief minderjarige
2.4.1.
De kinderrechter zal de minderjarige een brief sturen, waarin een en ander als volgt aan hem wordt uitgelegd:
Beste [voornaam minderjarige] ,
Op 11 mei hebben wij elkaar gesproken op de rechtbank. Je vertelde mij toen dat je heel erg was geschrokken toen je hoorde dat niet [naam 1] , maar [naam 2] jouw biologische vader is. Ook vertelde je dat je het moeilijk vindt om over [naam 2] te praten.
Een paar dagen daarna heb ik ook je ouders gesproken. [naam 2] heeft heel duidelijk gemaakt dat hij jou niet wil dwingen tot contact. Daarom zal er nu geen omgangsregeling komen. Maar: hij wil ook dat je weet dat zijn deur altijd open zal staan voor jou. Als je ooit in de toekomst wel contact met [naam 2] wil, dan kan dat.
Jouw moeder en [naam 2] hebben afgesproken dat ze twee keer per jaar contact met elkaar zullen hebben via de e-mail. Als je in de toekomst dan wel contact met je biologische vader zou willen, hoef je niet meer uitgebreid naar hem op zoek. Je kunt dan aan je moeder vragen of zij dat voor jou wil regelen.
Ik hoop dat het je rust geeft dat er voorlopig geen omgang zal zijn en ik wens je het allerbeste voor de toekomst!
2.5.
Proceskosten
2.5.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst de verzoeken van de man af;
3.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Dijk, griffier, op 12 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.