De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de man tot het vaststellen van gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige kind. De procedure kende een langdurig en roerig verleden, waarbij het contact tussen de man en de minderjarige via het Rotterdams Omgangshuis tot stand kwam, maar na vijf bezoeken werd stopgezet vanwege de emotionele spanning bij het kind.
Tijdens de mondelinge behandeling op 15 mei 2026 troffen partijen overeenstemming dat het in het belang van de minderjarige is om het contact niet te forceren. De man trok zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in en beide ouders spraken af elkaar twee keer per jaar via e-mail te informeren over de ontwikkelingen van de minderjarige en eventuele contactgegevens.
De kinderrechter stuurde een brief aan de minderjarige waarin werd uitgelegd dat er voorlopig geen omgangsregeling komt, maar dat de deur voor toekomstig contact open blijft. De rechtbank wees de verzoeken van de man af en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.