Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaken tussen
[eiser 1] , uit [locatie] , de Vereniging,
[eiser 2] , uit [locatie] , de Stichting,
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college,
Procesverloop
Overwegingen
13.4. De rechtbank volgt het college niet en is van oordeel dat uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende welstandsadviezen onvoldoende duidelijk wordt waarom het bouwplan binnen het Rijksbeschermd stadsgezicht past en dat daarmee de oorspronkelijke waardevolle karakteristiek van het pand of ensemble niet wordt aangetast, zoals artikel 25.3 van het bestemmingsplan voorschrijft. Uit de welstandsadviezen blijkt dat de welstandcommissie het bouwplan zou hebben beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie, maar uit de adviezen blijkt dat vooral naar de detaillering van het bouwplan is gekeken en de wijze waarop die aansluit op het betrokken pand en de direct naastgelegen panden. Niet blijkt dat de welstandscommissie heeft gekeken naar de vraag of het bouwplan in de bredere omgeving past die behoort tot het beschermd stadsgezicht, waartoe in ieder geval ook delen van de wijk behoren van waaruit de dakopbouw zichtbaar zal zijn. De rechtbank is met eisers van oordeel dat uit de welstandsadviezen evenmin blijkt dat de welstandscommissie heeft gekeken naar het karakteristieke ensemble. Verder volgt uit de welstandsadviezen dat de welstandscommissie in haar stukken meerdere termen gebruikt, zoals kapverdieping, dakkapellen, dakopbouw en extra bouwlaag. Door het gebruik van deze verschillende termen, die een andere betekenis hebben met een eigen beoordelingskader, is het de rechtbank niet duidelijk waar precies aan is getoetst. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de welstandscommissie voldoende is ingegaan op het advies van Nusselder. De welstandscommissie verwijst in haar advies van 22 oktober 2020 ten aanzien van de onderdelen A en B van de algemene criteria uit de Welstandsnota naar ‘haar reactie op het bezwaarschrift van de Stichting’. Deze reactie is echter niet ingebracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt, wat leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek, en dat het niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering zodat er ook sprake is van een motiveringsgebrek.(…)”
15. Om de gebreken te herstellen, moet het college nader onderzoek doen naar de vraag of, en zo ja, hoe het bouwplan zich verhoudt tot de specifieke cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht. Daarbij dient breder te worden gekeken dan alleen naar het betrokken pand en de direct naastgelegen bebouwing. Hierin dient ook beoordeeld te worden of het bouwplan in de bredere omgeving past die behoort tot het beschermd stadsgezicht, waartoe in ieder geval ook delen van de wijk behoren van waaruit de dakopbouw zichtbaar zal zijn De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.(…)”
De cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht ‘Statenkwartier’ zijn beschreven in het aanwijzingsbesluit en de toelichting. De daarin beschreven waarden van “de bredere omgeving” van het bouwplan zijn:
- Het karakter van het Statenkwartier ligt in zijn algemeenheid niet in het individuele object, maar veeleer in de stedenbouwkundige opzet en gaaf bewaard gebleven ensembles;
- Het homogene beeld;
- De levendige en rijk gedetailleerd homogene architectuur;
- De ruimtelijke kwaliteit van het Frederik Hendrikplein.
Indien er sprake is van een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht, leidt het bouwwerk tot behoud of versterking van de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden daarvan.(…)”
Een gebied kan vanwege zijn stedenbouwkundige opzet of bijzondere structuur door de gemeente of het rijk worden aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Het doel van de toekenning van deze kwalificatie of status is de bescherming van waardevolle architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische karakteristieken. Voor een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht, ongeacht of dit rijks- of gemeentelijk beschermd is, geldt dat meer specifiek rekening moet worden gehouden met die kenmerken van de omgeving, die hebben geleid tot de aanwijzing. Deze dienen op zijn minst gerespecteerd te worden en waar mogelijk versterkt. De architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van een beschermd stadsgezicht zijn beschreven in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. In de webapplicatie zijn de aanwijzingen als feitelijke informatie beschikbaar.(…)”
- het hoogwaardige stadsbeeld met zijn bijzondere panden in vroeg 20ste-eeuwse overgangsarchitectuur die een vrijwel gaaf ensemble vormen;
- de oorspronkelijke planmatige aanleg van de woonwijk die op een hoog peil is gebleven ondanks de wijzigingen aan de rand van de wijk;
- het stratenpatroon met de lange zichtassen en de pleinvormige kruisingen, gecombineerd met de levendige en rijk gedetailleerde homogene architectuur geven deze wijk een buitengewone identiteit;
- de ruimtelijke kwaliteit van [locatie 2] , [locatie 3] en [locatie 4] ;
Uit de aanvullende motivering van het college blijkt niet hoe het bouwplan zich verhoudt tot de specifieke cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht. Daarnaast is het bouwplan niet dan wel onvoldoende afgezet tegen de typeringen uit de toelichting bij het aanwijzingsbesluit. De door de AOC gegeven motivering betreft naar het oordeel van de rechtbank slechts een samenvatting van de reactie van de welstandscommissie op de negatieve welstandsadviezen en de oplossingen van de welstandscommissie om alsnog tot een positief welstandsadvies te kunnen komen. De oplossingen van de welstandscommissie zijn afgezet tegen de directe omgeving en daaruit blijkt niet dat het door de welstandscommissie geaccordeerde bouwplan ook is afgezet tegen de in de toelichting bij het aanwijzingsbesluit genoemde typeringen terwijl dit op grond van criteria B van de Welstandsnota en artikel 25.1 van de planregels (dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie”) wel is vereist. Er moet immers rekening worden gehouden met die kenmerken van de omgeving, die hebben geleid tot de aanwijzing. Deze dienen op zijn minst gerespecteerd te worden en waar mogelijk versterkt, zoals in de toelichting bij Criterium B staat.
In het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat onderdeel is van het bestreden besluit, is naast artikel 25.2, onder e, van de planregels ook artikel 25.3 van de planregels opgenomen. Daar is ook naar verwezen in het verweerschrift in beroep. Het college is in haar brief bij de aanvullende motivering van 19 december 2025 niet ingegaan op deze mededeling van het AOC. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid tussen het bestreden besluit en de aanvullende motivering van 19 december 2025 gelet op het advies van de AOC dat daarvan onderdeel uitmaakt.
artikel 7:12 van Pro de Awb (motiveringsbeginsel). De rechtbank draagt het college op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers, met inachtneming van wat in deze uitspraak is beslist.