ECLI:NL:RBROT:2026:676

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
ROT -25_3264
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WjsgArt. 35 WjsgArt. 36 WjsgArt. 246 Sr oud
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verklaring omtrent gedrag voor praktijkondersteuner na seksueel misdrijf

Eiser, geboren in 1976, vroeg op 27 juni 2024 een verklaring omtrent gedrag (VOG) aan voor de functie van praktijkondersteuner huisarts. Verweerder weigerde de VOG op grond van een veroordeling uit 2009 voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, een seksueel misdrijf dat volgens het verscherpt toetsingskader binnen 20 jaar na de veroordeling een belemmering vormt voor de functie.

Eiser voerde aan dat de afwijzing disproportioneel was, onder meer omdat hij sinds 2019 naar tevredenheid werkte, de klacht uit 2020 vals was en hij een gering recidiverisico had volgens zijn psychiater en reclassering. Verweerder stelde dat het risico op herhaling niet verwaarloosbaar was, mede door eerdere veroordelingen en recente meldingen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het verscherpt toetsingskader hanteerde vanwege de afhankelijkheidsrelatie in de functie en dat het recidiverisico niet verwaarloosbaar was. De rechtbank vond de afwijzing niet evident disproportioneel en verwierp het beroep. Eiser krijgt geen VOG, geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van de VOG vanwege het recidiverisico en het verscherpt toetsingskader.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2364

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.D.W. Herrings),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. van der Woude).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor eiser op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
De rechtbank komt in de uitspraak tot het oordeel dat verweerder de VOG op goede gronden heeft afgewezen.

Procesverloop

2. Verweerder heeft de door eiser gevraagde VOG met zijn besluit van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het besluit op het bezwaar van eiser van 31 januari 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daarna de gronden van zijn beroep aangevuld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Namens verweerder is de gemachtigde verschenen.

Het geschil

3. Eiser (geboren in 1976) heeft op 27 juni 2024 een VOG aangevraagd voor het uitoefenen van de functie van praktijkverpleegkundige, waarbij hij zelfstandig mensen monitort en begeleidt met hart- en vaatziekten, diabetes, COPD en astma. Verweerder heeft de VOG geweigerd.
4. Artikel 28 van Pro de Wjsg definieert een VOG als een verklaring van verweerder dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken persoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon.
Uit artikel 35 van Pro de Wjsg volgt dat verweerder de afgifte van de VOG weigert, indien in het Judicieel Documentatie Systeem (JDS) met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
5. Verweerder heeft eisers VOG-aanvraag beoordeeld aan de hand van zijn Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (de Beleidsregels). Hieruit volgt kort gezegd:
- als iemand niet voorkomt in het JDS, dan wordt een VOG afgegeven;
- als iemand wel voorkomt in het JDS, dan wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het objectieve en het subjectieve criterium.
6. In het JDS staat dat eiser door de politierechter van de rechtbank Rotterdam op 18 maart 2009 is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid als bedoeld in artikel 246 van Pro het Wetboek van Strafrecht oud op 5 april 2008. Voor dat misdrijf, in samenhang met schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plek waarbij een ander zijns/haars ondanks aanwezig is, heeft deze politierechter een taakstraf opgelegd van 60 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar.
7. Op basis van het door de werkgever opgegeven screeningsprofiel “Gezondheidszorg en welzijn voor mens en dier” is aanranding een seksueel misdrijf dat, indien herhaald, een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de functie van praktijkondersteuner en daarmee een risico voor de samenleving. Met een veroordeling voor dit misdrijf houdt verweerder bij de beoordeling van de VOG rekening gedurende 20 jaar na de datum van de uitspraak (paragraaf 3.1.1 en 3.1.2 van de Beleidsregels). Nu het tijdsverloop tussen de uitspraak van de politierechter (18 maart 2009) en het moment van de VOG-aanvraag (27 juni 2024) nog geen 20 jaar was, werd voldaan aan het objectieve criterium om de VOG te weigeren (paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels).
8. Op grond van het subjectieve criterium kan verweerder oordelen dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. In het geval van een seksueel misdrijf waarvoor een al niet voorwaardelijke straf is opgelegd en de VOG is gevraagd voor een functie waarbij sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, acht verweerder echter slechts zeer beperkt ruimte aanwezig om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot afgifte van een VOG. Dit wordt alleen gedaan als de weigering evident disproportioneel is (paragraaf 3.1.4.2).
9. Partijen verschillen van opvatting over de vraag of in dit geval de weigering van de VOG op basis van het subjectieve criterium evident disproportioneel is als bedoeld in paragraaf 3.1.4.2 van de Beleidsregels.
9.1.
Verweerder meent dat dat niet het geval is. Volgens verweerder is de kans op herhaling niet uitgesloten, is de hoogte van de straf niet gering en is relevant dat de politie in 2020 opnieuw een klacht over aanranding heeft ontvangen, terwijl eiser in de periode 2001-2018 veelvuldig voor schennis van de eerbaarheid is veroordeeld. Verweerder vindt de situaties in de door eiser aangehaalde uitspraken van de rechtbank Amsterdam niet vergelijkbaar en meent dat het algemeen belang om kwetsbare patiënten te behoeden voor strafbare feiten, zwaarder weegt dan het belang van eiser om de functie van praktijkondersteuner te kunnen uitoefenen.
9.2.
Eiser ziet bevestiging voor zijn standpunt dat de afwijzing disproportioneel is, in uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:435, en 17 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4322. Eiser wijst erop dat hij al sinds 2019 als praktijkondersteuner naar volle tevredenheid voor zijn huidige werkgever werkt. Pas recentelijk is voor dit werk een VOG van toepassing geworden. Eiser wijst erop dat hij zonder VOG zal worden ontslagen. Gelet op zijn ervaring, leeftijd en gezondheidsklachten (hij heeft een hartaanval gehad in 2019), heeft hij geen zicht op ander werk op HBO-niveau, terwijl zijn vaste lasten juist zijn toegenomen. De veroordeling uit 2009 betrof een incident in een door eiser afgesloten periode in het verleden en vond niet plaats tijdens zijn werk. Eiser wijst op verklaringen van zijn toenmalige psychiater uit 2017 en van de reclasseringsmedewerker van Antes uit 2021, waaruit volgt dat de kans op recidive gering is. De klacht uit 2020 die in de beoordeling van verweerder is betrokken is gebaseerd op een valse melding.

Beoordeling door de rechtbank

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval op goede gronden afwijzing van de VOG niet evident disproportioneel geacht.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een door de werkgever voorgeschreven VOG voor een functie waarin eiser zelfstandig en buiten aanwezigheid van derden contact heeft met een patiënt en die patiënt tot eiser in een afhankelijkheidsrelatie verkeert. Verweerder heeft bovendien relevant geacht dat de functie ook bij de patiënt thuis kan worden uitgeoefend. Algemeen erkend is dat verweerder voor een dergelijke functie in dergelijke omstandigheden een verscherpt beoordelingskader mag hanteren bij een objectief beletsel in de vorm van een seksueel misdrijf als aanranding, omdat de maatschappij patiënten bij uitstek tegen dit soort seksuele misdrijven wil beschermen. Verweerder verstrekt daarom in beginsel geen VOG voor een functie met een dergelijke afhankelijkheidsrelatie als deze wordt gevraagd binnen 20 jaar na de datum van de strafrechtelijke veroordeling voor zo’n seksueel misdrijf en eist dat het recidiverisico verwaarloosbaar is, wil op subjectieve criteria een afwijzing als disproportioneel kunnen worden aangemerkt. Het vergelijk door eiser met de gevallen waarover de rechtbank Amsterdam in de door hem aangehaalde uitspraken oordeelde, gaat daarom niet op. In de eerste uitspraak was het objectief beletsel niet een seksueel misdrijf zodat geen verscherpt beoordelingskader gold, de tweede uitspraak betrof een functie in de gezondheidszorg zonder patiëntencontact.
10.2.
Verweerder heeft terecht het recidiverisico in de beoogde functie in dit geval niet verwaarloosbaar geacht. Eisers veroordeling voor een seksueel misdrijf dateert van 18 maart 2009. Ten tijde van het bestreden besluit van 31 januari 2025 liep de periode waarin geen VOG wordt verstrekt, dus nog ruim vier jaar lang door. De aanranding waarvoor eiser werd veroordeeld, lag in het verlengde van schennis van de eerbaarheid, voor welk misdrijf eiser in 2001, 2004, in 2005 (tot driemaal toe), in 2009, in 2010, in 2014, in 2017 en 2018 strafrechtelijk is veroordeeld. Uit de brieven van de behandeld psychiater uit februari en oktober 2017 volgt dat eiser bij alcoholgebruik seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoont. De psychiater bericht in 2017 dat hij recidive gering acht maar niet uitsluit, waarna eiser in 2018 opnieuw voor schennis van de eerbaarheid is veroordeeld. Antes/de reclassering bericht in augustus 2021, na behandeling in het kader van deze veroordeling dat, gelet op de langdurige voorgeschiedenis rondom deze problematiek en de onrijpe persoonlijkheidsstructuur, er nog onvoldoende sprake is van een duurzame gedragsverandering bij eiser. Weliswaar wordt ook bericht dat op korte termijn een laag risico op recidive bestaat en dat dat op de langere termijn laag tot gemiddeld is, maar op basis van het instrument OXREC wordt de recidivekans toch als hoog ingeschat. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog ter zitting dat verweerder voor zijn afweging van subjectieve criteria in dit geval op grond van artikel 36, derde lid, van de Wsjg nog verdere informatie had behoren in te winnen bij de reclassering of het OM.
10.3.
Verweerder heeft daarnaast een aanwijzing voor een reële kans op recidive op aanranding kunnen vinden in de politieregistratie uit januari 2020 over een melding van eisers huurster. Met verweerder ziet de rechtbank in de mailberichten die deze huurster aan de advocaat van eiser stuurde naar aanleiding van een door die advocaat aan haar gestuurde opzegging van de huur van een kamer in eisers woning, geen aanknopingspunten voor eisers standpunt dat de huurster een valse melding over aanranding door eiser heeft gedaan. Ook de andere politieregistratie uit februari 2020 dat eiser zich gedurende drie jaar niet in het weekend in een trein mag ophouden, is niet kennelijk onjuist: dat verbod werd immers bij de strafrechtelijke veroordeling van 26 mei 2018 door de politierechter van de rechtbank Den Haag aan eiser in het kader van diens schennis van de eerbaarheid opgelegd en was blijkens de bij het bezwaar gevoegde e-mail van Antes van 6 augustus 2018 bij de reclassering bekend. Dat Antes/de reclassering het niet nodig heeft gevonden deze politieregistraties in de rapportage van augustus 2021 te noemen en dat eiser de melding van de huurster recentelijk bij de politie als onjuist heeft betwist, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder de melding als ongeloofwaardig buiten beschouwing had moeten laten en de registraties niet had mogen betrekken bij de beoordeling. Anders dan eiser meent, mag verweerder op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wsjg ook buiten de in artikel 35a van de Wsjg bedoelde gevallen in zijn afweging van subjectieve criteria politieregistraties betrekken. Ten tijde van de rapportage door de politie in december 2024 was deze registratie nog geen vijf jaar oud.
10.4.
Dat de misdrijven niet zouden zijn begaan tijdens werktijd, hoefde verweerder in zijn afweging van het recidiverisico niet doorslaggevend te achten. Daarbij komt dat niet, zoals eiser stelt, is gebleken dat hij sinds het behalen van zijn diploma in 2018 als praktijkondersteuner die functie zonder enige problemen zelfstandig heeft uitgeoefend. In het getuigschrift van de werkgever uit augustus 2024 staat dat eiser twee jaar onder de hoede van de praktijkmanager bij [naam huisartsenpraktijk] in Den Haag [locatie] als praktijkondersteuner heeft gewerkt. Blijkens de rapportage uit augustus 2021 van Antes/de reclassering werkte eiser toen gedurende langere tijd fulltime in een andere branche.
10.5.
De omstandigheden die eiser heeft benoemd als hij de VOG niet krijgt, zijn niet zodanig dat afwijzing van de VOG in dit geval als onevenredig nadelig kwalificeert in relatie tot het te beschermen patiëntbelang in de uitoefening van de functie van praktijkondersteuner.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de gevraagde VOG niet krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding voor zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Lammerse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.