ECLI:NL:RBROT:2026:6799

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/10/715934 HA RK 26-189
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 2 Algemeen Reglement CKIArt. 18 Wetboek van KoophandelArt. 35 leden 1 en 4 UAVGArt. 15 tot en met 22 AVGArt. 17 lid 1 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijdering BKR-registratie wegens openstaande schuld

De verzoeker, vennoot van een vennootschap onder firma, had een leaseovereenkomst met BMW Financial Services Nederland B.V. (BMW) waarbij betalingsachterstanden ontstonden. BMW ontbond de overeenkomst en registreerde de verzoeker negatief bij het Bureau Krediet Registratie (BKR). De verzoeker verzocht de rechtbank om verwijdering van deze BKR-registraties en een schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de leaseovereenkomst kwalificeert als een zakelijke kredietovereenkomst, waardoor BMW gerechtigd was de betalingsachterstanden te melden bij het BKR. De verzoeker had eerder geen bezwaar gemaakt bij BMW, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard in een eerder verzoek. Na bezwaar bij BMW werd de ingangsdatum van de registratie aangepast naar de datum waarop de verzoeker in verzuim was gesteld door de kantonrechter.

De rechtbank wees het verzoek tot verwijdering af omdat de verzoeker nog steeds niet had betaald en daarmee een kredietrisico vormde. Ook was de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding omdat hij geen advocaat inschakelde. De proceskosten werden aan de verzoeker opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijdering van de BKR-registraties wordt afgewezen omdat de verzoeker zijn schuld niet heeft voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/715934 / HA RK 26-189
Beschikking van 12 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker 2],
verschenen in persoon,
tegen
BMW FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Breda,
verwerende partij,
hierna te noemen: BMW,
advocaat: mr. H.J.M. Hofman.

1.De zaak in het kort

BMW heeft [verzoeker 2] negatief geregistreerd in het BKR-register. [verzoeker 2] wil dat die registraties worden verwijderd door BMW. BMW verzet zich daartegen. BMW krijgt gelijk. De BKR-registratie zijn namelijk terecht. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 3 maart 2026, met bijlagen;
- het verweerschrift van 23 april 2026, met bijlagen;
- de brief van 30 april 2026 van [verzoeker 2], met bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 15 mei 2026.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[verzoeker 2] is vennoot van de vennootschap onder firma ‘[de vof]’
(hierna: de vof). In december 2023 zijn de vof en BMW een
Operational Lease Agreementovereengekomen.
3.2.
Er zijn betalingsachterstanden op het leasecontract ontstaan. BMW heeft de leaseovereenkomst daarom ontbonden. De eindfactuur die BMW vervolgens heeft gestuurd is niet betaald.
3.3.
BMW heeft ten aanzien van de twee vennoten van de vof, waaronder [verzoeker 2], twee codes verwerkt bij het Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR). De A-code met 8 december 2024 als ingangsdatum en de 2-code met 6 januari 2025 als ingangsdatum.
3.4.
In 2025 heeft [verzoeker 2] de rechtbank [woonplaats] eerder verzocht BMW te veroordelen de BKR-registratie te verwijderen. Bij beschikking van 19 september 2025 [1] heeft de rechtbank [verzoeker 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek omdat hij niet eerst bezwaar heeft gemaakt bij BMW tegen de BKR-registratie.
3.5.
In 2025 heeft BMW een procedure gevoerd bij de kantonrechter van de rechtbank [woonplaats] tegen de vof en haar vennoten, waaronder [verzoeker 2], over de betaling van de eindfactuur. Bij vonnis van 31 oktober 2025 [2] veroordeelt de kantonrechter de vof en haar vennoten hoofdelijk, onder meer, tot betaling van “
de huur van de auto en de verkeersboete”. De kantonrechter oordeelt verder dat de vof en haar vennoten – anders dan BMW stelde – pas vanaf 23 december 2024 in verzuim zijn.
3.6.
Per brief van 18 december 2025 heeft [verzoeker 2] bij BMW bezwaar gemaakt tegen de BKR-registratie.
3.7.
Op 4 februari 2026 heeft BMW het bezwaar van [verzoeker 2] van de hand gewezen, met bericht dat “
zij gezien het tegen u gewezen vonnis geen aanleiding ziet om de BKR-registratie te wissen”.
3.8.
BMW heeft de ingangsdatum van de A-code gewijzigd naar 23 december 2024.
3.9.
[verzoeker 2] heeft nog steeds niet(s) aan BMW betaald.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoeker 2] verzoekt de rechtbank – zo begrijpt de rechtbank – om:
I. BMW te veroordelen twee BKR-registraties die door BMW op zijn naam zijn geplaatst te verwijderen; en
II. BMW te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 95.850,-.
4.2.
Aan het verzoek legt [verzoeker 2] – zo begrijpt de rechtbank – het volgende ten grondslag.
Uit het vonnis van de kantonrechter blijkt dat de leaseovereenkomst gaat over huur. Daarom moet deze niet worden aangemerkt als een kredietovereenkomst. Zodoende gaat het hier ook niet om krediet en is het onterecht dat BMW [verzoeker 2] heeft geregistreerd in het BKR-register. Daarnaast is het BMW die niet van de privérekening van [verzoeker 2] wilde incasseren in plaats van de zakelijke rekening. Het is daarom aan BMW en niet aan [verzoeker 2] toe te rekenen dat er een betalingsachterstand is ontstaan. Dat BMW [verzoeker 2] desondanks als wanbetaler aanmerkt, is valsheid in geschrifte. De BKR-registratie is ook daarom onterecht, aldus [verzoeker 2] zoals de rechtbank hem begrijpt.
De schadevergoeding, bestaande uit materiële en immateriële schade van € 150,- per dag voor de periode van december 2024 tot en met augustus 2026, verzoekt [verzoeker 2] omdat hij door BMW genoodzaakt is zijn naam te zuiveren, aldus nog steeds [verzoeker 2] zoals de rechtbank hem begrijpt.
4.3.
BMW verzet zich tegen toewijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker 2] in de proceskosten, en voert daartoe – samengevat – het volgende aan.
De BKR-registratie is terecht. De leaseovereenkomst betreft een zakelijke kredietovereenkomst. Op grond van artikel 15 lid 2 van Pro het Algemeen Reglement CKI [3] (in het verweerschrift is per abuis artikel 2 genoemd Pro) moet BMW alle zakelijke kredietovereenkomsten met een consument melden, ook als de consument beroeps- of bedrijfsmatig handelt. [verzoeker 2] is één van de vennoten van de vof en in die hoedanigheid hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel. De kantonrechter heeft [verzoeker 2] veroordeeld aan BMW te betalen vanwege het niet nakomen van de verplichtingen uit de leaseovereenkomst. [verzoeker 2] heeft nog steeds niet betaald. De ingangsdatum van de A-code is aangepast naar 23 december 2024, de datum vanaf wanneer [verzoeker 2] in verzuim is gelet op het vonnis van de kantonrechter. Registratie bij het BKR en handhaving daarvan zijn daarom gerechtvaardigd. Daarbij, in de kern is het BKR er voor het inschatten van kredietrisico’s. Inmiddels is het een uitgemaakte zaak dat [verzoeker 2] niet betaalt en dat hij dus een kredietrisico vormt. Omdat [verzoeker 2] niet betaalt, wordt volgens BMW ook niet toegekomen aan een belangenafweging of de BKR-registratie moet worden gehandhaafd of niet, nog afgezien van het feit dat [verzoeker 2] niets heeft gesteld over zijn belangen bij verwijdering van de BKR-registratie.
De verzochte schadevergoeding mist elke grondslag, is niet onderbouwd en hoort niet thuis in deze verzoekschriftprocedure, aldus nog steeds BMW.

5.De beoordeling

[verzoeker 2] is niet-ontvankelijk in zijn verzoek BMW te veroordelen schadevergoeding te betalen
5.1.
Op grond van artikel 35 leden Pro 1 en 4 UAVG [4] kan een belanghebbende zonder tussenkomst van een advocaat de rechtbank schriftelijk verzoeken een verwerkingsverantwoordelijke te bevelen een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 AVG [5] alsnog toe of af te wijzen, nadat die verwerkingsverantwoordelijke een direct verzoek van de belanghebbende daartoe niet heeft ingewilligd.
5.2.
In artikelen 15 tot en met 22 AVG zijn onder meer geregeld het recht op rectificatie, het recht op gegevenswissing, en het recht op bezwaar. Het recht op schadevergoeding is niet in die artikelen geregeld. Dat is namelijk geregeld in artikel 82 AVG Pro. Zodoende kan het verzoek BMW te veroordelen schadevergoeding te betalen alleen worden gedaan door advocaat die [verzoeker 2] vertegenwoordigt (artikel 278 lid 3 Rv Pro).
5.3.
Nadat [verzoeker 2] daarop is gewezen tijdens de mondelinge behandeling heeft hij kenbaar gemaakt dat hij geen advocaat gaat inschakelen voor het indienen van zijn verzoek om BMW te veroordelen schadevergoeding te betalen. [verzoeker 2] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard voor zover zijn verzoek erop is gericht BMW te veroordelen schadevergoeding te betalen (artikel 281 Rv Pro).
Sprake van een kredietovereenkomst; BMW heeft deze terecht gemeld bij het BKR
5.4.
Dat de kantonrechter in zijn vonnis de maandelijkse vergoeding die op grond van de leaseovereenkomst betaald moet worden “
huur” noemt, verandert niets aan het feit dat de leaseovereenkomst materieel en juridisch kwalificeert als een, zakelijke, kredietovereenkomst. [6] De rechtbank wijst er daarbij op dat de kantonrechter in zijn vonnis ook de woorden “
leaseovereenkomst”, “
leasetermijnen”, en “
Operational Lease Agreement” gebruikt. [7]
5.5.
Omdat de leaseovereenkomst dus een kredietovereenkomst betreft, moet BMW de leaseovereenkomst bij het BKR melden, evenals betalingsachterstanden en andere onregelmatigheden in de betalingen daarmee. [8]
Juridisch kader verwijderen BKR-registraties
5.6.
Een belanghebbende, in dit geval [verzoeker 2], kan op grond van artikel 21 lid 1 AVG Pro vanwege zijn specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van zijn betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder Pro e of f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke, in dit geval BMW, moet het bezwaar honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon. Als de betrokkene bezwaar heeft gemaakt tegen de verwerking en er zijn geen prevalerende dwingend gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, dan heeft hij op grond van artikel 17 lid 1 aanhef Pro en onder c AVG recht op gegevenswissing.
5.7.
Als de verwerkingsverantwoordelijke de verwijdering van persoonsgegevens weigert, kan de belanghebbende daartoe een verzoek indienen bij de rechtbank (artikel 79 AVG Pro en 35 lid 2 UAVG). De rechtbank toetst in het kader van dit verzoek of de verwerkingsverantwoordelijke – op wie de stelplicht en de bewijslast daarvan rust – aannemelijk heeft gemaakt dat haar belangen bij registratie in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG). Deze afweging maakt de rechtbank aan de hand van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich recent hebben voorgedaan worden betrokken.
Geen grond voor verwijderen van de BKR-registratie; afwijzing verzoek [verzoeker 2]
5.8.
De rechtbank overweegt het volgende. BMW heeft onweersproken gesteld dat [verzoeker 2] niet betaalt en dat nog steeds sprake is van een betalingsachterstand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker 2] niet geantwoord op de vraag van de rechtbank waarom hij BMW nog niets heeft betaald terwijl hij daartoe wel is veroordeeld door de kantonrechter. In het licht hiervan is het niet relevant of BMW destijds wel of niet wilde incasseren van de privérekening van [verzoeker 2]. Immers, in het heden is de betalingsachterstand er nog steeds en valt niet in te zien waarom dat aan BMW ligt. Het is [verzoeker 2] die niet betaalt. Daarmee is sprake van een situatie waarin [verzoeker 2] een kredietrisico vormt. Een BKR-registratie blijft daarbij normaalgesproken ook na voldoening van de schuld nog vijf jaar gehandhaafd.
5.9.
[verzoeker 2] heeft voorts geen belangen gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan verwijdering van de BKR-registraties gerechtvaardigd kan zijn. Voor zover [verzoeker 2] wel dusdanig heeft bedoeld met wat hij – slechts in beperkt mate – aanvoert over zijn medische toestand, is dat onvoldoende om op te wegen tegen het gegeven dat hij in gebreke blijft met zijn betalingsverplichtingen, mede gelet op het feit dat de kantonrechter hem heeft veroordeeld te betalen, en daarmee om het verwijderen van de BKR-registraties te rechtvaardigen.
5.10.
Gelet op voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van [verzoeker 2] om BMW te veroordelen de twee BKR-codes op zijn naam te verwijderen af.
[verzoeker 2] moet de proceskosten van BMW betalen
5.11.
De rechtbank ziet aanleiding [verzoeker 2] als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten (artikel 289 Rv Pro). De proceskosten van BMW worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 × tarief II € 653,00)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.230,00
5.12.
De rechtbank verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad (artikel 288 Rv Pro).

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart [verzoeker 2] niet-ontvankelijk in zijn verzoek BMW te veroordelen schadevergoeding te betalen;
6.2.
wijst het verzoek van [verzoeker 2] BMW te veroordelen de BKR-registraties te verwijderen af;
6.3.
veroordeelt [verzoeker 2] in de proceskosten van BMW tot op heden begroot op € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
3718/2009

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 19 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11248.
2.Kantonrechter rechtbank Rotterdam, 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14272.
3.Zie https;//www.bkr.nl/nl/algemeen-reglement-cki (versie van 1 juli 2024).
4.Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming.
5.Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
6.Vgl. overweging 2.3 van de beschikking van deze rechtbank van 19 september 2025.
7.Zie overwegingen 2.5, 2.6 en 2.10 van het vonnis van de kantonrechter van 31 oktober 2025.
8.Zoals de rechtbank eerder in haar beschikking van 19 september 2025 heeft geoordeeld in overwegingen 2.3 tot en met 2.5.