Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6803

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
10-036558-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor medeplegen opzettelijke ontploffing in portiek met jeugddetentie en taakstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 7 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2008, die werd verdacht van medeplegen van meerdere ontploffingen in portieken aan de Medemblikstraat in 's-Gravenhage.

De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen van de ontploffingen op 31 december 2023, 12 januari 2024 en 14 januari 2024 wegens onvoldoende bewijs. Voor de ontploffing op 29 januari 2024 werd hij wel veroordeeld wegens medeplegen, omdat uit locatiegegevens, chatberichten en verklaringen bleek dat hij bewust en nauw samenwerkte met een medeverdachte. De ontploffing bracht levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel mee.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte een vormverzuim bevatte, maar dat dit geen gevolgen had voor het bewijs omdat de machtiging waarschijnlijk zonder beperkingen was verkregen. De strafmaat werd bepaald op 65 dagen jeugddetentie waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 50 uur in de vorm van een leerstraf. Daarnaast werden schadevergoedingen aan vijf benadeelde partijen deels toegewezen, met bedragen variërend van €200 tot €1.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 januari 2024.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 65 dagen jeugddetentie (waarvan 12 voorwaardelijk) en 50 uur leerstraf voor medeplegen van ontploffing met levensgevaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd
Parketnummer: 10-036558-24
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] in [plaatsnaam] ,
raadsman mr. F.T. Sakrak, advocaat in Zaandam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 23 april 2026.

2.Tenlastelegging

De verdachte wordt – kort gezegd – verdacht van het medeplegen van het teweegbrengen van ontploffingen op 31 december 2023, 12 januari 2024, 14 januari 2024 en 29 januari 2024 in meerdere portieken aan de Medemblikstraat in 's-Gravenhage. De volledige omschrijving is opgenomen in bijlage I en zoals deze tijdens de zitting is gewijzigd.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 113 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerd, met daaraan toegevoegd dat de verdachte meewerkt aan diagnostisch onderzoek;
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling te weten de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie So-Cool verlengd, voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijsuitsluiting onderzoek telefoons
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat voor het onderzoek aan de telefoon van verdachte sinds het arrest CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (C-548/21) (ECLI:EU:C:2024:830) van 4 oktober 2024 (hierna: het Landeck-arrest) een machtiging van de rechter-commissaris is vereist. Die is niet gevraagd en niet verstrekt. Dit dient tot bewijsuitsluiting te leiden, waardoor vrijspraak dient te volgen.
4.1.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wat de verdediging naar voren heeft gebracht niet aan de orde is omdat deze zaak van voor het Landeck-arrest is, waardoor geen sprake is van een vormverzuim.
4.1.3.
Beoordeling
Uit het Landeck-arrest volgt – kort gezegd – dat voor het onderzoek aan een telefoon in beginsel voorafgaande toestemming moet worden gegeven door een rechterlijke autoriteit. In navolging van dit arrest heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:409) op 18 maart 2025 – kort gezegd – overwogen dat een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist is als er met het onderzoek aan bijvoorbeeld een telefoon een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer, zoals wanneer op voorhand te voorzien is dat inzicht zal worden verkregen in bijvoorbeeld foto’s op de telefoon.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de officier van justitie toestemming heeft gegeven voor het onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte. Nu voorafgaande toestemming van een rechter-commissaris daartoe ontbrak, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Bij de beantwoording van de vraag of aan dit verzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden, en zo ja welke, moet rekening worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, namelijk het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om inbreuk op het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro, nu er op de telefoon van de verdachte berichten, filmpjes, en andere persoonlijke gegevens van hem zijn aangetroffen. Echter, gelet op de ernst en de aard van de verdenking zou de machtiging van de rechter-commissaris zonder meer zijn verkregen en naar alle waarschijnlijkheid zonder dat daar beperkingen aan zouden zijn verbonden. Daarbij is tevens van belang dat ten tijde van de inbeslagname van de telefoons van de verdachte op 30 januari 2024 de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet algemeen bekend was. De Hoge Raad is immers pas bij arrest van 18 maart 2025 ingegaan op de betekenis van het Landeck-arrest en de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder mobiele telefoons. De rechtbank zal om die reden – en mede gelet op de beperkte ernst van de schending van het recht op privacy van de verdachte – geen consequenties verbinden aan het geconstateerde vormverzuim.
4.2.
Bewijswaardering
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte medepleger is van het teweegbrengen van de vier ontploffingen, gelet op onder meer de eigen verklaring van de verdachte dat hij de ontploffing op 29 januari 2024 gefilmd heeft, de aangiftes, de getuigenverklaringen en de bevindingen uit de telefoons van de verdachte en de medeverdachte, Baran Karadag (de chatgesprekken, locatiegegevens en zoekopdrachten).
4.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair aangevoerd dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan namelijk allereerst niet worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de ontploffingen op 31 december 2023, 12 januari 2024 en 14 januari 2024 aanwezig was in de straat waar die ontploffingen hebben plaatsvonden. Ook zijn er geen belastende chatgesprekken aangetroffen waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de ontploffingen blijkt. Van andere betrokkenheid is evenmin gebleken, waardoor niet kan worden gesproken van medeplegen. Wat betreft de ontploffing op 29 januari 2024 stelt de verdediging dat het louter aanwezig zijn en niet distantiëren onvoldoende is om te kunnen spreken van medeplegen. Datzelfde geldt voor het enkel filmen van de ontploffing, omdat dat niet kan worden gekwalificeerd als een materiële of intellectuele bijdrage aan het delict. De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het bestanddeel dat levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, omdat het dossier onvoldoende informatie bevat om dit vast te stellen.
4.2.3.
Beoordeling
4.2.3.1.
Ontploffingen op 31 december 2023, 12 januari 2024 en 14 januari 2024
Op voornoemde data hebben ontploffingen plaatsgevonden op de Medemblikstraat in ’s-Gravenhage, als gevolg waarvan schade is ontstaan. In de zoekgeschiedenis van de telefoon van de verdachte zijn veel ‘hits’ op ‘Medemblikstraat’ en ‘explosie’ aangetroffen. Telkens is vlak nadat een ontploffing had plaatsgevonden, gezocht op nieuwsberichten over deze ontploffing. Hoewel de rechtbank dat zeer opmerkelijk vindt, is zij van oordeel dat noch op basis daarvan, noch op basis van de rest van het dossier is vast te stellen dat de verdachte betrokken is geweest als medepleger van de ontploffingen op 31 december 2023, 12 januari 2024 en 14 januari 2024. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.
4.2.3.2.
Ontploffing op 29 januari 2024
Op voornoemde datum heeft opnieuw een ontploffing plaatsgevonden op de Medemblikstraat in ’s-Gravenhage. Deze ontploffing vond omstreeks 23:00 uur plaats in het portiek van de [huisnummers] . Als gevolg hiervan is schade ontstaan.
Uit onderzoek in de telefoons van de verdachte en de medeverdachte is gebleken dat de telefoon van de verdachte ten tijde van de ontploffing zijn locatie registreerde in de directe omgeving van de Medemblikstraat. Dit komt overeen met de verklaring van de verdachte dat hij de ontploffing vanaf korte afstand heeft gefilmd. De telefoon van de medeverdachte registreerde ten tijde van de ontploffing, tussen 23:00:59 uur en 23:01:21 uur, zijn locatie op de Medemblikstraat, ter hoogte van de [huisnummers] . Direct na de ontploffing verplaatsten beide telefoons zich naar de Naarderstraat. Verder is gebleken dat zowel voor als na de ontploffing veelvuldig contact is geweest via Snapchat tussen de verdachte en de medeverdachte met betrekking tot deze ontploffing en dat de verdachte vlak na de ontploffing, om 23:22 uur, via Snapchat een spraakbericht van de medeverdachte heeft ontvangen met de teksten “ik gooide allebei en ik rende naar boven, daarom ook”. Dit bericht en de andere berichten die zijn aangetroffen, zijn belastend. In het bijzonder wijst de rechtbank erop dat de verdachte de dag na de ontploffing berichten naar de medeverdachte heeft gestuurd met daarin de teksten “ [naam 1] overal op nieuws hahaha […]”. Dit duidt er niet op dat de verdachte geen (grote) betrokkenheid bij de ontploffing heeft gehad.
Gelet op deze omstandigheden is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de ontploffing op 29 januari 2024.
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
Het handelen van de verdachte zorgde voor een situatie waarin naar algemene ervaringsregels niet alleen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De ontploffing vond omstreeks 23:00 uur plaats in een portiek waarin zich meerdere woningen bevinden. Het is aannemelijk is dat op een dergelijk tijdstip mensen thuis zijn. Dat ten tijde van de ontploffing personen in de woningen aanwezig waren, blijkt uit de aangiftes in het dossier.
4.2.4.
Conclusie
De rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte schuldig is aan het medeplegen van de ontploffing van 29 januari 2024.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op
in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met29 januari 2024 te 's-Gravenhage,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
opzettelijk
(een
)ontploffing
(en)teweeg heeft gebracht door
(meermalen)in een
of meerportiek
envan de [adres 2], een
of meerCobra
’s6, althans een
of meerstuk
(ken)(zwaar) vuurwerk, in aanraking te brengen met vuur en/of aan te steken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die portiek
enen
/ofde woningen, gelegen aan de [adres 2] en
/ofde in die woningen aanwezige goederen en
/of
- levensgevaar en
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen en
/ofomliggende woningen aanwezige personen
te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
Begin 2024 heeft de verdachte, toen 15 jaar oud, zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen plaatsen en tot ontploffing brengen van een explosief in een portiek met meerdere woningen. In een van die woningen woonde een meisje dat hij kende van school. Hoe het zover heeft kunnen komen, is niet duidelijk geworden, nu de verdachte daar niet over heeft willen verklaren.
Het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning is een ernstig strafbaar feit en een zeer intimiderende vorm van geweld. Het zorgt in de samenleving voor grote gevoelens van onrust en onveiligheid en maakt een grote inbreuk op de rechtsorde. Bovendien kan grote materiële schade worden veroorzaakt. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij een dergelijk ernstig misdrijf heeft gepleegd en zich van de gevolgen niets heeft aangetrokken. Samen met anderen heeft hij schade toegebracht aan de portiek. Tevens heeft hij de bewoners van de woningen in dat portiek in gevaar gebracht en angst aangejaagd.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage en verklaringen van deskundigen op de zitting
De Raad heeft op 16 april 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Er zijn zorgen om de houding en de gewetensontwikkeling van de verdachte. Hij heeft de afgelopen twee jaar onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag genomen. De kans op herhaling van nieuw delictgedrag wordt als heel hoog ingeschat doordat de verdachte meerdere keren in aanraking is gekomen met de politie. Er zijn beschermende factoren aanwezig die de kans op herhaling verkleinen, zoals dat de verdachte betrokken ouders heeft die toezicht op hem houden. De grootste zorg van de Raad is dat de verdachte geen vorm van dagbesteding heeft. Diagnostisch onderzoek kan meer zicht geven op wat maakt dat het de verdachte tot op heden niet lukt om zijn schoolgang succesvol te laten verlopen en wat wel passend is bij hem.
De Raad is van mening dat een leerstraf vanuit pedagogisch opzicht de meest wenselijke strafrechtelijke reactie is. De Raad adviseert de leerstraf So-Cool verlengd, omdat veel vaardigheidstekorten worden gezien bij de verdachte. Daarnaast adviseert de Raad een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, gelijk aan het voorarrest. De Raad is van mening dat een voorwaardelijke werkstraf meer passend is dan jeugddetentie. Dat is een goede stok achter de deur om de verdachte te laten meewerken aan toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering. Die begeleiding blijft nodig om een doorbraak te bereiken in het vinden van een passende dagbesteding voor de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
Tijdens de zitting heeft de jeugdreclasseerder van de verdachte, [naam 2] , verklaard zich te kunnen vinden in het advies van de Raad. De jeugdreclasseerder heeft aangegeven dat zij het van belang vindt dat de verdachte meewerkt aan een diagnostisch onderzoek.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit en de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de schorsing opnieuw met politie en justitie in aanraking is geweest, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt het tijdsverloop van de behandeling van de strafzaak in zijn voordeel mee. Het feit is namelijk al lange tijd geleden gepleegd, waardoor een onvoorwaardelijke jeugddetentie onvoldoende pedagogisch effect zal hebben. Gelet op de adviezen van de deskundigen vindt de rechtbank het ook van belang om een voorwaardelijke straf met voorwaarden op te leggen.
Alles afwegend zal de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest van 53 dagen. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. Daarnaast zal de rechtbank een forse voorwaardelijke jeugddetentie opleggen met een proeftijd van 2 jaren. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijk strafdeel worden de geadviseerde voorwaarden gekoppeld. Tot slot zal de rechtbank een onvoorwaardelijke leerstraf opleggen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 350,00 aan materiële schade en een bedrag van € 2.066,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.418,77 aan materiële schade en een bedrag van € 508,36 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 3] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een niet nader genoemd bedrag aan materiële schade en een bedrag van € 200,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 4]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 4] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 5]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 5] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover het de materiële schade betreft, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is geheel voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover het de materiële schade betreft, omdat de gevorderde kosten niet aan het strafbare feit zijn te relateren. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is geheel voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 3]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover het de materiële schade betreft, omdat geen bedrag is ingevuld op de vordering. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is geheel voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 4]
Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 5]
Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is geheel voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De benadeelde partijen moeten primair niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de onvoldoende toereikende onderbouwing van de vorderingen. Meer subsidiair moeten de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] bij een toewijzing worden gematigd en refereert de verdediging zich bij bewezenverklaring ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 3].
8.3.
Beoordeling
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wel is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wel is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 200,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 3]
De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wel is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 200,00.
[benadeelde partij 4]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 5]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf 29 januari 2024.
Proceskosten
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen deels zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Hoofdelijke veroordeling
Nu de verdachte het strafbare feit samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader(s) de benadeelde partijen heeft/hebben betaald is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
8.4.
Conclusie
[benadeelde partij 1]
De verdachte moet de [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 2]
De verdachte moet de [benadeelde partij 2] een schadevergoeding betalen van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 3]
De verdachte moet de [benadeelde partij 3] een schadevergoeding betalen van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 4]
De verdachte moet de [benadeelde partij 4] een schadevergoeding betalen van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
[benadeelde partij 5]
De verdachte moet de [benadeelde partij 5] een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 65 (vijfenzestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie,
12 (twaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
  • zal meewerken aan hulpverlening die door de gecertificeerde instelling nodig wordt geacht;
  • onderwijs volgt of een vorm van dagbesteding heeft;
  • zal meewerken aan diagnostisch onderzoek;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
leerstrafvoor de duur van
50 (vijftig)
uren, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject So-Cool verlengd;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
25 (vijfentwintig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van
€ 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 1] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] te betalen
€ 1.000,00(hoofdsom,
zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van
€ 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 2] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] te betalen
€ 200,00(hoofdsom,
zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 3] , te betalen een bedrag van
€ 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 3] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 3] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 3] te betalen
€ 200,00(hoofdsom,
zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 3] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 4] , te betalen een bedrag van
€ 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 4] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 4] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 4] te betalen
€ 2.000,00(hoofdsom,
zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 4] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 5] , te betalen een bedrag van
€ 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de [benadeelde partij 5] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 5] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s)
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 5] te betalen
€ 1.000,00(hoofdsom,
zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 5] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en R. van der Wal, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.C. Suiker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met 29 januari 2024 te 's-Gravenhage,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
(een) ontploffing(en) teweeg heeft gebracht door (meermalen) in een of meer portieken van de [adres 2] , een of meer Cobra’s 6, althans een of meer stuk(ken) (zwaar) vuurwerk, in aanraking te brengen met vuur en/of aan te steken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die portieken en/of de woningen, gelegen aan de [adres 2] en/of de in die woningen aanwezige goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woningen en/of omliggende woningen aanwezige personen
te duchten was;