Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6916

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/3387
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 8.7 Wet dierenArt. 4.8 Regeling houders van dierenArt. 3 TransportverordeningArt. 8 Transportverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor vervoer van koe die niet pijnloos kon bewegen terecht opgelegd

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van een veehouder tegen een bestuurlijke boete van €1.500,- opgelegd door de minister van Landbouw wegens het vervoeren van een koe die niet geschikt was voor transport omdat zij niet op eigen kracht pijnloos kon bewegen.

De boete was gebaseerd op een rapport van toezichthouders van de NVWA die constateerden dat de koe een dikke, ontstoken voorpoot had met pus en koorts, en daardoor kreupel liep. De veehouder betwistte de bevindingen en stelde dat de koe voldoende hersteld was en geschikt voor vervoer, onderbouwd met verklaringen van een dierenarts en video-opnamen.

De rechtbank oordeelde dat het rapport van de toezichthouders voldoende concreet en onderbouwd was, inclusief foto’s en filmpjes, en dat de betwisting onvoldoende was om twijfel te zaaien over de overtreding. De rechtbank concludeerde dat de koe al voorafgaand aan het transport niet pijnloos kon lopen en dat het vervoer onnodig lijden veroorzaakte.

Het beroep werd ongegrond verklaard en de boete bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Fransen op 17 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €1.500,- voor het vervoeren van een koe die niet pijnloos kon bewegen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3387

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. W. Koster),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.A. Verhulp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.500,- die verweerder met het besluit van 18 oktober 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. P.R. Botman (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres) en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. A.M.H. van der Wal en [naam], toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 24 juni 2024 is opgemaakt door twee toezichthouders van de NVWA.
De toezichthouders schrijven in het rapport onder meer het volgende.

Datum en tijdstip van de bevinding(en): 14 juni 2024, omstreeks 6.30 uur.
In het bedrijf aangesproken: [naam], eigenaar. Wij zijn in naam en functie bekend bij dit bedrijf.
Wij zagen tijdens de controle van de dieren in de stal voor de exportkeuring een roodbont rund met oornummer [nummer] (volledig [nummer]) (zie foto 1). Wij zagen dat het dier een dikke linker voorpoot had en dat het deze poot in stilstand minimaal en bij lopen slecht belastte (zie foto 2 en filmpje 1). Verder zagen wij trillingen van de spieren boven de voorpoot die wijzen op ongemak en pijn (zie filmpje 2). Hierdoor besloten mijn collega en ik het dier nader te onderzoeken en maakten wij de volgende bevindingen: de poot was over zijn gehele lengte verdikt. Tevens was er een klein open wondje waar een wittige dikke substantie uit kwam, wat wij herkenden als “pus” oftewel purulent exsudaat ten gevolge vanpurulente (etterige) ontsteking. We hebben de temperatuur rectaal opgemeten van het rund. Deze bedroeg 40,57 graden Celsius (zie foto 3) wat duidt op koorts. Normale temperatuur van een rund is tussen 38,0 en 39,3 graden Celsius. Koorts kan een teken zijn van stress en pijn. Ook kan het een gevolg zijn van de uitgebreide ontsteking van de linker voorpoot.
Toen we het rund lieten opstaan en lopen zagen we dat het duidelijk kreupel liep, waarbij hij de linker voorpoot probeerde te ontlasten.
Het transport van dit dier heeft extra lijden veroorzaakt doordat het dier in een rijdend voertuig alle 4 zijn poten nodig heeft om voldoende steun te hebben en dus gedwongen werd om op de pijnlijke linker voorpoot te steunen.
[naam] (echtgenoot van de eigenaar van het verzamelcentrum) vertelde ons dat het rund was aangevoerd door de [vervoerder]. Dit konden wij tevens zien op de uitdraai van het in-en uitslagregister (zie uitdraai in-en uitslagregister). In dit register legt het verzamelcentrum onder andere vast door welke transporteur en met welk vervoermiddel dieren worden aangevoerd. Hierin stond vermeld dat door [vervoerder] met het vervoermiddel met kenteken [kenteken] het rund met oornummer [nummer] hadaangevoerd op 13 juni 2024 omstreeks 14:50 uur. Daarnaast stond vermeld dat het rund nog 2 andere runderen aangevoerd was op het verzamelcentrum.
De bovengenoemde beschreven waarnemingen zijn door ons, als toezichthoudend dierenartsen herkend als een flessepoot. Dat is een dusdanig uitgebreide purulente ontsteking van de poot die al langere tijd aanwezig is. Aangezien er pus oftewel purulent exsudaat uit de wonde liep concludeer ik dat de ontsteking zeker langer dan 2 dagen aanwezig was. Purulent exsudaat is namelijk pas zichtbaar na enkele dagen. Deze conclusie baseer ik op het artikel “Antedatering letsels vlees. Een atlas van verschillende letsels ende pathofysiologie met tijdsindicatie, 2.1.2. Ontsteking”. Het niet pijnloos kunnen lopen is al meerdere dagen aanwezig, omdat de poot over de gehele lengte dik was en er etter uit de wond kwam. Op de uitdraai van het in- en uitslagregister (zie uitdraai in- en uitslagregister) is te zien dat het dier op 13 juni 2024 omstreeks 14:50 uur is aangevoerd op het verzamelcentrum. Aangezien onze controle op 14 juni 2024, omstreeks 6.30 uur plaatsvond, maken wij hieruit op dat de flessenpoot voor aanvang van het opladen bij het veehouderijbedrijf aanwezig was. De flessenpoot was dus al aanwezig op het moment dathet dier bij de veehouderij werd opgeladen. Aangezien dit een zeer pijnlijk proces is kon het dier niet pijnloos bewegen voorafgaand aan het vervoer. Het vervoer heeft extra lijden veroorzaakt aangezien het dier tijdens het vervoer gedwongen wordt de poot te belasten.
In het I&R-systeem hebben we opgezocht dat het dier afkomstig was van veehouderij [eiseres] met ubn nummer [nummer] (zie bijlagen I&R uitdraaien raadplegen verblijfplaatsen en raadplegen meldingseenheden en relaties). Dit kwam overeen met de bij het rund aangeleverde VKI (zie bijlage VKI) en de houdersverklaringen (zie bijlagen houdersverklaring en houdersverklaring blauwtong).
[…]
Ik, inspecteur met toezichthoudernummer 18114, heb [naam] als eigenaar van bovengenoemd bedrijf telefonisch op de hoogte gebracht van mijn bevindingen en heb ter zake een Rapport van Bevindingen aangezegd.
[…]
Ik bracht [naam] van mijn bevindingen op de hoogte en deelde hem mede dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit naar aanleiding hiervan een bestuurlijke boete kan opleggen. Tevens zei ik hem, ingevolge het bepaalde in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht, dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Hierop verklaarde hij mij zoveel mogelijk weergegeven in zijn eigen woorden, het volgende:
“Het rund had al meer dan een maand last van een verdikte poot. Het dier liep echter goed en gaf bovendien nog veel melk. Om die reden heb ik dan ook nog gewacht met het afvoeren van het dier. Volgens mij liep het dier op de dag van transport nog goed
.”
Hij verwees daarbij naar een filmpje welke ik, inspecteur met toezichthoudernummer 18114, van de transporteur van het dier ontvangen heb (zie filmpje 3). Ik kan echter niet zeggen wanneer het filmpje gemaakt is.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De houder op de plaats van vertrek liet een rund vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het rund niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, gelet op Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder a, van de Transportverordening [1] .
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.500,-.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres voert aan dat verweerder het rapport van bevindingen niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, nu een duidelijke foto of filmpje ontbreekt waarop de verdikte voorpoot is te zien waaruit een witte substantie komt, zoals in het rapport beschreven staat. Eiseres heeft een dierenarts gevraagd op het rapport te reageren maar die is vanwege het ontbreken van dit beeldmateriaal beperkt in zijn mogelijkheden om vast te stellen wat er aan de hand was. Eiseres is daardoor in haar verdediging geschaad. Volgens de toezichthoudend dierenartsen betrof de witte substantie pus, maar volgens de door eiseres ingeschakelde dierenarts W.A. Buijsse betrof het een witte vloeistof uit een ingekapselde zwelling. Eiseres verwijst naar twee verklaringen van deze dierenarts. Uit die verklaringen volgt ook dat de witte substantie wel degelijk aanwezig kan zijn zonder dat er sprake is van een belemmerend letsel. Eiseres betwist dat de koe niet geschikt was voor vervoer. De koe heeft op 2 mei 2024 een kneuzing aan de betreffende poot gehad waarvoor ze behandeld is. Ze was voldoende hersteld om haar aan te bieden voor de slacht. Op 11 juni 2024 is een filmpje gemaakt waarop te zien is dat de koe vlot op vier poten loopt. Tussen 11 juni 2024 en het vervoer op 13 juni 2024 is de toestand van de koe niet verslechterd. Dit blijkt uit de geregistreerde melkingen (geen productiedaling) en gedraghistorie in het bedrijfssysteem van eiseres. Dierenarts Buijsse heeft verklaard dat als een koe in de periode voorafgaand en bij afvoer zo’n ernstig trauma zou hebben en pijn en stress zou hebben gehad, er zeker sprake zou zijn van een acute daling van de melkproductie en daarvan is niet gebleken. Eiseres gaat ervan uit dat de aangetroffen witte substantie een restant is van de lichte zwelling in de voorknie en dat de koe in het verzamelcentrum is gevallen, zich daarbij ernstig heeft gekneusd en in een stresstoestand is gekomen wat tot de verhoogde lichaamstemperatuur heeft geleid. Eiseres verwijst daarbij naar de nadere verklaring van dierenarts Buijsse. Ook wijst eiseres op de ‘Praktische richtlijnen voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van volwassen runderen’ waaruit zij concludeert dat als een dier op vier poten staat, zoals hier het geval was, het dier geschikt is voor vervoer.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport voldoende duidelijk en concreet beschreven wat de toezichthouders hebben waargenomen bij de koe, namelijk een dikke linker voorpoot die de koe slecht belastte, trillingen van de spieren, een klein wondje met wittige dikke substantie en koorts. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze waarnemingen te twijfelen. Bij het rapport zitten ook foto’s, waarop de verdikking met een wondje aan de poot te zien is evenals de thermometeruitslag, en twee video’s waarop te zien is dat de poot verdikt is en nauwelijks wordt belast en dat spieren boven de poot trillen. De rechtbank twijfelt er dan ook niet aan dat de koe op het moment dat de toezichthouders het dier hebben gezien niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. Voor het kunnen vaststellen van de overtreding dient evenwel voldoende vast te staan dat de koe ook al voorafgaande aan het transport op 13 juni 2024 niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos voort te bewegen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval en zij overweegt daartoe het volgende.
4.2.1.
In het rapport van bevindingen is door de toezichthouders voldoende gemotiveerd toegelicht waarom volgens hen de koe al voorafgaande aan het transport niet pijnloos kon lopen. Zo is beschreven dat sprake was van een verdikking met een uitgebreide purulente ontsteking die vanwege het purulent exsudaat (pus) dat uit de wond liep, al langer dan twee dagen aanwezig was, waarbij wordt verwezen naar een artikel over antedatering van een ontsteking. Eiseres betwist niet dat de poot voorafgaande aan het transport verdikt was vanwege een eerder opgelopen kneuzing. Volgens de door eiseres ingeschakelde dierenarts betrof het exsudaat dat uit de wond liep evenwel geen pus maar een witte vloeistof, afkomstig uit een ingekapselde zwelling. Waar dierenarts Buijsse dit op baseert en wat voor soort vloeistof het dan wél zou zijn, wordt in zijn verklaringen echter niet toegelicht. Daartegenover hebben beide toezichthoudend dierenartsen in het rapport van bevindingen duidelijk verklaard dat er een wittige dikke substantie uit het wondje kwam, dat zij herkenden als “pus” oftewel purulent exsudaat, terwijl dierenarts Buijsse in zijn verklaring schrijft dat in het rapport niet duidelijk over pus zou worden gesproken. Verder is op de zitting door een van de toezichthouders herhaald dat de substantie uit het wondje zeker pus was. De rechtbank ziet in de verklaringen van dierenarts Buijsse dan ook geen reden om aan de duidelijke en concrete verklaringen van de toezichthouders op dit punt te twijfelen. Ook de verklaring van dierenarts Buijsse dat hij de koorts en trilling in de spieren beter vindt passen bij een acuut trauma is onvoldoende voor die twijfel, reeds omdat de vaststelling in het rapport dat de aandoening al langere tijd aanwezig was niet op deze symptomen is gebaseerd maar hoofdzakelijk op de dikte van de poot en de aanwezigheid van pus.
4.2.2.
Weliswaar ontbreekt een foto van de substantie zodat dierenarts Buijsse de inhoud niet zelf heeft kunnen beoordelen, maar dit maakt het rapport niet gebrekkig en eiseres is daardoor evenmin in haar verdediging geschaad. Er is in het rapport namelijk duidelijk en concreet beschreven wat de toezichthouders hebben waargenomen en er zijn foto’s en filmpjes bijgevoegd. Daarmee had de door eiseres ingeschakelde dierenarts voldoende feitenmateriaal om een beoordeling te maken. Daarbij merkt de rechtbank op dat van eiseres niet wordt verlangd dat zij bewijs levert dat de koe wél transportwaardig was, maar dat zij met een onderbouwde betwisting zodanige twijfel zaait dat niet meer van de conclusie van de toezichthouders kan worden uitgegaan. De ingebrachte verklaringen van dierenarts Buijsse vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende. Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht dat dierenarts Buijsse de koe vlak voor het transport nog zou hebben gezien, maar dit is niet aannemelijk gemaakt en kan ook niet uit de verklaringen van Buijsse worden afgeleid. Bovendien is in de gronden van beroep juist gesteld dat de dierenarts de koe niet vlak voor het transport heeft onderzocht.
4.2.3.
Voorts ziet de rechtbank in de door eiseres gemaakte video van de koe twee dagen voor transport evenmin reden voor twijfel of de koe al voorafgaande aan het transport niet pijnloos kon voortbewegen. Op de video is te zien dat de poot van de koe verdikt is en op de verdikking is een wondje zichtbaar. De toezichthoudend dierenarts heeft op zitting bevestigd dat dit wondje op dezelfde plek zit als waaruit het purulent exsudaat kwam op het slachthuis. Verder is op de video te zien dat de koe de linker voorpoot niet op dezelfde wijze lijkt te belasten en te plaatsen als de rechter voorpoot. Weliswaar lijkt de koe op deze video beter te lopen dan op de video’s die de toezichthouders hebben gemaakt, maar van een volledig normale gang lijkt ook geen sprake te zijn. Eiseres heeft onder verwijzing naar ‘Praktische richtlijnen voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van volwassen runderen’ gesteld dat een dier dat op vier poten kan staan geschikt is voor vervoer. Wat daar ook van zij, uit Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 2, aanhef en onder a, van de Transportverordening volgt dat een dier niet in staat is te worden vervoerd als het niet op eigen kracht pijnloos kan bewegen. Dat een dier zich dus kan voortbewegen op vier poten is niet voldoende; er moet ook duidelijk zijn dat dit zonder pijn gepaard gaat. In het rapport van bevindingen is gemotiveerd beschreven dat al voorafgaand aan het vervoer sprake was van een zeer pijnlijk proces aan de poot. Voorts merkt de rechtbank op dat eiseres met haar stelling dat de koe mocht worden vervoerd, heeft verwezen naar Deel III van deze richtlijnen en dat ziet op omstandigheden waarbij verdere beoordeling nodig is voor vervoer. Daarbij wordt benoemd dat rekening moet worden gehouden met onder meer de tijdsduur van het vervoer en de vraag of de toestand tijdens vervoer naar verwachting zal verslechteren. In dit verband is relevant dat eiseres de koe, waarvan zij wist dat deze eerder een blessure heeft opgelopen en nog een verdikte poot had, via een verzamelcentrum naar België heeft willen laten vervoeren. Verweerder heeft hierover opgemerkt dat vervoer via een verzamelcentrum extra veel vergt van een dier vanwege het herhaald in- en uitladen, soms lange tijd wachten of extra stukken lopen. Denkbaar is dat dit niet geschikt is voor een koe met een blessure en zichtbaar verdikte poot. Zoals uit artikel 3, aanhef, van de Transportverordening volgt, is het verboden een dier te laten vervoeren op zodanige wijze dat het dit dier waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. In het rapport is door de toezichthouders geconcludeerd dat het vervoer extra lijden bij de koe heeft veroorzaakt omdat het gedwongen de poot heeft moeten belasten om voldoende steun te hebben. Dit heeft de toezichthoudend dierenarts ter zitting nogmaals bevestigd.
4.2.4.
Verder heeft eiseres gewezen op de registratie van melkingen en activiteit van de koe die in de dagen voor het transport niet zouden zijn afgenomen. Ook dit biedt geen reden voor twijfel aan de conclusie van de toezichthouders dat het dier al voorafgaande aan het transport zich niet pijnloos kon voortbewegen. Verweerder heeft toegelicht dat lokale pijn en kreupel lopen niet zonder meer invloed heeft op de melkproductie of de activiteit. Daarbij zijn geen gegevens overgelegd van de melkingen en activiteit van de koe voordat het de blessure aan de linker voorpoot opliep.
4.2.5.
Tot slot heeft eiseres in beroep een verklaring ingebracht van [naam], eigenaar van het verzamelcentrum, die aanwezig is geweest bij het uitladen van het dier. Hij verklaart daarin dat de koe goedlopend de veewagen heeft verlaten, tijdens de avondronde het dier op vier poten stond en het dier de volgende ochtend last had van een pijnlijke linker voorpoot. Ook deze verklaring biedt voor de rechtbank geen twijfel aan de conclusies van de toezichthouders. Terecht merkt verweerder op dat de verklaring zonder datering een jaar na de bevinding is overgelegd zonder toelichting hoe de opsteller na zo’n lange tijd nog specifiek iets over dit dier kan zeggen. Ter zitting heeft eiseres die toelichting ook niet kunnen geven. Voorts weerspreekt de verklaring van [naam] ook niet volledig de bevindingen van de toezichthouders, nu niet ondenkbaar is dat de toestand van de koe na aankomst op het verzamelcentrum is verslechterd, zoals verweerder ook erkent.
4.3.
De rechtbank concludeert dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat eiseres de overtreding heeft begaan. Verweerder was bevoegd [3] eiseres voor deze overtreding een boete op te leggen. Verweerder heeft eiseres een boete van € 1.500,- opgelegd. Dit is het standaardboetebedrag dat voor deze overtreding is vastgesteld in de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is dus ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Transportverordening

Artikel 3, aanhef en onder b
Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport;
Artikel 8, eerste lid
De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden.
Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1, en paragraaf 2, onder a
Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.
Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:
wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling houders van dieren

Artikel 4.8
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…).

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG
2.Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2024:222 (r.o. 7.2) en ECLI:NL:CBB:2025:203 (r.o. 5.2)
3.Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, en artikel 8.6 van de Wet dieren en met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren