Partijen zijn gehuwd en hebben een echtscheidingsprocedure doorlopen waarbij voorlopige en definitieve partnerbijdragen zijn vastgesteld. De vrouw betaalde een voorlopige partnerbijdrage van €1.285 per maand vanaf februari 2023. Na ontbinding van het huwelijk en een beschikking van het hof die de partnerbijdrage van de vrouw aan de man afwees, ontstond discussie over terugbetaling van de in de periode van 7 augustus 2024 tot 5 augustus 2025 betaalde bedragen.
De rechtbank oordeelt dat de voorlopige partnerbijdrage kracht behoudt tot de definitieve beslissing in de bodemprocedure in kracht van gewijsde gaat. De beschikking van het hof van 6 augustus 2025 vervangt de voorlopige voorziening en werkt terug tot 7 augustus 2024, waardoor automatisch een terugbetalingsverplichting ontstaat. De man wordt veroordeeld om €18.173,- terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 november 2025.
Het verzoek van de vrouw tot wijziging van de voorlopige voorzieningen wordt afgewezen omdat de bodemprocedure hierover definitief heeft beslist. De rechtbank compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt, vanwege mogelijke misinterpretatie van de hofbeschikking door de man.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan in hoger beroep worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening door een advocaat.