Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6928

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/10/710198 / FA RK 25-8761
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:296 BWArt. 826 lid 1 sub c RvArt. 822 lid 1 sub e RvArt. 1:156 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling te veel betaalde voorlopige partnerbijdrage na definitieve beschikking

Partijen zijn gehuwd en hebben een echtscheidingsprocedure doorlopen waarbij voorlopige en definitieve partnerbijdragen zijn vastgesteld. De vrouw betaalde een voorlopige partnerbijdrage van €1.285 per maand vanaf februari 2023. Na ontbinding van het huwelijk en een beschikking van het hof die de partnerbijdrage van de vrouw aan de man afwees, ontstond discussie over terugbetaling van de in de periode van 7 augustus 2024 tot 5 augustus 2025 betaalde bedragen.

De rechtbank oordeelt dat de voorlopige partnerbijdrage kracht behoudt tot de definitieve beslissing in de bodemprocedure in kracht van gewijsde gaat. De beschikking van het hof van 6 augustus 2025 vervangt de voorlopige voorziening en werkt terug tot 7 augustus 2024, waardoor automatisch een terugbetalingsverplichting ontstaat. De man wordt veroordeeld om €18.173,- terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 november 2025.

Het verzoek van de vrouw tot wijziging van de voorlopige voorzieningen wordt afgewezen omdat de bodemprocedure hierover definitief heeft beslist. De rechtbank compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt, vanwege mogelijke misinterpretatie van de hofbeschikking door de man.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan in hoger beroep worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening door een advocaat.

Uitkomst: Man wordt veroordeeld tot terugbetaling van €18.173,- plus wettelijke rente over te veel betaalde voorlopige partnerbijdrage.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/710198 / FA RK 25-8761
Beschikking van 15 april 2026 over terugbetaling onderhoudsbijdrage en wijziging voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R. van Coolwijk te Amsterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 november 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 20 februari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 24 februari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de man van 27 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd
.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd. Op 11 november 2022 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2023 is tussen partijen in het kader van voorlopige voorzieningen – voor zover hier van belang – bepaald dat de vrouw met ingang van 14 februari 2023 een voorlopige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man (hierna: partnerbijdrage) zal verstrekken van € 1.285,- per maand.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 april 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2024 over nevenvoorzieningen bij echtscheiding is – voor zover hier van belang – ten laste van de vrouw aan de man toegekend een partnerbijdrage van € 2.498,- per maand, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5.
Het huwelijk van partijen is op 7 augustus 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 april 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
2.6.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2025 is voornoemde beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2024 vernietigd voor zover het de daarbij vastgestelde partnerbijdrage betreft en heeft het hof, in zoverre opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de man tot vaststelling van een partnerbijdrage alsnog afgewezen. Het hof heeft voorts bepaald dat de man de ingevolge de beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2024 van de vrouw ontvangen partnerbijdrage aan de vrouw moet terugbetalen.
2.7.
Op 6 november 2025 is de beschikking van het hof in kracht van gewijsde gegaan.

3.De beoordeling

3.1.
De vrouw verzoekt om, voor zover nodig de beschikking voorlopige voorzieningen van 14 februari 2023 te wijzigen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en:
te bepalen dat de partnerbijdrage met ingang van 7 augustus 2024 wordt gesteld op nihil, althans te wijzigen naar een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
te bepalen dat de partnerbijdrage met ingang van 6 augustus 2025 nihil is, althans een zodanige beslissing als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
de man te veroordelen om de partnerbijdrage die hij heeft ontvangen vanaf
7 augustus 2024 tot 6 augustus 2025, zijnde een bedrag van in totaal € 18.450,31, binnen veertien dagen na de te dezen wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag der algehele voldoening, althans een zodanige terugbetalingsverplichting en rentevergoeding als uw rechtbank in goede justitie juist acht;
4. de man te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw het verzochte onder punt 2. ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen. Ook heeft de vrouw verduidelijkt dat het onder punt 1. verzochte een verzoek is in het kader van wijziging voorlopige voorzieningen en dat het onder punt 3. verzochte een bodemverzoek betreft.
3.3.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Bodemprocedure
3.5.
Het verzoek in de bodemprocedure ziet op het (terug)betalen van een geldbedrag door de man aan de vrouw. De grondslag hiervoor is gelegen in artikel 3:296 BW Pro. Dit artikel spreekt over ‘op vordering’ en dat zou betekenen dat de vrouw de zaak via een dagvaarding had moeten starten. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 2 mei 2003 [1] valt echter af te leiden dat in zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 BW, het volgen van de verzoekschriftprocedure dwingend voorgeschreven is. Het verzoek van de vrouw in deze zaak heeft betrekking op het terugbetalen van de partnerbijdrage, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.
3.6.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de door deze rechtbank bij beschikking van 14 februari 2023 vastgestelde voorlopige partnerbijdrage van € 1.285,- per maand heeft betaald tot en met 5 augustus 2025. Verder staat niet ter discussie dat partijen hebben afgesproken dat de partnerbijdrage per 6 augustus 2025, de datum van de beschikking van het hof, op nihil wordt gesteld. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de man naar aanleiding van de beschikking van het hof van 6 augustus 2025 de gelden die hij in de periode van 7 augustus 2024 tot en met 5 augustus 2025 van de vrouw heeft ontvangen aan partnerbijdrage, moet terugbetalen. De vrouw vindt van wel, maar de man ziet dat anders. Hij voert aan dat de vrouw deze gelden niet aan hem heeft betaald op basis van de beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2024, maar op basis van de beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2023. Dat maakt volgens de man dat de beslissing van het hof over de terugbetalingsverplichting niet ziet op de gelden die hij van de vrouw heeft ontvangen in de bedoelde periode.
3.7.
Op grond van artikel 826 lid 1 sub c Rv Pro verliezen voorlopige voorzieningen hun kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met dien verstande dat de voorlopige voorziening bedoeld in artikel 822 lid 1 sub e Rv Pro (voorlopige partnerbijdrage) haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:156 BW Pro (definitieve partnerbijdrage), als dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat.
Tot 6 november 2025 was de titel van de betalingen van de vrouw aan de man dus nog steeds gelegen in de van kracht zijnde beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 14 februari 2023. In navolging van hof Den Haag [2] en hof Amsterdam [3] oordeelt de rechtbank dat zodra de beschikking van het hof van 6 augustus 2025 definitief werd, automatisch een terugbetalingsverplichting ontstond voor de man. De definitieve uitspraak van het hof over de partnerbijdrage in de bodemzaak vervangt de voorlopige voorziening en werkt terug tot 7 augustus 2024.
3.8.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het erover eens geworden dat de man in de periode van 7 augustus 2024 tot en met 5 augustus 2025 een totaalbedrag van
€ 18.173,- aan partnerbijdrage heeft ontvangen van de vrouw. De man heeft geen nieuwe, met bewijsstukken onderbouwde, feiten en omstandigheden aangevoerd die alsnog kunnen leiden tot de conclusie dat het onredelijk is om van hem te verlangen dat hij dit bedrag terugbetaalt aan de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen tot het hiervoor genoemde bedrag en voor het overige afwijzen.
3.9.
De vrouw verzoekt de terug te betalen partnerbijdrage te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal dit verzoek toewijzen vanaf 6 november 2025. Op die datum werd de beschikking van het hof van 6 augustus 2025 definitief en ontstond de (terug)betalings-verplichting van de man.
Wijziging voorlopige voorzieningen
3.10.
Omdat in de bodemzaak wordt beslist dat de man de door hem teveel ontvangen (voorlopige) partnerbijdrage aan de vrouw moet terugbetalen, heeft de vrouw geen belang meer bij een beslissing op haar verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw al om die reden afwijzen.
Proceskosten
3.11.
De rechtbank overweegt in beide procedures over het verzoek van de vrouw om de man in de proceskosten te veroordelen, het volgende. Door de formulering van het dictum in de beschikking van 6 augustus 2025 heeft het hof ruimte gelaten voor een verkeerde uitleg daarvan door de man. Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten afwijzen. In plaats daarvan zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals gebruikelijk is in familiezaken.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de bodemprocedure:
4.1.
veroordeelt de man om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking een bedrag van € 18.173,-, aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
in de procedure wijziging voorlopige voorziening:
4.4.
wijst het verzoek van de vrouw af;
in beide procedures:
4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 15 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden