Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6982

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/9843
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3:41 AwbArt. 3.8 WaboArt. 3.9 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen omgevingsvergunning voor twee tiny houses in Rockanje

Het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee verleende een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee tiny houses in Rockanje voor een periode van vijf jaar, later verlengd tot tien jaar. Directe buren, eisers, maakten bezwaar vanwege mogelijke belemmering van hun agrarische bedrijfsvoering en stelden dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en de kruimelregeling onterecht was toegepast.

De rechtbank oordeelde dat het college de bekendmakingsplicht correct had nageleefd, aangezien het besluit aan de aanvrager was toegezonden en openbaar was gemaakt in het Gemeenteblad. Eisers hadden tijdig bezwaar en beroep ingesteld en konden zich adequaat verdedigen. De kruimelregeling was volgens de rechtbank juist toegepast voor de tijdelijke functiewijziging van de gronden.

Verder concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt. De afstanden tussen de tiny houses en het agrarisch bedrijf van eisers waren juist gemeten en de geurbelasting bleef ruim onder de norm, ook rekening houdend met de luchtwasser. Eisers konden niet aannemelijk maken dat cumulatie van geurbelasting plaatsvond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eisers kregen het griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor twee tiny houses wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9843

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] , uit [woonplaats 1] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee, het college

(gemachtigde: mr. B. Slaats).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam 3]uit [woonplaats 2] , vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van twee tiny houses in Rockanje. Eisers zijn directe buren en vrezen beperking van hun agrarische bedrijfsvoering. Ze zijn het niet eens met de afwijzing van hun tegen de vergunning gerichte bezwaren. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 7 mei 2024 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee tiny houses op de locatie [locatie 1] voor de duur van vijf jaar.
2.1.
Met het besluit van 16 september 2024 (het bestreden besluit I) op de bezwaren van eisers heeft het college de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
2.3.
Bij besluit van 12 september 2025 (het bestreden besluit II) heeft het college het bestreden besluit I gewijzigd. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en de vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 20 december 2023 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ op de locatie.
4. Het college heeft bij besluit van 7 mei 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, elfde lid van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het betreft het realiseren van twee tiny houses voor een periode van vijf jaar.
5. Met het bestreden besluit I heeft het college de bezwaren van eisers tegen het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen, ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
6. Op 10 september 2025 heeft de vergunninghouder een verzoek ingediend bij het college om de instandhoudingstermijn van de omgevingsvergunning te verlengen met vijf jaar. Op 12 september 2025 heeft het college het bestreden besluit II genomen. Met het bestreden besluit II is de instandhoudingstermijn van de verleende omgevingsvergunning verlengd met vijf jaar. De vergunning is hierdoor tien jaar geldig in plaats van vijf jaar.
6.1.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Naar het oordeel van de rechtbank doet de situatie als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid van de Awb zich voor, zodat het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.
Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is bij de beoordeling.
8. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3584) dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Onjuiste bekendmaking
9. Eisers betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat zij ten onrechte niet rechtstreeks zijn geïnformeerd over de vergunningverlening. Eisers stellen dat zij zichzelf daardoor niet adequaat hebben kunnen verdedigen.
9.1.
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Op grond van artikel 3.8 van de Wabo geeft het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Awb tevens onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag is ontvangen.
Op grond van artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat het college het primaire besluit I op 7 mei 2024 bekend heeft gemaakt door toezending van het besluit aan de aanvrager, in dit geval vergunninghouder. Daarnaast is niet in geschil dat het college het primaire besluit op 10 mei 2024 bekend heeft gemaakt in het Gemeenteblad (nr. 207026). Naar het oordeel van de rechtbank is voor de bekendmaking van het primaire besluit niet vereist dat dit aan derden, zoals eisers, wordt verzonden, nu zij niet de aanvragers zijn. De rechtbank overweegt voorts dat geen rechtsregel voorschrijft dat eisers rechtstreeks geïnformeerd hadden moeten worden over het primaire besluit of de aanvraag daartoe. Zij hebben hiervan kennis kunnen nemen via het Gemeenteblad en dit hebben zij ook gedaan. Eisers hebben tijdig bezwaar en beroep ingediend. Daarnaast hebben eisers een aanvullend stuk op hun beroepschrift ingediend. De stelling dat eisers zichzelf niet hebben kunnen verdedigen volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank oordeelt dat het college heeft voldaan aan de bekendmakingsplicht en dat het besluit in zoverre zorgvuldig is voorbereid. De beroepsgrond slaagt niet.
Onterechte toepassing kruimelregeling
10. Eisers betogen dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend op grond van artikel 4, aanhef en elfde lid, van Bijlage II van het Bor, omdat deze regeling niet bedoeld is voor het oprichten van zelfstandige burgerwoningen op agrarisch bestemde gronden. Het besluit is volgens eisers daarom in strijd met artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo. Eisers stellen dat uit de rechtspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2021:567) volgt dat de kruimelregeling niet als grondslag mag dienen voor een dergelijke functiewijziging.
10.1.
Op grond van artikel 4, aanhef en elfde lid, van Bijlage II van het Bor in samenhang met artikel 2.1, eerste lid en onder c, van de Wabo, kan een omgevingsvergunning worden verleend om gronden te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan voor een termijn van ten hoogste tien jaar. De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning (onder meer) is verleend om de gronden te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Omdat de omgevingsvergunning is verleend voor de duur van tien jaar, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de toepassingsvereisten van artikel 4, aanhef en elfde lid, van Bijlage II van het Bor. Uit de door eisers genoemde uitspraak volgt niet dat de kruimelregeling niet als grondslag mag dienen voor een tijdelijke functiewijziging van de gronden. Ter zitting hebben eisers geen andere uitspraken genoemd om hun standpunt te ondersteunen. De rechtbank oordeelt dat het college de kruimelregeling juist heeft toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
11. Eisers stellen zich op het standpunt dat hun belangen onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming. Er is namelijk geen rekening gehouden met de ontwikkelmogelijkheden van hun varkenshouderij, doordat de afstanden tot de tiny houses onjuist zijn gemeten. Eisers vrezen dat door de tiny houses hun bedrijfsvoering wordt belemmerd en noodzakelijke uitbreiding onmogelijk wordt gemaakt door het hanteren van strengere geur en emissienormen. Eisers voeren aan dat de tiny houses op een kortere afstand van hun bedrijf staan dan de andere woningen in de omgeving. Zij stellen dat de DCMR onterecht de afstand tot de luchtwasser heeft gemeten in plaats van tot aan het bouwvlak.
11.1.
Uit de bijlagen bij het verweerschrift blijkt dat het college de afstanden van de dichtstbijzijnde woning tot het bedrijf van eisers heeft gemeten. Ook heeft het college de afstand van de tiny houses tot het bedrijf van eisers gemeten. Uit deze metingen blijkt dat er andere woningen in de omgeving van het bedrijf van eisers zijn die dichterbij staan dan de tiny houses. Dit blijkt ook uit het door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de DCMR van 30 mei 2024. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitgevoerde metingen onjuist zijn. Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat de tiny houses op een kortere afstand tot hun bedrijf liggen dan andere woningen in de omgeving. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de gemeten afstanden. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het niet aannemelijk is dat een verschil van enkele meters voor de berekening van de geurbelasting een doorslaggevend verschil zal opleveren, daarbij in aanmerking genomen dat in de berekening van DCRM de geurbelasting op de tiny houses ruim onder de norm blijft waarbij nog geen rekening is gehouden met een reductiepercentage van 30% door de werking van de chemische (lucht)wasser van varkenshouderij. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Cumulatie van geur
12. Eisers stellen zich op het standpunt dat er sprake is van cumulatie van geur. Zij stellen dat de geuremissie van een andere nabijgelegen veehouderij meegenomen had moeten worden in de berekeningen.
13. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft door DCRM de geurbelasting laten berekenen. Uit de berekening van 27 mei 2024 volgt dat de geurbelasting op de tiny houses (ruim) onder de norm blijft. Eisers hebben deze berekening, behalve wat betreft de gehanteerde afstand, niet gemotiveerd betwist. In beginsel mag het college dan afgaan op de door de ter zake deskundige onderzoeker gemaakte berekeningen. Ook de rechtbank heeft geen aanleiding voor twijfel aan de berekening van de deskundige.
Uit het verweerschrift blijkt verder dat DCMR recent een controlebezoek heeft gebracht aan de [locatie 2] . De DCMR heeft geconstateerd dat er op de locatie geen sprake meer is van een agrarisch bedrijf. De huidige eigenaar is op zeer hoge leeftijd en houdt hobbymatig drie Limousin koeien met af en toe een kalf. Dit wordt volgens het college op grond van het Besluit Activiteiten Leefomgeving niet gezien als een milieubelastende activiteit. Daarnaast wordt er op het perceel twee hobby pony’s gehouden. Omdat het minder dan vijf paarden betreft, is het houden van twee hobby pony’s met bijbehorende beperkte mestopslag volgens het college niet geurrelevant. Eisers hebben dit niet bestreden en hebben overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat er wel sprake is van cumulatie van geuremissies. Het enkele feit dat de bestemming van de gronden op dit moment nog meer vee zou toestaan, maakt niet dat van een hogere geurbelasting moet worden uitgegaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat er geen sprake kan zijn van meer geuroverlast door cumulatie van geuremissies en dat de geurbelasting op de tiny houses niet zodanig is dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Yüksel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.