Eiseres verzocht de Dienst Toeslagen om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag over de jaren 2019 tot en met 2022. De Dienst Toeslagen wees dit verzoek op 3 oktober 2023 af, waarna eiseres bezwaar maakte. Dit bezwaar werd op 28 juni 2024 ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was, omdat de Dienst Toeslagen alsnog op het bezwaar had beslist en eiseres geen belang meer had bij dat deel van het beroep. De rechtbank stelde de Dienst Toeslagen wel aansprakelijk voor de griffierecht- en proceskosten die eiseres had gemaakt voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek terecht had afgewezen, omdat eiseres niet had toegelicht waarom het recht op toeslagen te laag zou zijn vastgesteld. De termijn van artikel 19 AwirPro is geen fatale termijn, waardoor de Dienst Toeslagen bevoegd blijft om toeslagen te herzien. Het betoog van eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waren geschonden en het besluit onvoldoende was gemotiveerd, werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank verklaarde het beroep voor het overige ongegrond en bepaalde dat het bestreden besluit in stand blijft. Tevens werd de Dienst Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van € 467,- aan eiseres.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.P. Ferwerda op 27 mei 2026, zonder zitting, en de griffier was verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen en het beroep is ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4834
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiseres om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 3 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2019 tot en met 2022 afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2023.
2.2.
Met het besluit van 28 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 oktober 2023 ongegrond verklaard. Het beroep heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit. [1]
2.3.
Partijen hebben de rechtbank verzocht het beroep niet op een zitting te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. [2]
Beoordeling door de rechtbank
3. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk, omdat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist en eiseres in zoverre geen belang meer heeft bij haar beroep. De Dienst Toeslagen moet wel het griffierecht en de proceskosten van eiseres vergoeden voor zover die kosten betrekking hebben op het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen.
4. Eiseres heeft verzocht om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2019 tot en met 2022. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek afgewezen, omdat eiseres niet duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan zij een herzieningsverzoek heeft ingediend. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft ten onrechte geen consequenties verbonden aan de overschrijding van de termijn van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) ter zake van de kinderopvangtoeslag in 2022. Het handelen van de Dienst Toeslagen is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd.
6. Voor de beoordeling van het beroep is de volgende regel van belang. De Dienst Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Dienst Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld. [3]
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek van eiser terecht afgewezen. Eiseres heeft in het geheel niet toegelicht waarom het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2019 tot en met 2022 op een te laag bedrag zou zijn vastgesteld. Reeds daarom heeft de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek terecht afgewezen. De in artikel 19 vanPro de Awir gestelde termijn is geen fatale termijn, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. [4] Het betoog van eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden en het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, slaagt niet, omdat eiseres dit betoog op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. Het beroep is voor het overige ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. De Dienst Toeslagen moet het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De zaak, voor zover die betrekking heeft op het niet tijdig beslissen, is van licht gewicht, omdat de zaak in zoverre alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoedt;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van G. Machwirth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).