ECLI:NL:RVS:2016:1484
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Belastingdienst tot herziening kinderopvangtoeslag na verstrijken beslistermijn
De zaak betreft het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de terugvordering van een deel van de kinderopvangtoeslag aan [wederpartij] onterecht achtte. De Belastingdienst had de toeslag over 2007 definitief vastgesteld op een lager bedrag dan het eerder toegekende voorschot en vorderde terugbetaling. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijnen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) de Belastingdienst binden en dat na vijf jaar geen herziening in het nadeel meer mogelijk is.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel, waarbij zij uitgebreid ingaat op de wettelijke bepalingen omtrent voorschotten, herzieningen en beslistermijnen. De Awir kent geen expliciete termijnbeperking voor herziening van voorschotten, maar artikel 21, tweede lid, stelt een vervaltermijn van vijf jaar na het berekeningsjaar voor herziening van definitief vastgestelde toeslagen. Dit vervaltermijn geldt ook voor het definitief vaststellen van de toeslag op een lager bedrag dan het voorschot.
De Afdeling benadrukt dat het voorschot een voorlopig karakter heeft en dat de definitieve vaststelling het sluitstuk is. Zij oordeelt dat de Belastingdienst niet bevoegd was om na vijf jaar de toeslag lager vast te stellen dan het voorschot en daarmee de terugvordering te vorderen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van gronden. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Belastingdienst was niet bevoegd om na vijf jaar de kinderopvangtoeslag lager vast te stellen dan het voorschot; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.