Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6998

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/10341
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:12 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek huur- en zorgtoeslag bevestigd ondanks motiveringsgebrek

Eiser verzocht de Dienst Toeslagen om herziening van het recht op huur- en zorgtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2022. De Dienst Toeslagen wees dit verzoek af, behalve voor een deel van 2021, waarop zij alsnog huurtoeslag toekende. Eiser stelde dat de hoorplicht was geschonden omdat een afgesproken hoorzitting in september 2024 niet plaatsvond. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiser via zijn gemachtigde niet tijdig een datumvoorstel had gedaan, waardoor de Dienst Toeslagen mocht aannemen dat hij afzag van het recht om gehoord te worden.

Eiser voerde aan dat de Dienst Toeslagen het motiveringsbeginsel had geschonden door niet in te gaan op zijn betoog dat het inkomen van zijn huisgenoot buiten beschouwing moest blijven. De rechtbank erkende dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende was gemotiveerd en in strijd was met artikel 7:12 Awb Pro. Desondanks passeerde de rechtbank dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat het betoog van eiser evident niet kon slagen gezien de wettelijke bepalingen over de draagkracht van medebewoners.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en veroordeelde de Dienst Toeslagen tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.P. Ferwerda op 27 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek huur- en zorgtoeslag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10341

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiser om herziening van het recht op huur- en zorgtoeslag afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. De hoorplicht is niet geschonden. De rechtbank passeert de schending van het motiveringsbeginsel. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 6 februari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om herziening van het recht op huur- en zorgtoeslag over 2018 tot en met 2022 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 7 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 februari 2024 gegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Partijen hebben de rechtbank verzocht het beroep niet op een zitting te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft verzocht om herziening van het recht op huur- en zorgtoeslag over 2018 tot en met 2022. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek afgewezen, omdat niet is gebleken dat het recht op huur- of zorgtoeslag te laag is vastgesteld. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen alsnog huurtoeslag aan eiser toegekend voor de periode van 1 december 2020 tot en met 31 mei 2021, omdat eiser over 2021 een voorschotbeschikking heeft gehad en hij mag terugkomen op de stopzetting voor dat jaar. Voor het overige is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven.
Hoorplicht
4. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden. Er is afgesproken dat in de maand september 2024 een hoorzitting zou worden ingepland, maar dat is niet gebeurd.
4.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. [2] Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. [3]
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht niet geschonden. Eiser heeft in het bezwaarschrift opgenomen dat hij wil worden gehoord. Het uitblijven van een reactie op de brieven van de Dienst Toeslagen van 3 mei 2024 en 5 juni 2024, waarin eiser is verzocht aan te geven of hij wil worden gehoord, is dan in beginsel onvoldoende om van het horen af te zien. Door bijkomende omstandigheden ligt dat in dit geval echter anders. Uit de gespreksnotitie van 21 juni 2024 volgt dat de gemachtigde van eiser telefonisch heeft toegezegd een voorstel te sturen voor een datum in september 2024 waarop de hoorzitting zou kunnen plaatsvinden. De Dienst Toeslagen heeft gesteld dat de gemachtigde dat niet heeft gedaan en de gemachtigde heeft dat niet betwist. De Dienst Toeslagen mocht onder die omstandigheden aannemen dat eiser alsnog heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. [4] De beroepsgrond slaagt niet.
Herzieningsverzoek
5. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Eiser kan de juistheid van het recht op huur- en zorgtoeslag niet controleren, omdat de Dienst Toeslagen de berekeningen niet heeft overgelegd.
5.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is de volgende regel van belang. De Dienst Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Dienst Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld. [5]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek van eiser terecht afgewezen. Eiser heeft niet toegelicht waarom het recht op huur- of zorgtoeslag over 2018 tot en met 2022 op een te laag bedrag zou zijn vastgesteld. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht op basis van welke gegevens het recht op huur- en zorgtoeslag is vastgesteld en die gegevens ook overgelegd. De regelgeving op grond waarvan het recht op huur- en zorgtoeslag is berekend, is openbaar. [6] Daarmee beschikt eiser over alle gegevens om de juistheid van de beschikkingen te controleren. De beroepsgrond slaagt niet.
Motiveringsbeginsel
6. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen het motiveringsbeginsel heeft geschonden. De Dienst Toeslagen mocht niet volstaan met een verwijzing naar het besluit van 6 februari 2024. De Dienst Toeslagen heeft niet gemotiveerd waarom de terugvordering wel of niet gematigd wordt. De Dienst Toeslagen is niet ingegaan op het betoog dat het inkomen van de huisgenoot van eiser, [persoon A] , buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat [persoon A] niet de toeslagpartner van eiser is.
6.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. De Dienst Toeslagen mocht volstaan met een verwijzing naar het besluit van 6 februari 2024, omdat de Dienst Toeslagen daarin ook al had vastgesteld dat eiser niet heeft toegelicht waarom het recht op huur- of zorgtoeslag op een te laag bedrag zou zijn vastgesteld. Omdat het herzieningsverzoek van eiser terecht is afgewezen, hoefde de Dienst Toeslagen niet (opnieuw) te beoordelen of de hoogte van de terugvorderingen moet worden gematigd. [7] In het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen echter inderdaad niet ingegaan op het betoog van eiser dat het inkomen van zijn huisgenoot buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Ook in het verweerschrift heeft de Dienst Toeslagen dat niet gedaan. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering en is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
6.2.
De rechtbank ziet echter aanleiding het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Het is aannemelijk dat eiser daardoor niet wordt benadeeld, omdat het evident is dat het betoog van eiser niet kan slagen. Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag bepaalt namelijk dat het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk zijn van de draagkracht van de huurder, diens partner en de medebewoners. De Dienst Toeslagen heeft het inkomen van [persoon A] dus terecht betrokken bij de berekening van het recht op huurtoeslag. De Dienst Toeslagen moet wel het griffierecht en de proceskosten van eiser vergoeden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. De Dienst Toeslagen moet het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van G. Machwirth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb.
4.Vgl. ABRvS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1624, r.o. 11.1.
5.Artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir.
6.Artikel 21 van Pro de Wet op de huurtoeslag en artikel 2 van Pro de Wet op de zorgtoeslag.
7.Artikel 26, tweede lid, van de Awir.