ECLI:NL:RVS:2023:1624
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderopvangtoeslag wegens overschrijding aanvraagtermijn
De appellant vroeg kinderopvangtoeslag aan voor zijn dochter voor dagopvang vanaf 1 mei 2019. De Belastingdienst kende aanvankelijk een voorschot toe, maar stelde later het recht op toeslag vast op € 0,00 omdat de appellant niet de gevraagde gegevens over buitenschoolse opvang had aangeleverd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de aanvraag voor een eerdere periode dan drie maanden voor de aanvraagdatum te laat was volgens artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (Wko).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de termijn niet op hem van toepassing zou moeten zijn, onder meer vanwege het evenredigheidsbeginsel en het ontbreken van fraude. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de wettelijke termijn dwingend is en geen ruimte laat voor afwijking, ook niet bij afwezigheid van fraude. Bovendien is toetsing aan het evenredigheidsbeginsel uitgesloten door het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro.
Ook het betoog dat de hoorplicht was geschonden werd verworpen. De dienst had voldoende pogingen gedaan om appellant te horen, en mocht bij uitblijven van duidelijke reactie ervan uitgaan dat appellant afzag van het recht op horen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het besluit van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag op nul euro bevestigd.