Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7027

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/10/710545 / FA RK 25-8924 en C/10/710512 / FA RK 25-8909
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verhuizing minderjarigen binnen Nederland en wijziging zorgregeling

De rechtbank Rotterdam behandelde twee zaken betreffende de verhuizing van minderjarige kinderen binnen Nederland en de wijziging van de zorgregeling tussen de ouders. De vrouw wilde met de minderjarigen verhuizen naar een andere plaats binnen Nederland, gesteund op een bepaling in het ouderschapsplan die haar dit toestond. De man betwistte dat deze toestemming onvoorwaardelijk en onherroepelijk was gegeven.

De rechtbank oordeelde dat het ouderschapsplan niet zodanig uitgelegd kan worden dat de man onvoorwaardelijke toestemming gaf voor verhuizing naar elke plek binnen Nederland. De belangen van de minderjarigen en het recht op inspraak van de andere ouder zijn hierbij van belang. De vrouw kon onvoldoende aantonen dat de verhuizing noodzakelijk was; het betrof vooral een keuze om samen te wonen met haar nieuwe partner. De rechtbank vond dat de verhuizing een te grote impact zou hebben op het contact tussen de minderjarigen en de vader.

Daarnaast verzocht de man om wijziging van de zorgregeling, met een gelijkwaardige verdeling van de zorg en een concreet vakantierooster. De rechtbank oordeelde dat de gewijzigde omstandigheden een uitbreiding van de zorgregeling rechtvaardigen en wijzigde het ouderschapsplan dienovereenkomstig. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Verzoek tot verhuizing van minderjarigen binnen Nederland afgewezen; zorgregeling gewijzigd ten gunste van uitbreiding omgangsregeling vader.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummers / rekestnummers:
C/10/710545 / FA RK 25-8924 (verhuizing) en
C/10/710512 / FA RK 25-8909 (wijziging zorgregeling)
Beschikking van 19 mei 2026 over de verhuizing en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaken tussen:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.N. Ziekman-Meijerink te Utrecht,
en
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S.A.E. van Poppel te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Voor de zaak met kenmerk C/10/710545 / FA RK 25-8924 blijkt het verloop van de procedure uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 november 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 1 april 2026;
- het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 1 april 2026.
1.2.
Voor de zaak met kenmerk C/10/710512 / FA RK 25-8909 blijkt het verloop van de procedure uit het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 20 november 2025.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die in 2023 is geëindigd.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
Partijen hebben op 20 december 2023 een ouderschapsplan ondertekend, inhoudende (voor zover van belang) het volgende:

Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats / inschrijving / verhuizing / paspoort / vakantie buitenland
Hoof[d]verblijfplaats en inschrijving
2.1
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij moeder. De kinderen staan op het adres van de moeder ingeschreven.
Verhuizing
De ouders spreken af dat het de moeder is toegestaan om binnen Nederland te verhuizen met medeneming van de kinderen.
[…]
Artikel 3 – Verzorging en opvoeding
3.1
De ouders zijn de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen.
Dagelijkse zorg/contactregeling
De ouders zijn onderstaande reguliere zorgregeling overeengekomen. Op zaterdag voetbalt de vader. De vader brengt de kinderen voor zijn wedstrijd bij de moeder en haalt de kinderen daar na zijn wedstrijd weer op. Voor het overige kan onderstaand schema worden aangehouden. In onderling overleg kan van onderstaand schema worden afgeweken.
NB: [minderjarige 2] gaat vanaf 1 februari 2024 naar de basisschool.
Vakantieregeling en feestdagen
3.2
De ouders bespreken per vakantie / feestdag hoe de verdeling eruit zal zien. De ouders zullen zich daarin flexibel opstellen en rekening houden met elkaars belangen (werk, voetbal) en die van de kinderen.
Sinterklaas en de verjaardag van de kinderen zullen de ouders in beginsel in gezamenlijk overleg samen vieren.
[…]
Overige kwesties
3.8
Zaken die zich aandienen waarvan aangenomen mag worden dat deze van bijzondere aard zijn, dan wel een nieuwe periode in het leven van de kinderen inleiden, zullen steeds zo mogelijk tijdig vooraf onderwerp van overleg tussen de ouders vormen.
[…]”
2.5.
Aan de ondertekening van het ouderschapsplan in december 2023 is een door de advocaat van de vrouw opgesteld concept voorafgegaan, waarin artikel 2.2 luidde als volgt:

Verhuizing
2.2
De ouders spreken af dat het de moeder is toegestaan om binnen Nederland te verhuizen met medeneming van de kinderen. Dit geldt ook voor een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [land] . Door ondertekening van dit ouderschapsplan geeft de vader zijn onvoorwaardelijke toestemming voor een verhuizing binnen Nederland en naar [land] . In geval van een verhuizing naar [land] zullen partijen in onderling overleg afspraken maken over een voor die situatie passende zorgregeling.”
De man heeft hier op 1 december 2023 de volgende opmerking bij geplaatst:
“ [land] wil ik uit dit document halen. Dat is voor mij erg belangrijk.”
2.6.
In juni 2024 heeft de vrouw samen met haar nieuwe partner, met wie zij sinds november 2023 een affectieve relatie heeft, een huis gekocht in [dorp] , een dorp in de gemeente [gemeente] .
2.7.
Begin augustus 2024 heeft de man via Whatsapp aan de vrouw gevraagd: “Je gaat toch niet in [gemeente] wonen he?”, waarop de vrouw heeft geantwoord: “Daar is nu nog geen sprake van! Voorlopig gaat het prima zo.”
2.8.
Half januari 2025 heeft de vrouw de man laten weten met ingang van schooljaar 2025/2026 te willen verhuizen naar [dorp] . De man heeft hierop gereageerd met de mededeling dat hij niet akkoord gaat met de voorgenomen verhuizing van de vrouw.
2.9.
Bij dagvaarding in kort geding van 20 maart 2025 heeft de vrouw gevorderd de man te veroordelen tot nakoming van de afspraak opgenomen in het ouderschapsplan dat
zij mag verhuizen binnen Nederland. Ook vorderde de vrouw vervangende toestemming om de minderjarigen in te schrijven op het adres van de vrouw te [dorp] en op een basisschool aldaar. Bij vonnis van 11 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van de vrouw afgewezen. De vrouw is hiervan in hoger beroep gegaan, waarna het vonnis van de voorzieningenrechter door het Gerechtshof Den Haag is bekrachtigd.
2.10.
In september 2025 zijn partijen een wijziging van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen. Die houdt in dat de minderjarigen in het omgangsweekend van de man tijdens de voetbalwedstrijd van de man niet meer bij de vrouw verblijven, maar dat zij dan worden opgevangen door de nieuwe partner van de man.

3.De beoordeling

3.1.
Mening [minderjarige 1]
3.1.1.
De oudste minderjarige, [minderjarige 1] , is door de rechtbank uitgenodigd om zijn mening te geven over de voorliggende verzoeken. De vrouw heeft de uitnodigingsbrief echter niet met [minderjarige 1] gedeeld, omdat hij (en zijn jongere broertje) niet op de hoogte zijn van de door de vrouw gewenste verhuizing. De vrouw wil dat pas met de minderjarigen delen als duidelijk is dat zij daadwerkelijk mag verhuizen. Uitgangspunt is dat kinderen die in staat zijn een eigen mening te vormen, het recht hebben die mening te geven over aangelegenheden die het kind betreffen. De rechtbank ziet er echter ook de waarde van in dat partijen de minderjarigen buiten hun geschillen hebben gehouden en de minderjarigen niet hebben belast met de zorgen en onzekerheid die deze procedures over hun toekomst meebrengen. Mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige 1] (hij werd pas een maand voor de mondelinge behandeling acht jaar oud), zal de rechtbank daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de voorliggende verzoeken zonder hem te hebben gehoord.
in de zaak met kenmerk C/10/710545 / FA RK 25-8924
3.2.
Nakoming ouderschapsplan
3.2.1.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot nakoming van de afspraak opgenomen in artikel 2.1 van het ouderschapsplan, inhoudende dat het de vrouw is toegestaan om binnen Nederland te verhuizen met medeneming van de minderjarigen.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
Tussen partijen is in geschil of artikel 2.1 van het ouderschapsplan zo kan worden uitgelegd dat de man de vrouw daarin onvoorwaardelijk en onherroepelijk toestemming geeft om met de minderjarigen te verhuizen naar een plek - waar ook - binnen Nederland. Is dat het geval, dan heeft de man op voorhand toestemming gegeven voor de voorgenomen verhuizing van de vrouw naar [dorp] , kan hij daar niet meer op terugkomen en is het verzoek van de vrouw toewijsbaar. De rechtbank is echter van oordeel dat het ouderschapsplan niet op deze wijze kan worden uitgelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.2.4.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat overeenkomsten, en dus ook een ouderschapsplan, moeten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, Haviltex). Bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf zijn niet alleen de bewoordingen van een overeenkomst van belang, maar komt het ook aan op de bedoeling die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarnaast heeft een overeenkomst niet alleen de gevolgen die partijen hebben afgesproken, maar ook de gevolgen die naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid volgen (artikel 6:248 lid 1 BW Pro). Dit brengt mee dat bij de redelijke uitleg van een overeenkomst over minderjarigen ook de belangen van de kinderen moeten worden betrokken.
3.2.5.
De bepaling in het ouderschapsplan over de verhuizing komt uit een voorstel van de vrouw. Gevraagd naar haar bedoeling daarbij, verklaart de vrouw dat zij de vrijheid wilde om haar leven opnieuw op te bouwen. Volgens de vrouw heeft zij dit ook zo aan de man toegelicht, maar de man betwist dat. Uit de stukken blijkt ook niet dat partijen hierover hebben gesproken. Volgens de man ging het overleg tussen partijen alleen over de conceptbepaling over een mogelijke verhuizing naar [land] . Toen die bepaling door de vrouw uit het ouderschapsplan werd gehaald, ging de man akkoord, zich niet realiserende dat hij de vrouw mogelijk een vrijbrief gaf voor een verhuizing door heel Nederland. De man verklaart dat hij in de veronderstelling was dat de vrouw altijd in de omgeving van [woonplaats 1] zou blijven wonen en dat eventuele veranderingen in overleg tussen partijen zouden gaan. De nieuwe relatie van de vrouw maakte dat niet anders, omdat die pas vlak voor de totstandkoming van het ouderschapsplan was ontstaan.
3.2.6.
Voor de rechtbank is duidelijk dat partijen verschillende veronderstellingen hadden ten aanzien van de betreffende bepaling en dat zij die niet naar elkaar hebben uitgesproken. Dit is voor de rechtbank relevant voor de vraag welke betekenis de man redelijkerwijs aan de bepaling mocht toekennen en wat hij in dat kader redelijkerwijs van de vrouw mocht verwachten. Van de vrouw, die anders dan de man door een advocaat werd geadviseerd, had mogen worden verwacht dat zij de man zou informeren over haar bedoeling om een onvoorwaardelijke en onherroepelijke toestemming voor een verhuizing (wanneer ook, naar een plek waar ook) binnen Nederland af te spreken. Dat geldt te meer omdat in de tweede (en laatste) versie van de bepaling het woord “onvoorwaardelijke” ook in de context tot een verhuizing binnen Nederland is weggehaald.
3.2.7.
Voor de rechtbank is verder relevant wat in artikel 3.8 van het ouderschapsplan staat, namelijk dat voor het leven van de minderjarigen belangrijke zaken steeds, zo mogelijk tijdig vooraf, onderwerp van overleg tussen partijen zullen zijn. Dit verhoudt zich niet tot een onvoorwaardelijke en onherroepelijke toestemming van de man voor een verhuizing (wanneer ook, naar een plek waar ook) binnen Nederland.
3.2.8.
Tot slot verzet het belang van de minderjarigen zich naar het oordeel van de rechtbank tegen een uitleg zoals de vrouw die bepleit. Toen het ouderschapsplan werd opgesteld, waren de minderjarigen drie en vijf jaar oud. De toestemming van de man zou naar de uitleg van de vrouw gelden voor de duur van het ouderschapsplan, te weten tot de 18-jarige leeftijd van de minderjarigen. De man zou dan op voorhand afstand doen van de inspraak die hij als gezaghebbende ouder heeft over een eventuele verhuizing in de toekomst, terwijl het onmogelijk is om een redelijke inschatting te maken van alle relevante omstandigheden die zich in zo’n lange toekomstige periode zullen gaan voordoen. Het is in het belang van de minderjarigen dat bij een eventuele verhuizing alle omstandigheden en belangen van dat moment worden meegewogen. Dat betekent dat een onvoorwaardelijke of onherroepelijke toestemming voor welke verhuizing dan ook, ook om die reden geen redelijke uitleg van het ouderschapsplan kan zijn.
3.2.9.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het verzoek van de vrouw tot nakoming van het ouderschapsplan moet worden afgewezen.
3.3.
Vervangende toestemming verhuizing
3.3.1.
De vrouw verzoekt ook haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar [dorp] te verhuizen, de minderjarigen in de BRP in te schrijven op het adres van de vrouw te [dorp] en de minderjarigen in te schrijven op basisschool [basisschool] te [dorp] .
3.3.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met de minderjarigen te verhuizen, staan de belangen van de minderjarigen weliswaar voorop, maar moet de rechter naar vaste rechtspraak bij de beslissing alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen.
3.3.4.
Tegenover het belang van een ouder bij wie de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarigen elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarigen of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;
  • de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
  • de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg.
3.3.5.
De rechtbank zal hierna deze omstandigheden beoordelen.
Noodzaak om te verhuizen
3.3.6.
De door de vrouw gestelde noodzaak om naar [dorp] te verhuizen komt er samengevat op neer dat zij wil gaan samenwonen met haar nieuwe partner, met wie zij een kind verwacht. De (huidige en toekomstige) ondernemingen van de nieuwe partner zijn gevestigd in en gebonden aan de regio [gemeente] . De nieuwe partner moet hier ook in de buurt wonen, omdat lange reisafstanden het risico op vermoeidheid en stress vergroten en daardoor een negatieve invloed kunnen hebben op zijn epilepsie. Als de nieuwe partner een epilepsieaanval krijgt (de laatste aanval was in augustus 2024), dan volgt daarop (telkens) een rijontzegging van een jaar.
3.3.7.
De rechtbank overweegt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden van haar nieuwe partner elke dag zijn fysieke aanwezigheid in de regio [gemeente] vereisen. De rechtbank gaat ervan uit dat hij als ondernemer de vrijheid heeft om zijn werkzaamheden anders in te richten, te verdelen met zijn compagnon of uit te besteden. De vrouw heeft ook onvoldoende toegelicht waarom hij een deel van zijn werk niet op afstand zou kunnen doen. De rechtbank begrijpt dat het voor de nieuwe partner van de vrouw (veel) makkelijker is om een en ander vanuit de regio [gemeente] te organiseren, maar dat betekent niet dat het onmogelijk is om met de vrouw in de huidige leefomgeving van de minderjarigen te gaan samenwonen. Ook is van belang dat een enkele reistijd van een uur (de nieuwe partner van de vrouw reist buiten de spits) voor woon-werkverkeer niet buitengewoon is.
3.3.8.
Dat de vrouw liever met de minderjarigen en haar nieuwe partner in [dorp] gaat samenwonen, berust eerder op een keuze dan op noodzaak. Zo heeft de man voorgesteld om meer zorg voor de minderjarigen te gaan dragen, zodat de vrouw vaker met haar nieuwe partner in [dorp] kan verblijven en die nieuwe partner minder vaak van [woonplaats 1] naar [gemeente] hoeft te reizen, maar daar stemt de vrouw niet mee in. Het voorstel van de man komt de rechtbank evenwel redelijk voor, mede gelet op de verklaring van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling dat zij de woning in [dorp] in eerste instantie alleen heeft meegekocht om vermogen op te bouwen en niet om er samen met haar nieuwe partner te gaan wonen. Dit verklaart ook de reactie begin augustus 2024 van de vrouw via Whatsapp naar de man dat er nog geen sprake was van wonen in [gemeente] (zie onder 2.7.). De vrouw heeft naast deze woning nog haar huidige woning in [woonplaats 1] ter beschikking, waar zij dan tijdens haar zorgtijd met de minderjarigen en eventueel haar nieuwe partner kan verblijven. De vrouw heeft onvoldoende concreet gemaakt dat deze woning, die van haar moeder is, op korte termijn wordt verkocht.
3.3.9.
Het feit dat de vrouw en haar nieuwe partner inmiddels een kind verwachten, is voor de rechtbank evenmin doorslaggevend, omdat ook dit berust op een keuze van de vrouw om haar gezin uit te breiden wetende (zeker na het kort geding vonnis van 11 april 2025) dat er nog geen toestemming was om met de minderjarigen naar [dorp] te verhuizen.
3.3.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is er kortom geen noodzaak voor de verhuizing.
Contact tussen de andere ouder en de minderjarigen
3.3.11.
De vrouw voert aan dat de verhuizing van de minderjarigen naar [dorp] geen invloed hoeft te hebben op de huidige zorgregeling. Die kan hetzelfde blijven, of zelfs worden uitgebreid in die zin dat de vrouw de minderjarigen op de betreffende woensdag en vrijdag al uit school (anders dan nu om 18:00 uur) naar de man kan brengen. De vrouw zal het brengen en halen van de minderjarigen naar en van de man voor haar rekening nemen. In de schoolvakanties kan de man, wat de vrouw betreft, de minderjarigen langer zien en ook extra op studiedagen.
3.3.12.
De rechtbank overweegt dat de man een belangrijke rol wil spelen in het leven van de minderjarigen en dat hij (al langer) een uitbreiding van de huidige zorgregeling wenst. De man ziet (in ieder geval) [minderjarige 1] ook buiten de overeengekomen zorgregeling, omdat hij als (hulp)trainer betrokken is bij zijn voetbalteam. De man is zelf in 2024 dichter bij huis gaan voetballen (hij was hiervoor doelman bij een club in de tweede divisie), zodat hij meer tijd heeft voor de minderjarigen. Als de vrouw echter met de minderjarigen naar [dorp] verhuist, is een significante uitbreiding van de zorgregeling definitief van de baan. Het is naar het oordeel van de rechtbank ook nog maar de vraag of de minderjarigen buiten het omgangsweekend van de man om, één (mid)dag en nacht per twee weken bij de man kunnen verblijven, gelet op alle buitenschoolse activiteiten van de minderjarigen (waaronder zwemles, voetbal en boksen). In ieder geval wordt het door een verhuizing van de minderjarigen naar [dorp] heel lastig voor de man om bij buitenschoolse activiteiten van de minderjarigen aan te sluiten. De vrouw voert weliswaar aan dat [minderjarige 1] , zolang hij dat wenst, in [woonplaats 1] kan blijven voetballen, maar de rechtbank is met de man van oordeel dat het aantal lange reisbewegingen dat hierdoor voor [minderjarige 1] zou ontstaan, niet in zijn belang is.
3.3.13.
Bovendien moeten de minderjarigen, bij instandhouding van de huidige zorgregeling, in ieder geval twee ochtenden in één week (maandag- en donderdagochtend) in de vroege ochtendspits door de Randstad heen reizen (langs Den Haag en Amsterdam). De rechtbank verwacht dat zij hierdoor veel langer dan de reguliere reistijd van circa één uur onderweg zijn naar school. Ook dat acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen.
3.3.14.
Een ruime compensatie aan contactmomenten voor de man in de schoolvakanties is naar het oordeel van de rechtbank evenmin in het belang van de minderjarigen. Zij moeten de schoolvakanties ook gedeeltelijk met hun moeder en halfzusje of -broertje kunnen doorbrengen. Los daarvan blijkt uit de stukken dat de man de vrouw al sinds april 2025 tevergeefs vraagt om het vastleggen van een concrete vakantieregeling en een regeling voor de feestdagen. De rechtbank twijfelt daarom aan de werkelijke bereidheid van de vrouw om de man in vakanties extra tegemoet te komen, althans of zo een regeling daadwerkelijk tot stand komt.
3.3.15.
De rechtbank is samengevat van oordeel dat een verhuizing van de minderjarigen naar [dorp] te grote gevolgen heeft voor het contact tussen de minderjarigen en de man.
Conclusie
3.3.16.
De rechtbank is vanwege al het bovenstaande van oordeel dat het belang van de minderjarigen om op te groeien in de nabijheid van beide ouders in de voor de minderjarigen vertrouwde omgeving, prevaleert boven het belang van de vrouw om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarigen, haar nieuwe partner en hun gezamenlijke kind, in [dorp] een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing met de minderjarigen naar [dorp] wordt daarom afgewezen. De daarmee samenhangende verzoeken om vervangende toestemming voor de BRP-inschrijving in [dorp] en inschrijving van de minderjarigen op een basisschool in [dorp] , worden ook afgewezen.
in de zaak met kenmerk C/10/710512 / FA RK 25-8909
3.4.
Wijzigingz
orgregeling
3.4.1.
De man verzoekt wijziging van het ouderschapsplan van 20 december 2023, in die zin dat de minderjarigen voortaan week op - week af bij ieder van de ouders zijn, waarbij de minderjarigen in de even weken bij de man verblijven en in de oneven weken bij de vrouw, met het wisselmoment op maandagmiddag na school. De man verzoekt hiernaast de vakanties en feestdagen voor de minderjarigen als volgt te verdelen:
- voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
- meivakantie: elke ouder één week, in onderling overleg te bepalen;
- zomervakantie: verdeling bij helfte, waarbij de regeling 2-2-1-1 wordt aangehouden. In de oneven jaren heeft de man de eerste twee weken en de vijfde week en in de even jaren andersom. Partijen kunnen er, indien zij van plan zijn om een rondreis te maken, voor kiezen de zomervakantie te verdelen in 3 weken aaneengesloten bij de man en 3 weken aaneengesloten bij de vrouw;
- herfstvakantie: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
- kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week, inclusief de kerstdagen, bij de man en de tweede week, inclusief oud en nieuw, bij de vrouw en in de even jaren andersom;
- Hemelvaart: conform zorgregeling;
- Pasen: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
- Pinksteren: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
- Vaderdag: bij de man, met een wissel op de voorgaande zaterdagavond na het avondeten, waarbij de man de minderjarigen op maandag naar school brengt;
- Moederdag: bij de vrouw, met een wissel op de voorgaande zaterdagavond na het avondeten, waarbij de vrouw de minderjarigen op maandag naar school brengt;
- verjaardagen van de minderjarigen: conform zorgverdeling, waarbij elke ouder de mogelijkheid heeft om de minderjarigen te zien op hun verjaardag. Partijen zullen hiervoor een moment creëren op de verjaardag zelf om met zijn vieren te zijn.
3.4.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.4.4.
De man voert aan dat hij de minderjarigen meer wil zien en dit inmiddels, ook gelet op hun huidige leeftijd, goed kan vormgeven. De man heeft sinds kort een nieuwe baan waarbij hij zijn werktijden flexibel kan indelen en deels vanuit huis kan werken. De man kan de minderjarigen hierdoor elke ochtend naar school brengen en, op één dag per week na, weer van school halen. Zijn nieuwe partner of ouders kunnen inspringen op de dag dat dit niet mogelijk is. Verder is de man bereid met zijn eigen voetbalactiviteiten te stoppen als blijkt dat dit niet goed met een uitbreiding van de zorg voor de minderjarigen te combineren valt.
3.4.5.
De rechtbank ziet in deze toelichting van de man een wijziging van omstandigheden die een uitbreiding van de zorgregeling rechtvaardigt. De wet hanteert gelijkwaardig ouderschap als uitgangspunt. De man wil zijn rol daar ook in pakken en heeft concrete stappen gezet om dat te kunnen doen. De vrouw stelt de intentie van de man bij zijn verzoek tot uitbreiding van de zorgregeling ter discussie, maar de rechtbank ziet daar geen aanleiding voor.
3.4.6.
Volgens de raad is een gelijkwaardige verdeling van de zorg het meest in het belang van de minderjarigen, mits dit zorgvuldig wordt opgebouwd. De zorg van de vrouw dat de man onderschat wat het inhoudt om voor een gelijkwaardig deel voor de minderjarigen te zorgen, geeft de rechtbank geen reden om van dit advies af te wijken. De man toont voldoende inzicht in de verantwoordelijkheid die hoort bij een significante uitbreiding van de zorgregeling. Het is nu aan de man om hier invulling aan te gaan geven.
3.4.7.
De rechtbank zal daarom de zorgregeling wijzigen in die zin dat de minderjarigen na de aankomende zomervakantie in de even weken bij de man verblijven en in de oneven weken bij de vrouw, met het wisselmoment op maandagmiddag na school. De opbouw zal plaatsvinden doordat de minderjarigen in de eerste vier weken na de datum van deze beschikking voorafgaand aan het omgangsweekend van de man, één dag extra bij de man zullen verblijven, te weten vanaf donderdag uit school, en hierna, tot aan de zomervakantie, voorafgaand aan het omgangsweekend van de man al vanaf woensdag uit school.
3.4.8.
Met betrekking tot de concrete verdeling van vakanties en feestdagen geeft de man aan dat hij behoefte heeft aan duidelijkheid. De vrouw kan zich vinden in de verzochte verdeling, maar wil Pasen, Hemelvaart en Pinksteren laten aansluiten op de reguliere zorgregeling. De rechtbank zal de vrouw daarin volgen, waarbij het wisselmoment op maandagavond zal zijn. De rechtbank wijst het verzoek van de man voor het overige toe. Partijen kunnen van de verdeling uiteraard in onderling overleg afwijken.
in beide zaken:
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank
in de zaak met kenmerk C/10/710545 / FA RK 25-8924:
4.1.
wijst de verzoeken van de vrouw af;
in de zaak met kenmerk C/10/710512 / FA RK 25-8909:
4.2.
wijzigt artikel 3.1 van het ouderschapsplan van 20 december 2023 in die zin, dat
de minderjarigen in de eerste vier weken na de datum van deze beschikking voorafgaand aan het omgangsweekend van de man, één dag extra bij de man zullen verblijven, te weten vanaf donderdag uit school, en hierna, tot aan de zomervakantie van 2026, voorafgaand aan het omgangsweekend van de man al vanaf woensdag uit school, en dat de minderjarigen na deze zomervakantie in de even weken bij de man verblijven en in de oneven weken bij de vrouw, met het wisselmoment op maandag uit school;
4.3.
wijzigt artikel 3.2 van het ouderschapsplan van 20 december 2023 in die zin, dat de vakanties en feestdagen als volgt tussen partijen worden verdeeld:
- voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
- meivakantie: elke ouder één week, in onderling overleg te bepalen;
- zomervakantie: verdeling bij helfte, waarbij de regeling 2-2-1-1 wordt aangehouden. In de oneven jaren heeft de man de eerste twee weken en de vijfde week en in de even jaren andersom. Partijen kunnen er, indien zij van plan zijn om een rondreis te maken, voor kiezen de zomervakantie te verdelen in 3 weken aaneengesloten bij de man en 3 weken aaneengesloten bij de vrouw;
- herfstvakantie: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
- kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week, inclusief de kerstdagen, bij de man en de tweede week, inclusief oud en nieuw, bij de vrouw en in de even jaren andersom;
- Hemelvaart: conform zorgregeling;
- Pasen: conform zorgregeling, met het wisselmoment op Tweede Paasdag in de avond;
- Pinksteren: conform zorgregeling, met het wisselmoment op Tweede Pinksterdag in de avond;
- Vaderdag: bij de man, met het wisselmoment op de voorgaande zaterdagavond na het avondeten, waarbij de man de minderjarigen op maandag naar school brengt;
- Moederdag: bij de vrouw, met het wisselmoment op de voorgaande zaterdagavond na het avondeten, waarbij de vrouw de minderjarigen op maandag naar school brengt;
- verjaardagen van de minderjarigen: conform zorgregeling, waarbij elke ouder de mogelijkheid heeft om de minderjarigen te zien op hun verjaardag. Partijen zullen hiervoor een moment creëren op de verjaardag zelf om met zijn vieren te zijn;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte;
in beide zaken:
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Veer, voorzitter en (kinder)rechter, mr. H.C.A. de Groot en mr. E. Lunenberg, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. B.J. Louter, griffier, op 19 mei 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.