ECLI:NL:RBROT:2026:7042

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/10/720607
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 13b OpiumwetArt. 1.3 huurovereenkomstArt. 1.4 huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing ontruiming winkelpand na drugshandel en wanprestatie huurder

De huurder exploiteert sinds 2014 een tabakswinkel in een pand van Hef Wonen. In 2025 werd het pand tijdelijk gesloten vanwege de vondst van een handelshoeveelheid diazepam (Valium). De burgemeester vond de sluiting noodzakelijk om de openbare orde te herstellen. De sluiting werd later ingetrokken vanwege onevenredige gevolgen voor de huurder, die de winkel wilde verkopen maar niet kon overdragen.

De kantonrechter ontbond de huurovereenkomst en veroordeelde de huurder tot ontruiming binnen 14 dagen, uitvoerbaar bij voorraad, vanwege illegale verkoop van Valium, verkoop van verboden vapes en sigaretten, en gebruik van het pand als MoneyGram-locatie zonder toestemming. De huurder stelde hoger beroep in en vorderde schorsing van de ontruiming totdat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake is van kennelijke misslagen in het vonnis en dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van Hef Wonen. De financiële belangen en gezondheid van de huurder en zijn echtgenote wegen niet zwaarder dan het belang van Hef Wonen bij ontruiming. De vordering tot schorsing wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720607 / KG ZA 26-522
Vonnis in kort geding van 12 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J. Slager,
tegen
STICHTING HEF WONEN,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Hef Wonen,
advocaat: mr. Y.F. Rijswijk.

1.De zaak in het kort

In dit executiegeschil vordert [eiser] een veroordeling tot ontruiming van een door hem gehuurd winkelpand te schorsen totdat in het daartegen ingestelde hoger beroep uitspraak is gedaan. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 2 juni 2026, met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord van Hef Wonen;
- producties 10 en 11 van [eiser] en de wijziging van eis van [eiser];
- de pleitaantekeningen van mr. Slager.
2.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 11 juni 2026.

3.De feiten

3.1.
[eiser] huurt sinds 1 september 2014 van Hef Wonen een bedrijfsruimte, gelegen aan de [adres] (hierna: het pand). [eiser] exploiteert een tabakswinkel onder de naam ‘[naam winkel]’ in het pand.
3.2.
Bij besluit van 1 april 2025 heeft de burgemeester van Rotterdam het pand voor de duur van drie maanden gesloten, omdat er een handelshoeveelheid verdovende middelen (5.375 pillen á 10 mg diazepam (valium)) in het pand is aangetroffen.
3.3.
Op 3 april 2025 heeft de voorzieningenrechter (bestuursrecht) van deze rechtbank het in 3.2 genoemde besluit van de burgemeester, in afwachting van een nog te houden zitting, geschorst, omdat de sluiting van het pand is gebaseerd op een incident dat al op 19 december 2024 heeft plaatsgevonden en niet is gebleken van een zodanige urgentie dat de zitting niet kan worden afgewacht. Bij uitspraak van 30 april 2025 is deze ordemaatregel opgeheven en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat
“de burgemeester de sluiting noodzakelijk heeft mogen vinden om verdere aantasting van het woon- en leefklimaat in de buurt van de winkel en herhaling te voorkomen, de openbare orde te herstellen en de bekendheid van het pand in het criminele (drugs)circuit te doorbreken.”
3.4.
Op 31 juli 2025 volgt de beslissing op het door [eiser] ingestelde bezwaar en wordt het besluit van 1 april 2025 ingetrokken, omdat er, hoewel sprake is geweest van overtreding van artikel 13b Opiumwet, de sluiting van het pand onevenredige gevolgen heeft voor [eiser]. In de beslissing op bezwaar staat daarover het volgende:
“Voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar heeft u namens uw cliënt een sommatie tot opzegging van de huurovereenkomst en een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst ingebracht. Uw cliënt heeft meerdere malen benadrukt dat hij de winkel wil verkopen en zelf niet meer wil exploiteren. Vaststaat dat de pandeigenaar de huurovereenkomst met uw cliënt buitengerechtelijk heeft ontbonden of zal ontbinden. Dat betekent dat uw cliënt na de sluiting van het pand niet meer zal kunnen terugkeren om zijn winkel verder te exploiteren. Daarnaast heeft de pandeigenaar laten weten niet te zullen instemmen met een indeplaatsstelling van een nieuwe huurder, zodat de verkoop van de winkel aan een nieuwe exploitant om die reden niet mogelijk is. Dit betekent dat uw cliënt zelf geen inkomsten meer kan genereren uit de winkel, maar de winkel ook niet kan verkopen en overdragen aan een derde.”
3.5.
De kantonrechter in deze rechtbank heeft bij vonnis van 1 mei 2026 (hierna: het Vonnis) de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [eiser] veroordeeld om het pand binnen 14 dagen na betekening van het Vonnis te ontruimen. Het Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter overwoog onder andere het volgende:
“2.3. Ten eerste heeft [eiser] zich niet als goed huurder gedragen door zich in het gehuurde bezig te houden met illegale activiteiten (artikel 7:213 BW Pro). [eiser] heeft niet betwist dat hij op 19 december 2024 10 doosjes Valium en op 20 december 2024 nog eens 200 doosjes Valium heeft verkocht. Valium is een merknaam van de werkzame stof diazepam. Diazepam staat op lijst II van de Opiumwet. [eiser] heeft dus door in het gehuurde meermaals Valium te verkopen de Opiumwet overtreden. Vast staat dat een handelshoeveelheid Valium in het gehuurde aanwezig was. Dat er geen strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden is niet van belang. Ook de omstandigheid dat de burgemeester het besluit om de bedrijfsruimte voor de duur van drie maanden te sluiten heeft teruggedraaid en zich beperkt heeft tot het geven van een waarschuwing maakt niet dat geen sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst.
(..)
2.5.
Daarnaast zijn er ook vapes met smaakjes in het gehuurde aangetroffen terwijl [eiser] weet dat het sinds 1 januari 2024 niet is toegestaan om deze vapes te verkopen. Ook zijn er sigaretten met buitenlandse teksten in het gehuurde aangetroffen. [eiser] heeft over deze sigaretten tegenstrijdige verklaringen afgelegd. [eiser] heeft tegenover de politie verklaard dat hij deze sigaretten verkoopt, omdat er mensen in de bijstand zitten die normale sigaretten niet meer kunnen betalen. [eiser] heeft tijdens de zitting echter verklaard dat de sigaretten toevallig in de winkel lagen en dat hij die zou meenemen naar huis.
(..)
2.7.
Ten tweede heeft [eiser] gehandeld in strijd met de bestemming van het gehuurde (artikel 1.3 en 1.4 van de huurovereenkomst). Artikel 1.3 bepaalt dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als winkelruimte ten behoeve van de verkoop van lectuur- en tabaksartikelen, alsmede de verkoop van school- en kleine kantoorartikelen. Artikel 1.4 bepaalt dat het huurder niet is toegestaan om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in artikel 1.3.
2.8.
Vast staat dat de verkoop van Valium niet onder de bestemming van het gehuurde valt. Verder staat vast dat [eiser] het gehuurde heeft gebruikt als MoneyGram-locatie. Dat is een dienst waarmee geld kan worden verstuurd naar het buitenland. Ook deze activiteit hoort niet bij de bestemming van het gehuurde. Dat iedere tabakswinkel dergelijke activiteiten ontplooit, wat daar ook van zij, is geen rechtvaardiging. Niet in geschil is dat
[eiser] geen toestemming heeft gevraagd aan Hef Wonen voor het verrichten van deze activiteiten. [eiser] mocht het gehuurde dan ook niet gebruiken voor deze activiteiten.
2.9.
De tekortkomingen zijn ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [eiser] voor zijn inkomen afhankelijk is van het gehuurde. Daar staat echter tegenover dat Hef Wonen niet hoeft te dulden dat huurders van haar de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst niet nakomen. Hef Wonen heeft ook een verplichting om bij te dragen aan de leefbaarheid in de buurt van haar onroerende zaken. Die leefbaarheid komt door de door [eiser] in de bedrijfsruimte ontplooide illegale druggerelateerde activiteiten in het geding.
3.6.
[eiser] heeft op 27 mei 2026 hoger beroep ingesteld tegen het Vonnis.
3.7.
Hef Wonen heeft het Vonnis op 30 mei 2026 betekend. Daarbij is aangezegd dat het pand op 16 juni 2026 wordt ontruimd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – na wijziging van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van de in 3.2 van het Vonnis uitgesproken veroordeling tot ontruiming te schorsen totdat op het ingestelde hoger beroep is beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel), met veroordeling van Hef Wonen in de proceskosten.
4.2.
Hef Wonen voert verweer. Hef Wonen concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Het toetsingskader
5.1.
De kantonrechter heeft het Vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat Hef Wonen het Vonnis direct ten uitvoer kan (laten) leggen. Hef Wonen hoeft de uitkomst van het hoger beroep dat [eiser] heeft ingesteld, niet af te wachten. De voorzieningenrechter kan desalniettemin ingrijpen als sprake is van een kennelijke misslag, nieuwe feiten en omstandigheden en, omdat de beslissing om het Vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niet gemotiveerd is, op grond van een afweging van de belangen van partijen. Voor dat laatste gaat het om de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet in hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Hef Wonen om het Vonnis nu al ten uitvoer te kunnen leggen. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep wordt buiten beschouwing gelaten. [eiser] heeft zich niet op nieuwe feiten en omstandigheden beroepen maar wel op kennelijke misslagen en een afweging van de belangen. Een kennelijke misslag is een evidente direct in het oog springende fout. Wanneer, bijvoorbeeld, meerdere stukken moeten worden geraadpleegd om te beoordelen dat/of sprake is van een misslag is van evidentie al geen sprake.
Er is geen sprake van kennelijke misslagen
5.2.
[eiser] benoemt een aantal misslagen. De eerste is dat de kantonrechter ten aanzien van de doosjes valium die in het pand aanwezig waren niet heeft meegewogen dat deze in het kader van een pseudokoop waren bezorgd. Hij stelt voorts dat op geen enkele wijze is komen vast te staan dat hij illegale vapes en sigaretten in het gehuurde heeft verkocht.
Voor wat betreft het eerste wordt overwogen dat het Vonnis niets expliciet vermeldt over een pseudokoop. Niet valt echter in te zien waarom dat een kennelijke misslag oplevert. Uit het Vonnis valt niet af te leiden dat over dat punt gedebatteerd is. En als [eiser] dat punt in de procedure aan de orde heeft gesteld, dan is geen sprake van een misslag, maar hooguit van een onvoldoende motivering van het Vonnis (HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:429). Datzelfde geldt voor zover [eiser] zich beroept op overwegingen van de bezwaaradviescommissie van de gemeente Rotterdam op dit punt.
Over de verkoop van illegale vapes en sigaretten overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de bestuurlijke rapportage, die is opgemaakt door een inspecteur van politie, staat dat [eiser] tegenover de politie heeft verklaard dat hij deze heeft verkocht, met de toevoeging dat hij dat doet omdat er mensen in de bijstand zitten die normale sigaretten niet meer kunnen betalen. In het Vonnis is verwezen naar die verklaring en is overwogen dat [eiser] tijdens de zitting echter verklaard heeft dat de sigaretten toevallig in de winkel lagen en dat hij die zou meenemen naar huis. Dat is als tegenstrijdig aangemerkt. In dit kort geding stelt [eiser] weer wat anders, namelijk dat de artikelen in een big shopper achter in het magazijn lagen. Hij ontkent bovendien dat hij heeft verklaard zoals in de bestuurlijke rapportage is opgenomen en wijst er in dat kader op dat zijn verklaring hem niet is voorgehouden en dat hij ook niets heeft ondertekend. Hij voegt daar aan toe dat hij die dag een hypo kreeg en pas op het politiebureau medicatie. Daardoor weet hij weinig meer van die dag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het steeds wisselend verklaren over de illegale vapes en sigaretten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de in dit kort geding ingenomen stellingen van [eiser]. In dat kader wordt meegewogen dat de verklaring van [eiser], zoals weergegeven in de bestuurlijke rapportage, heel specifiek en gedetailleerd is. Het betreft bovendien een stuk dat op ambtseed is opgemaakt. Maar wat daar ook van zij, ook op dit punt is geen sprake van een kennelijke misslag in de zin van een direct in het oog springende evidente fout. Dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen, zoals de kantonrechter overwoog, lijkt immers juist.
5.3.
Volgens [eiser] is een tweede misslag erin gelegen dat de kantonrechter het gebruik van het gehuurde als MoneyGramlocatie, in strijd met de bestemming, heeft meegewogen. [eiser] beroept zich erop dat Hef Wonen dat niet aan de ontbindingsvordering ten grondslag heeft gelegd. Vooropgesteld zij dat in het Vonnis niet is uitgeschreven wat Hef Wonen heeft gevorderd en aan die vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Hef Wonen heeft erkend dat het gebruik als MoneyGramlocatie niet in de inleidende dagvaarding voor de bodemprocedure is genoemd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat dit aspect tijdens de mondelinge behandeling besproken is en dat zij dit toen als extra grondslag aan haar vorderingen heeft toegevoegd, wat procesrechtelijk is toegestaan. [eiser] heeft daar niet op gereageerd en is blijven vasthouden aan de grondslagen in de dagvaarding die tot het Vonnis heeft geleid. Dat sprake is van een evidente, direct in het oog springende, fout kan gelet op het voorgaande dan ook niet worden vastgesteld.
5.4.
Alles bij elkaar genomen is dus geen sprake van kennelijke misslagen. Wat [eiser] in de overwegingen en oordelen van de kantonrechter aanduidt als kennelijke misslagen komt neer op een (verkapt) appel daartegen dan wel tegen de motivering daarvan. Voor zover [eiser] een beroep doet op de wijze waarop Hef Wonen andere zakelijke huurders behandelt, stuit dat beroep af op het oordeel dat [eiser] onvoldoende concreet heeft gemaakt en heeft onderbouwd dat dat Hef Wonen gelijke gevallen ongelijk behandelt.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van Hef Wonen
5.5.
Dan rest nog een belangenafweging. [eiser] benoemt in dat kader financiële belangen en wijst op de gezondheidssituatie van hem en zijn echtgenote. Die financiële belangen heeft de kantonrechter al gewogen, zo volgt uit r.o. 2.9. van het Vonnis. Dat betekent dat opnieuw aan de orde willen stellen daarvan, ook als is dat mogelijk (iets) concreter dan in de procedure bij de kantonrechter, neerkomt op een verkapt appel. De gezondheid van de echtgenote weegt de voorzieningenrechter niet mee omdat zij, blijkbaar, geen huurder is (en ook geen procespartij). Uit de stellingen en stukken van [eiser] volgt dat zijn eigen (fysieke) gezondheidstoestand voor een belangrijk deel niet nieuw maar chronisch is. Uit het Vonnis leidt de voorzieningenrechter af dat dit in de procedure bij de kantonrechter niet aan de orde geweest is. De voorzieningenrechter wil de gezondheid van [eiser] niet bagatelliseren, aannemelijk is dat de hele kwestie impact heeft. Dat is echter onvoldoende om de ontruiming te verbieden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking het niet (gemotiveerd) betwiste zero-tolerance beleid van Hef Wonen, alles wat hiervoor is overwogen evenals de oordelen van de kantonrechter over de verschillende grondslagen van de ontbindings- en ontruimingsvorderingen, anders geformuleerd de ernst van de wanprestatie.
[eiser] krijgt ongelijk en moet de proceskosten van Hef Wonen betalen
5.6.
De vordering van [eiser] wordt, gelet op wat hiervoor is overwogen, afgewezen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Hef Wonen betalen. Deze kosten worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.684,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.684,00, te vermeerderen met € 98,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, plus de kosten van betekening als dit vonnis wordt betekend;
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling in 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
3608/2009