Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7124

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3330
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering na herhaald verzoek zonder nieuwe feiten

Verzoekster heeft op 24 juni 2025 een WIA-uitkering aangevraagd, welke door het UWV op 8 december 2025 is afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na een eerste afgewezen voorlopige voorziening op 16 maart 2026, verzocht zij opnieuw om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van nieuwe feiten of ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak die toewijzing rechtvaardigen. Hoewel verzoekster een verslechterde financiële situatie aanvoert, is dit onvoldoende om het verzoek toe te wijzen. Ook inhoudelijke bezwaren tegen het UWV-besluit, waaronder discrepanties met medische verklaringen, zijn reeds eerder beoordeeld en vormen geen grond voor herziening.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat verzoekster een nieuwe WIA-aanvraag kan indienen indien haar belastbaarheid sinds de datum in geding is afgenomen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een WIA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of ernstige onvolkomenheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3330

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).

Samenvatting

1. Met het bestreden besluit heeft het UWV de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. Een eerder verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak of van een belangrijke wijziging in de relevante omstandigheden geen sprake is en wijst daarom het verzoek af.

Procesverloop

2. Verzoekster (geboren in 1999) heeft op 24 juni 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 8 december 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 26/1101). Met de uitspraak van 16 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dat verzoek afgewezen.
3. Verzoekster heeft op 19 april 2026 opnieuw om een voorlopige voorziening verzocht. Over dit verzoek gaat deze uitspraak.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (tevens partner) van verzoekster en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
5. Verzoekster heeft sinds 15 december 2022 gewerkt als tweedejaars leerlingbegeleider bij [stichting] voor gemiddeld 26,90 uur per week tegen een uurloon van € 17,78 (de maatgevende arbeid).
6. Op 25 september 2023 heeft verzoekster zich ziek gemeld met diverse fysieke klachten. Verzoekster lijdt aan het Ehlers Danlos Syndroom (EDS), het mestcelactivatiesyndroom (MCAS) en (vermoedelijk) het Posturaal Orthostatisch Tachycardie Sydroom (POTS).
7. De verzekeringsarts van het UWV heeft per 17 oktober 2025 (de datum in geding) de functionele mogelijkheden van verzoekster vastgesteld. Op basis van dossieronderzoek, informatie van de behandelaars en de anamnese is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat bij verzoekster sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden voor het kunnen verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. De benutbare mogelijkheden zijn door de verzekeringsarts vastgelegd in het medisch onderzoeksverslag van 17 oktober 2025 en weergegeven in de (kritische) Functionele mogelijkhedenlijst (FML).
8. De arbeidsdeskundige heeft op basis van dossieronderzoek, het gesprek met verzoekster op 8 december 2025, de bevindingen van de verzekeringsarts en de raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) de verdiencapaciteit van verzoekster vastgesteld op € 17,83. Dat betekent dat verzoekster, mits rekening wordt gehouden met haar beperkingen, in staat is ongeveer hetzelfde te verdienen als met de maatgevende arbeid. De arbeidsdeskundige heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage daarom vastgesteld op 0,00%.
Waar gaat deze zaak om?
9. Het UWV heeft de aanvraag om een WIA-uitkering afgewezen omdat uit de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige blijkt dat verzoekster ondanks haar beperkingen in staat kan worden geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Verzoekster is dus minder dan 35% arbeidsongeschikt. Daarom komt zij niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.
10. Verzoekster is het met dit besluit niet eens en wil met haar verzoek bereiken dat haar een voorschot op een WIA-uitkering wordt verstrekt, totdat op haar bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
12. Verzoekster heeft eerder om een voorlopige voorziening verzocht. Dat verzoek heeft geleid tot de uitspraak van 16 maart 2026. Het gaat in deze zaak dus om een herhaald verzoek. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen dan voor toewijzing in aanmerking komen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. [1] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aan dit criterium voldaan.
13. Verzoekster heeft aangevoerd dat haar financiële situatie sinds de eerdere uitspraak ernstig is verslechterd. De partner van verzoekster is niet in staat om met alleen zijn inkomen alle betalingsverplichtingen te voldoen. Inmiddels is sprake van drie maanden huurachterstand en de verhuurder dreigt met een ontruimingsprocedure. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om deze stellingen in twijfel te trekken. De problematische financiële situatie van verzoekster is op zichzelf echter onvoldoende reden om het herhaalde verzoek toe te wijzen. Daarbij is van belang dat ook in de eerdere uitspraak al een spoedeisend belang is aangenomen. Het verzoek is om inhoudelijke redenen afgewezen.
14. Verzoekster heeft ook – opnieuw – inhoudelijke bezwaren tegen het besluit van het UWV aangevoerd. Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake is van een grote discrepantie tussen de conclusie van het UWV dat verzoekster volledig kan werken en het feit dat uit de brief van haar revalidatiearts van januari 2026 volgt dat verzoekster zelfs niet voldoende belastbaar is om poliklinische revalidatiebehandelingen te volgen. Verder heeft verzoekster onder meer aangevoerd dat het UWV ten onrechte slechts spreekt van een “vermoeden” van POTS.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster de medische informatie die zij in deze procedure heeft overgelegd, waaronder de verklaring van de revalidatiearts van januari 2026, ook bij haar eerdere verzoek al had overgelegd. Deze stukken zijn door de voorzieningenrechter meegenomen in de uitspraak van 16 maart 2026. Het gaat dus niet om nieuwe informatie. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van 16 maart 2026 ernstige onvolkomenheden bevat. Dat het UWV spreekt van een “vermoeden” van POTS wijst niet op zo’n ernstige onvolkomenheid, alleen al niet omdat niet zonder meer duidelijk is waarom dit van invloed zou zijn op de door het UWV getrokken conclusie. Ook de genoemde discrepantie tussen het standpunt van het UWV en de brief van de revalidatiearts leidt niet tot het oordeel dat de eerdere uitspraak ernstige onvolkomenheden bevat. Daarbij is van belang dat uit deze brief niet duidelijk wordt op basis van welk onderzoek de revalidatiearts tot zijn bevindingen is gekomen. Bovendien dateert de brief van na de datum in geding. Wat verzoekster verder heeft aangevoerd, geeft evenmin aanleiding voor de conclusie dat het verzoek om een voorlopige voorziening nu wel toewijsbaar is.
16. De voorzieningenrechter merkt nog op dat, indien verzoekster meent dat haar belastbaarheid sinds de datum in geding is afgenomen als gevolg van toegenomen beperkingen, zij een nieuwe WIA-aanvraag kan doen, zoals het UWV ter zitting ook heeft bevestigd.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen WIA-uitkering krijgt of voorschotten daarop. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
De rechter is verhinderd te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.