Art. 6 FaillissementswetArtikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing faillissementsverzoek wegens betwisting vorderingen en verrekening
Verzoeksters hebben een faillissementsverzoek ingediend tegen verweerster wegens een gezamenlijke vordering van ruim €1,2 miljoen, gebaseerd op een proceskostenveroordeling in een onherroepelijk Spaans vonnis. Verweerster betwist deze vorderingen gemotiveerd en stelt dat deze zijn voldaan door verrekening met een omvangrijke tegenvordering die onderwerp is van een lopende procedure in Madrid.
De rechtbank heeft het verzoekschrift en het verweerschrift uitgebreid bestudeerd, waarbij verzoeksters nog aanvullende producties hebben ingediend. Verweerster heeft bezwaar gemaakt tegen het indienen van nieuwe producties ter zitting, maar dit bezwaar is verworpen. De rechtbank heeft ook een beroep op cessie van de vordering buiten beschouwing gelaten vanwege procesorde.
De rechtbank oordeelt dat op basis van summier onderzoek niet kan worden vastgesteld dat verzoeksters een opeisbare vordering hebben, mede omdat het beroep op verrekening niet zonder redelijke kans van slagen is. Daarom wordt het faillissementsverzoek afgewezen en wordt verder onderzoek achterwege gelaten. Verzoeksters worden veroordeeld in de proceskosten van verweerster.
Uitkomst: Het faillissementsverzoek wordt afgewezen omdat de vorderingen betwist zijn en het beroep op verrekening niet zonder redelijke kans van slagen is.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
[verzoeker 1]
(hierna ook te noemen: [verzoeker 1] )
en
[verzoeker 2]
(hierna ook te noemen: [verzoeker 2] )
beiden gevestigd te [locatie 1]
verzoeksters
advocaat: mr. S. van Buuren
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerster] .
(hierna ook te noemen: [verweerster] )
gevestigd te [locatie 2]
verweerster
advocaten: mr. C.F.W.A. Hamm, mr. J.W. de Haan
1.De procedure
Het verzoek met producties is op 19 maart 2026 ter griffie van de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft partijen opgeroepen voor de behandeling van 21 april 2026 om 10:30 uur.
Op 20 april 2026 is door verweerster een verweerschrift ingediend. Gezien de omvang van het verweerschrift en het korte tijdsbestek van indiening hebben verzoeksters om aanhouding van twee weken verzocht.
Op 12 mei 2026 zijn in raadkamer verschenen en gehoord:
mr. S. van Buuren, advocaat van verzoeksters;
mr. C.F.W.A. Hamm, procesadvocaat van verweerster;
mr. J.W. de Haan, advocaat van verweerster;
dhr. [naam 2] , middellijk bestuurder van verweerster.
Op 12 mei 2026 is ter zitting door verzoeksters een pleitnotitie, met producties, overgelegd en voorgedragen. Door verweerster zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Verweerster heeft bezwaar gemaakt tegen het ter zitting indienen van producties. De rechtbank heeft dit bezwaar verworpen. Ook tegen de hierna te bespreken verdeling (cessie) van de vordering van verzoeksters en ter zitting mededelen daarvan is bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft beslist dat een beroep op deze verdeling van de vordering in strijd komt met de regels van een goede procesorde en door de rechtbank buiten beschouwing zal worden gelaten omdat het feit en rechtsgevolg van de gestelde verdeling pas op de mondelinge behandeling naar voren wordt gebracht en verweerster onvoldoende gelegenheid heeft om zich daartegen te verweren.
De uitspraak is bepaald op heden.
2.Standpunten verzoeksters
Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift, aangevuld met producties, en ter zitting (samengevat) gesteld dat verzoeksters een gezamenlijke vordering hebben op [verweerster] van € 1.239.547,95 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2021. De vordering betreft een proceskostenveroordeling in een onherroepelijk vonnis van een Spaanse rechter tussen partijen. Tussen verzoeksters en [verweerster] zijn in Spanje meerdere procedures gaande (geweest) over de afwikkeling van hun financieringsrelatie en de uitwinning van bijbehorende zekerheden en vorderingen over en weer.
[verweerster] heeft geen vordering uit hoofde van een geldlening of wat dan ook op [verzoeker 2] en kan zich dus ook niet rechtsgeldig op verrekening beroepen. Er zijn nog meer schuldeisers dan verzoeksters, ook de [naam 1] heeft conform het vonnis van de rechtbank te Marbella van 9 juni 2023 een vordering op [verweerster] wegens een kostenveroordeling. Over de hoogte van deze vordering wordt in Spanje nog geprocedeerd, maar om als steunvordering te kunnen worden toegelaten behoeft de hoogte
van het te betalen bedrag nog niet vast te staan. Voorts wordt verwezen naar de publicatiebalansen van [verweerster] vanaf 2017-2024. Daaruit blijkt dat blijkt dat [verweerster] vanaf het jaar 2017 elk jaar alleen maar verlies heeft geleden en dat de
totale schulden vanaf het jaar 2017 tot en met het jaar 2024 zijn opgelopen van € 22.550.626,- tot € 24.999.765,-. De schulden overtreffen ruimschoots de bezittingen, waardoor [verweerster] materieel gezien failliet is.
[verweerster] maakt misbruik van recht door over alles en nog wat in Spanje te gaan procederen en vervolgens bij verlies principieel hoger beroep in te stellen. Verzoeksters hebben recht en belang bij het uitspreken van het faillissement van [verweerster] en persisteren in hun verzoek.
3.Standpunten [verweerster]
heeft (samengevat) gesteld dat zij is overgegaan tot uitwinning van de door [verzoeker 1] aan haar verstrekte zekerheden vanwege financieringen die zij aan [verzoeker 1] heeft vertrekt. Deze uitwinning is ten aanzien van diverse gelieerde vennootschappen inmiddels gerealiseerd. Ten aanzien van [verzoeker 1] heeft de bevoegde Spaanse rechter geoordeeld dat de betreffende hypotheekinschrijving een formeel gebrek vertoonde, waardoor executie van die specifieke zekerheid tot verhaal van de vordering van [verweerster] niet mogelijk is. Dat oordeel laat echter onverlet, dat [verweerster] een vordering heeft op [verzoeker 1] , namelijk:
- een vordering uit hoofde van de verstrekte (niet op het onroerend goed verhaalbare
hypothecaire) geldlening van € 41 miljoen aan hoofdsom te vermeerderen met
rente (in totaal: € 166,7 miljoen);
- een vordering uit hoofde van de Credit Facility Agreement (CFA) van € 6,5 miljoen aan hoofdsom en € 6,4 miljoen + p.m. aan rente; in totaal € 12,9 miljoen+ p.m en,
- vorderingen uit hoofde van borgtochten voor ruim € 24 miljoen.
De financieringen, leningen en borgtochten zijn opeisbaar geworden na opzegging van de financieringsrelatie in 2016. De genoemde vorderingen zijn onderwerp van diverse procedures tussen partijen in Spanje, waarin [verweerster] aanspraak maakt op voldoening van haar vorderingen. Tegen deze achtergrond dient ook het onderhavige geschil te worden begrepen: [verzoeker 1] heeft zeer hoge schulden aan [verweerster] en [verweerster] is dus per saldo niets verschuldigd. [verweerster] wil ook niets betalen aan verzoeksters omdat de Spaanse rechter de desbetreffende vorderingen van [verweerster] zal toewijzen en een eventuele tussentijdse betaling door [verweerster] naar verwachting niet zal worden terugbetaald.
Verzoeksters hebben geen opeisbare vordering op [verweerster] in de zin van artikel 6 FaillissementswetPro. De door verzoeksters gestelde vordering uit hoofde van een proceskostenveroordeling is betaald door middel van verrekening en bestaat derhalve niet meer. Dat blijkt uit de verrekeningsverklaring die [verweerster] op 17 september 2025 heeft
uitgebracht (productie 9 bij het verzoekschrift). Daarin is verklaard dat [verweerster] de
vordering uit hoofde van de proceskostenveroordeling heeft verrekend met het bedrag dat
[verzoeker 1] aan haar verschuldigd is uit hoofde van de CFA. [verweerster] is bevoegd om haar schuld aan [verzoeker 1] te verrekenen op grond van de bepalingen van de CFA en
het op de rechtsverhouding toepasselijke Spaanse recht. Daarnaast is de vordering van [verweerster] op [verzoeker 1] uit hoofde van de CFA na deze verrekening onderwerp van een lopende procedure bij de rechtbank in Madrid. In die procedure vordert [verweerster] betaling van het na verrekening resterende bedrag van € 11.698.217,50, te vermeerderen met rente en kosten. Voor zover dat anders is, subsidiair, schort [verweerster] haar verplichting tot nakoming van het betalen van de proceskostenveroordeling op vanwege haar vordering op verzoeksters uit hoofde van de hypothecaire geldleningen en de CFA en hun toerekenbare tekortkoming in de verplichting tot terugbetaling daarvan.
Verzoeksters stellen ook dat de proceskostenveroordeling een gezamenlijke vordering van
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] is. Dat is onjuist. Slechts [verzoeker 1] heeft een vordering uit hoofde van de
proceskostenveroordeling. [verzoeker 2] heeft geen vordering op [verweerster] . Dit blijkt uit het
verzoek tot vaststelling van de proceskosten, dat uitsluitend door [verzoeker 1] is ingediend,
alsmede uit de daaropvolgende beslissing van de rechtbank te Marbella, waarin de
proceskosten uitsluitend ten gunste van [verzoeker 1] zijn toegewezen. Ook hier geldt dat voor zover dit anders is, deze vordering door genoemde verrekening is tenietgegaan.
Bovendien is de vordering van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] volgens hen zelf niet eens van aanvragers, maar van Lexlite, SLP. Verwezen wordt naar productie 11 bij het faillissementsverzoek: de notariële akte van cessie aan Lexlite, SLP van 7 mei 2024 waarbij die proceskostenveroordelingen zijn overgedragen.
Van een toestand dat [verweerster] is opgehouden te betalen in geen sprake. [verweerster] betaalt verzoeksters niet om de genoemde redenen van verrekening en subsidiair schort [verweerster] de betaling op omdat sprake is van een inhoudelijk omvangrijk geschil over de gestelde vordering.
Het faillissementsverzoek wordt niet aangewend voor het doel waarvoor deze bevoegdheid is verleend, namelijk de liquidatie van verhaalsvermogen bij samenloop van schuldeisers. Het wordt hier gebruikt als tactisch instrument in een omvangrijk geschil tussen partijen.
[verweerster] verzoekt het verzoek af te wijzen en verzoeksters te veroordelen in de kosten van het geding.
4.De beoordeling
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 VerordeningPro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verweerster] in Nederland ligt.
Ingevolge artikel 6 vanPro de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek had na een kort, eenvoudig onderzoek van het vorderingsrecht van verzoeksters moeten blijken. Het verzoekschrift met producties bestaat uit 602 bladzijden (in pdf formaat), het verweerschrift uit 651 bladzijden. Verzoeksters hebben daar bij pleitnota met producties nog eens 102 pagina’s aan toegevoegd. [verweerster] heeft de vorderingen gemotiveerd en gedocumenteerd betwist. [verweerster] heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de door verzoeksters gestelde vorderingen uit hoofde van een proceskostenveroordeling zijn betaald door middel van verrekening met een omvangrijke tegenvordering op verzoeksters en derhalve niet meer bestaan. De gepretendeerde tegenvordering van [verweerster] is onderwerp van de tussen verzoeksters en [verweerster] aanhangige procedure bij de rechtbank in Madrid. Niet aannemelijk is geworden, dat deze procedure zonder redelijke kans van slagen is. Mede daarom al kan op basis van summierlijk onderzoek ook niet worden geconcludeerd dat het beroep op verrekening aanstonds verworpen dient te worden. Dit maakt dat de rechtbank thans niet kan uitgaan van een vorderingsrecht van verzoeksters, zodat het verzoek tot faillietverklaring reeds op die grond wordt afgewezen en verder onderzoek achterwege kan blijven.
De rechtbank komt dan ook niet toe aan de andere weren en de vraag of de faillissementsaanvraag, gelet op de wijze en timing, en tegen de achtergrond van de lopende procedures, misbruik van bevoegdheid oplevert.
De rechtbank ziet aanleiding verzoeksters in de kosten te veroordelen. Hoewel in een verzoekschrift tot faillietverklaring vorderingen met hun waarde moeten worden vermeld, betreft een faillietverklaring een zaak van onbepaalde waarde. De proceskosten zullen worden vastgesteld op 2 punten maal tarief II in eerste aanleg = € 1.306,- (overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2026).
5.De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring;
- veroordeelt verzoeksters in de proceskosten aan de zijde van verweerster, bepaald op € 1.126,00 aan salaris voor de advocaat.
Deze beschikking is op 26 mei 2026 gegeven door mr. M. Aukema, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.P. van Wieringen, griffier. [1]