Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7225

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/5895
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Herstel Toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag Wet Herstel Toeslagen voor kinderopvangtoeslag 2016-2017

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin haar aanvraag voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (Wht) voor de jaren 2016 en 2017 werd afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 behandeld en onmiddellijk uitspraak gedaan.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen voldoende heeft gemotiveerd dat in 2016 geen terugvordering heeft plaatsgevonden en dat eiseres de kinderopvangtoeslag in 2017 zelf per 1 maart heeft stopgezet. Dit is onderbouwd met een melding van stopzetting en een XML-bestand dat is ondertekend met de DigiD van eiseres. Indien een derde de stopzetting heeft doorgegeven, blijft dit voor rekening en risico van eiseres, omdat zij haar DigiD en inloggegevens aan die derde heeft verstrekt.

Verder blijkt uit de KOI-Viewer en een bankafschrift van juni 2017 dat eiseres na 1 maart 2017 geen kinderopvang meer heeft genoten. De rechtbank acht de beroepsgrond van eiseres niet aannemelijk en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend en het griffierecht wordt niet terugbetaald.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5895
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (hierna: Wht).
1.1.
Met het besluit van 3 april 2024 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor de jaren 2016 en 2017 afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 31 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen terecht eiseres geen compensatie op grond van de Wht heeft toegekend.
3. De gronden die eiseres in beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in bezwaar heeft aangevoerd. De Dienst Toeslagen is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Eiseres heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn. De rechtbank kan zich vinden in het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen en in de toelichting die in het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie is opgenomen, waarop de Dienst Toeslagen het bestreden besluit heeft gebaseerd. Zij voegt daaraan nog het volgende toe.
4. De Dienst Toeslagen heeft voldoende duidelijk gemotiveerd dat in het toeslagjaar 2016 geen sprake is geweest van een terugvordering en dat eiseres in het toeslagjaar 2017 de kinderopvangtoeslag zelf per 1 maart 2017 heeft stopgezet. De Dienst Toeslagen heeft dit onderbouwd met de melding van de stopzetting en met het XML-bestand. Hieruit volgt dat de stopzetting met de DigiD (digitale identiteit) van eiseres is ondertekend en dat de kinderopvangtoeslag per 1 maart 2017 is stopgezet. Indien het niet eiseres is geweest die de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet maar een derde, zoals bijvoorbeeld de kinderopvanginstelling, dan is de rechtbank van oordeel dat dit in beginsel toch voor rekening en risico van eiseres moet blijven. Eiseres heeft immers haar DigiD en haar inloggegevens aan de kinderopvanginstelling verstrekt en dat betekent dat zij verantwoordelijk blijft voor wijzigingen die de kinderopvanginstelling heeft doorgegeven. [1] Als gevolg van deze stopzetting is het teveel aan toegekende voorschotten teruggevorderd. Terecht is daarom besloten dat geen sprake is van vooringenomen handelen over deze toeslagjaren en is aan eiseres geen compensatie toegekend. Overigens is, zoals volgt uit de KOI-Viewer, per 1 maart 2017 door eiseres ook geen kinderopvang meer afgenomen. Ook uit het door eiseres op zitting overgelegde bankafschrift van juni 2017 volgt niet dat sprake is van genoten kinderopvang na 1 maart 2017. Op het bankafschrift is te zien dat eiseres € 58,- heeft betaald aan een kinderopvanginstelling met als kenmerk ‘Rest 50euro’. Gelet op het geringe bedrag, de datum en de omschrijving bij dit bedrag, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat deze betaling ziet op verschuldigde kosten voor kinderopvang in de maand juni 2017. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten. Ook krijgt eiseres haar griffierecht niet terug.
6. Partijen zijn op de mogelijkheid gewezen om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9182 en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3762.