ECLI:NL:RBROT:2026:7340

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/10/687234 / FA RK 24-7470 (echtscheiding) en C/10/690612 / FA RK 24-9081 (verdeling)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978Art. 4 lid 3 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978Art. 10:31 BWArt. 10:56 BWArt. 15 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing Nederlands recht op huwelijksvermogensregime bij echtscheiding na huwelijk in Nigeria

Partijen zijn gehuwd in Nigeria in 2017 en wonen sinds 2019 in Nederland. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, de man heeft zowel de Nederlandse als Nigeriaanse nationaliteit. Beiden verzoeken de echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank bevestigt haar rechtsmacht en stelt vast dat het huwelijk rechtsgeldig is volgens het recht van Nigeria.

De kern van het geschil betreft het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime. Partijen verschillen van mening over de toepassing van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, met name of het recht moet worden bepaald aan de hand van de eerste gewone verblijfplaats (artikel 4 lid Pro 1) of de nauwere band (artikel 4 lid Pro 3). De rechtbank oordeelt dat partijen zich niet binnen zes maanden na het huwelijk gezamenlijk in Nederland hebben gevestigd, noch in Nigeria een duurzaam verblijf hadden.

De rechtbank weegt de omstandigheden, waaronder de intentie van partijen om zich in Nederland te vestigen, het feit dat de vrouw haar leven en onderneming in Nederland heeft opgebouwd, en dat het huwelijksvermogen in Nederland is gelokaliseerd. Daarom is het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime vanaf de huwelijksdatum tot het verzoekschrift. De verdere verdeling wordt aangehouden tot 1 november 2026, met mogelijkheid tot tussentijds hoger beroep tegen deze beslissing.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en bepaalt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/687234 / FA RK 24-7470 (echtscheiding) en
C/10/690612 / FA RK 24-9081 (verdeling)
Beschikking van 16 juni 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 9 oktober 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 4 december 2024;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 september 2025;
  • het bericht van de man van 6 december 2024;
  • het bericht met bijlagen van de man van 16 december 2024;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 9 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door mr. S. Ben Ahmed, als waarnemend advocaat, en een tolk.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Lagos (Nigeria) op 4 mei 2017.
2.2.
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse en Nigeriaanse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding
3.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
De man stelt ook dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.3.
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.1.4.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Rechtsgeldigheid huwelijk
3.1.5.
De rechtbank moet bij de beoordeling van het verzoek tot echtscheiding als voorvraag beoordelen of sprake is van een huwelijk tussen partijen dat voor erkenning in Nederland in aanmerking komt.
3.1.6.
Artikel 10:31 BW Pro bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk als zodanig wordt erkend, wanneer dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. De rechter vervult daarin een actieve rol, omdat de rechtsgeldigheid van een huwelijk niet ter vrije bepaling van partijen staat.
3.1.7.
Artikel 10:31 lid 4 BW Pro bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, als een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. De vrouw heeft een akte van de inschrijving van de buitenlandse huwelijksakte overgelegd. Uit die inschrijving leidt de rechtbank af dat er een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit en het huwelijk rechtsgeldig is.
Beoordeling verzoek
3.1.8.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
3.2.
Verdeling
3.2.1.
De man verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – te bepalen dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap geschiedt op een door hem verzochte wijze, met toepassing van het Nederlands recht.
3.2.2.
De vrouw verzoekt – aanvullend – de verdeling van het huwelijksvermogen van partijen vast te stellen op een door haar verzochte wijze waarbij tot juli 2023 het Nigeriaanse recht en vanaf juli 2023 het Nederlands recht van toepassing is.
3.2.3.
Aan de rechtbank ligt eerst de vraag voor welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. De rechtbank heeft deze rechtsvraag uitvoerig met partijen tijdens de mondelinge behandeling besproken. Omdat partijen dusdanig uiteen liggen wat hun standpunten ten aanzien van het toepasselijk recht betreft en dit ook gevolgen heeft voor de omvang van de gemeenschap, zal de rechtbank eerst over dat punt een beslissing nemen. Zodra duidelijk is welk recht van toepassing is, kunnen partijen hun verzoeken ten aanzien van het huwelijksvermogensregime stellen en onderbouwen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.4.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
3.2.5.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15 lid 1 van Pro het Verdrag.
3.2.6.
Tussen partijen is in het geschil of het toepasselijk recht moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 4 lid 1 of Pro lid 3 van het Verdrag.
3.2.7.
Uit artikel 4 lid 1 van Pro het Verdrag volgt dat indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, hun huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Het uitgangspunt daarbij is dat de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats in beginsel moet worden gevestigd binnen een termijn van zes maanden, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. [1] Het begrip eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats is een feitelijk begrip waarbij in het bijzonder van belang is waar iemand
feitelijk verblijft, hoe
duurzaamdat verblijf is en ook met welke
intentiehij daar verblijft. [2]
3.2.8.
Uit artikel 4 lid 3 van Pro het Verdrag volgt dat het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten, bij gebreke van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van dezelfde Staat en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit, wordt beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het
nauwst is verbonden. Bij deze ‘open’ verwijzingsregel wordt niet een vooraf vaststaande aanknopingsfactor gehanteerd, maar worden verschillende objectief-geografische en subjectieve factoren en omstandigheden afgewogen. Deze aanknoping hoeft niet slechts te gelden voor omstandigheden zoals blijken op de dag van de huwelijkssluiting, maar heeft in zekere mate een retrospectief karakter, in die zin dat ook omstandigheden in aanmerking genomen kunnen worden die ná de huwelijkssluiting, dus gedurende het huwelijk, zich voordeden. [3]
Eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats in Nederland?
3.2.9.
Partijen hebben zich niet binnen zes maanden (maar pas na ruim anderhalf jaar) na de huwelijksvoltrekking gezamenlijk in Nederland gevestigd, zodat Nederland daarom niet als eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats in de zin van artikel 4 lid 1 van Pro het Verdrag kan gelden.
Eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats in Nigeria?
3.2.10.
De rechtbank overweegt over Nigeria als eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats als volgt.
Duurzaam karakter
3.2.11.
Hoewel partijen hebben verteld dat zij na de huwelijksvoltrekking enige tijd samen in Nigeria hebben verbleven, is voor de rechtbank niet vast komen te staan dat dit verblijf een duurzaam karakter had. De man heeft verklaard dat hij ten behoeve van de periode rondom de huwelijksvoltrekking een woning zonder inboedel had gehuurd. Partijen hebben vervolgens de noodzakelijke goederen (volgens de man slechts een auto en een bank maar volgens de vrouw meer) aangeschaft om daar tijdelijk te kunnen verblijven. Het overige deel van de meubelstukken die partijen in die woning gebruikten, waren van de overleden vader van de man. Hoewel de vrouw betwist dat partijen slechts kort in de woning hebben verbleven en de bedoeling niet was om daar tijdelijk te verblijven, is dat voor de rechtbank niet vast komen te staan.
3.2.12.
Bij de beoordeling van de duurzaamheid van het verblijf in Nigeria neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de vrouw voorafgaand aan én na de huwelijkssluiting haar leven in Nederland heeft (opgebouwd). Zij staat in Nederland in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven, is vanaf juli tot oktober 2017 uitgeschreven geweest naar België en staat vervolgens weer ingeschreven in de BRP in Nederland. De vrouw heeft gesteld dat zij gedurende de periode na de huwelijkssluiting meerdere malen tussen Nigeria en Nederland heeft gereisd. Zij heeft in die periode een visum voor een beperkte duur van zes maanden gehad. Weliswaar stelt de vrouw dat zij meerdere visa had, maar zij heeft slechts één visum overgelegd. Dit visum is volgens de kopie voor meerdere inreizen, maar de vrouw heeft gesteld noch onderbouwd hoe vaak zij heeft gereisd. Een duurzaam verblijf in Nigeria kan daaruit dan ook niet worden afgeleid. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de vrouw de zorg in Nederland had voor haar leerplichtige zoon die toen vijf jaar oud was.
Intentie
3.2.13.
Naast dat het verblijf in Nigeria niet duurzaam is gebleken, richtten partijen zich op een toekomst in Nederland. De man heeft onweersproken gesteld dat hij in de periode voor het huwelijk weg is gegaan uit Nigeria en zich in Ghana had gevestigd om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Partijen hebben elkaar in Ghana ontmoet en zijn vervolgens in Nigeria gehuwd. De man had mogelijkheden onderzocht om naar Canada te emigreren. Zijn leven was dus niet gericht op een toekomst in Nigeria.
3.2.14.
Na het verblijf in Nigeria heeft het weliswaar tot april 2019 geduurd voordat de man zich in Nederland kon inschrijven, maar dit doet niet af aan de intentie van partijen. Integendeel, het gezamenlijk handelen van partijen wijst erop dat zij de wens hadden om zich in Nederland te vestigen zodra de man een verblijfsvergunning zou hebben verkregen. Volgens de man hadden partijen dit voornemen direct nadat zij elkaar hadden ontmoet. Hoewel de vrouw dit betwist, is voor de rechtbank komen vast te staan dat die wens er in ieder geval in 2017 geweest is, omdat het handelen vanaf toen gericht was op een immigratie naar Nederland. De vrouw heeft informatie ingewonnen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waaruit bleek dat zij nog niet voldeed aan de inkomenseis in hoogte en in duur. Zo diende het inkomen uit eigen onderneming minstens een jaar beschikbaar te zijn en een bepaalde minimuminkomen te omvatten, aldus de vrouw. Haar handelen is toen gericht geweest op het voldoen aan dat vereiste. Zij is in 2017 een eigen praktijk begonnen en hard gaan werken om de verblijfsvergunning voor de man in 2018 te kunnen aanvragen.
3.2.15.
Het voornemen van het vestigen in Nederland blijkt ook uit het feit dat de man in die periode Nederland heeft bezocht op een toeristenvisum, een inburgeringscursus heeft gevolgd in Duitsland en de tijdelijke uitschrijving van de vrouw naar België in 2017 in het kader van een onderzoek naar de zogenoemde België-route. Kortom, alles wijst erop dat partijen de intentie hadden zich niet gezamenlijk te vestigen in Nigeria maar in Nederland. Dat dit niet direct (of binnen de jurisprudentie gebruikelijke zes maanden) gelukt is, komt door de vertragende factor van de voorgenomen immigratie en de voorwaarden die daaraan worden gesteld door de IND. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat partijen na de huwelijkssluiting een eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats in Nigeria hebben gehad in de zin van artikel 4 lid 1 van Pro het Verdrag.
Met welk land hebben partijen de nauwste band?
3.2.16.
Ten aanzien van het ‘nauwst verbonden’ recht overweegt de rechtbank als volgt. Het leven van de vrouw bevond zich ten tijde van de huwelijkssluiting en periode daarna in Nederland. Haar duurzame woon-, leef- en werksituatie was in Nederland. Dit zou in beginsel niet relevant zijn nu het geen omstandigheid betreft die partijen gezamenlijk betreft, zij het niet dat het leven van de vrouw bewust zo was ingericht om de reeds beschreven intentie van partijen, namelijk het vestigen in Nederland en niet in Nigeria, mogelijk te maken. Doordat de man nog geen verblijfsvergunning had, was het niet mogelijk om gezamenlijk te handelen volgens deze intentie. Voor de rechtbank staat op grond van de gestelde feiten en omstandigheden vast dat de gezamenlijke toekomstplannen van partijen erop gericht waren zich in Nederland te vestigen zodra aan de immigratierechtelijke voorwaarden was voldaan. Naast de intentie kan een aanwijzing voor de nauwste band ook blijken uit omstandigheden ná de huwelijkssluiting. Partijen wonen sinds 2019 samen in de echtelijke woning in Nederland, de vrouw heeft haar onderneming in Nederland, partijen hebben Nederlandse bankrekeningen en Nederland is de plaats waar het huwelijksvermogen van partijen te lokaliseren is. [4] Partijen hebben niets gezamenlijk in Nigeria wat tot hun huwelijksvermogen behoort.
3.2.17.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen heeft het huwelijksvermogensregime met Nederland de nauwste band, zodat volgens het bepaalde in artikel 4 lid 3 van Pro het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking tot de datum van het indienen van het verzoekschrift het Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is.
Aanhouding
3.2.18.
De rechtbank zal de verdere inhoudelijke behandeling van de zaak ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen pro forma aanhouden tot
1 november 2026.
Tussentijds hoger beroep
3.2.19.
De rechter kan bepalen dat tegen een tussenbeschikking tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Bij de beoordeling dient te worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure (vgl. artikel 20 Rv Pro). De rechter hoeft zijn beslissing niet te motiveren (zie HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924).
3.2.20.
De rechtbank is van oordeel dat redenen van doelmatigheid met zich brengen dat (tussentijds) hoger beroep tegen deze (tussen)beschikking kan worden ingesteld. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met deze mogelijkheid. De zaak wordt daartoe aangehouden tot de in het dictum vermelde datum. Partijen dienen de rechtbank uiterlijk op die datum schriftelijk te informeren of tegen deze beschikking hoger beroep wordt ingesteld. Wanneer hoger beroep wordt ingesteld, zal de behandeling van deze zaak worden aangehouden in afwachting van de beslissing in hoger beroep. Wanneer geen hoger beroep wordt ingesteld, zal de rechtbank een datum plannen voor een nieuwe mondelinge behandeling voor verdere bespreking van de aangehouden verzoeken.
3.3.
Proceskosten
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/687234 / FA RK 24-7470:
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/690612 / FA RK 24-9081:
3.3.2.
Omdat ten aanzien van de verdeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/687234 / FA RK 24-7470:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 4 mei 2017 te Lagos (Nigeria);
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/690612 / FA RK 24-9081:
4.3.
verklaart voor recht dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen;
4.4.
bepaalt dat tegen deze beschikking tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld ten aanzien van het hiervoor bepaalde in randnummer 4.3.;
4.5.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen wordt aangehouden tot
1 november 2026 PRO FORMA,gelet op de termijn van het bepaalde in randnummer 4.4. en om partijen in de gelegenheid te stellen voornoemde afwikkeling in onderling overleg te regelen;
4.6.
indien partijen niet tot overeenstemming komen, moeten de advocaten van partijen uiterlijk op 1 november 2026 de rechtbank om voortzetting van de mondelinge behandeling verzoeken, met daarbij een nauwkeurige en uitputtende opgave van de resterende geschil- en standpunten ten aanzien van de verdeling van het huwelijksvermogensregime van partijen onder toepassing van het Nederlands recht.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. A.M. Bakker, griffier, op 16 juni 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Voetnoten

1.Hof Den Haag 22 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:62.
2.Hof Amsterdam 9 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:695. Zie ook: Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/364.
3.Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/367.
4.Hof ’s-Hertogenbosch, 16 juli 2009. ECLI:NL:GHSHE:2009:BK5364.