ECLI:NL:RBROT:2026:7347

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2606181:R-RK en NL:TZ:2606196:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens betwiste vordering en onvoldoende afloscapaciteit

Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een drietal schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorziet in kwijtschelding van schulden zonder uitdeling aan schuldeisers, gebaseerd op de WIA-uitkering van verzoeker die arbeidsongeschikt is verklaard. Twee schuldeisers, Grolsch en de gemeente Rotterdam, weigeren in te stemmen met de regeling.

De gemeente Rotterdam betwist een vordering van €7.700.000,- en stelt dat verzoeker mede aansprakelijk is voor deze schuld vanwege betrokkenheid bij malversaties. Daarnaast is er een vordering van €700.000,- wegens huurachterstand die voortkomt uit frauduleuze handelingen. Grolsch heeft een vordering van circa €47.000,- en stemt niet in met de regeling. De rechtbank constateert dat de vordering van €7.700.000,- niet voldoende is onderbouwd en dat het verzoek om instemming met de regeling tegenstrijdig is met de betwisting van deze vordering.

Verder is onvoldoende duidelijk dat verzoeker en verzoekster blijvend niet in staat zijn om te werken. Verzoeker is sinds 2022 niet herbeoordeeld en verzoekster werkt niet, maar er is geen medisch bewijs dat zij arbeidsongeschikt is. Ook is niet onderzocht of ondersteuning vanuit de gemeente mogelijk is om werkhervatting te faciliteren. Verzoekers hebben de nalatenschap van de vader van verzoeker verworpen zonder onderzoek naar mogelijke baten, wat nadelig kan zijn voor schuldeisers.

De rechtbank weegt de belangen van de schuldeisers zwaarder dan die van verzoekers en wijst het verzoek tot gedwongen schuldregeling af. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling zal volgen.

Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen vanwege een betwiste vordering en onvoldoende aannemelijkheid van blijvende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 juni 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[naam 1] en [naam 2],
wonende te [straatnaam]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers

1.De procedure

Verzoekers hebben op 11 maart 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
  • ABN AMRO Bank N.V., hierna te noemen: ABN AMRO;
  • Gemeente Rotterdam Stadsontwikkeling, hierna te noemen: gemeente Rotterdam;
  • Grolsch Bierbrouwerij, hierna te noemen: Grolsch;
die weigeren mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
ABN AMRO heeft voorafgaande aan de zitting, bij bericht van 6 mei 2026, te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van ABN AMRO wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
Bij berichten van 18 mei 2026, 19 mei 2026 en 21 mei 2026 heeft mr. Harmanci, namens verzoekers, nadere stukken aan de rechtbank toegestuurd.
De gemeente Rotterdam heeft op 21 mei 2026 stukken aan de rechtbank toegestuurd.
Ter zitting van 26 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • de heer [naam 1] , verzoeker;
  • mevrouw [naam 2] , verzoekster;
  • de heer mr. Harmanci, advocaat alsmede werkzaam bij de Schie (hierna te noemen schuldhulpverlening);
  • mevrouw mr. W. Breur en de heer [naam 3] , namens de gemeente Rotterdam.
Grolsch is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift vier concurrente schuldeisers met vijf vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 8.542.682,93 van verzoekers te vorderen. Verzoekers hebben bij brief van 5 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en de schuldeisers verzocht worden de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekers is gebaseerd op de voortzetting van de WIA-uitkering van verzoeker. Verzoeker is namelijk arbeidsongeschikt verklaard. Wegens psychische klachten is hij niet in staat om te werken. Verzoekster werkt niet, omdat zij voor haar man moet zorgen. Verzoeker kan wegens zijn psychische problematiek namelijk niet alleen blijven. Deze situatie is blijvend. In de toekomst zal dan ook geen hoger inkomen worden gegenereerd. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
In reactie op hetgeen de gemeente Rotterdam heeft aangevoerd, is namens verzoekers ter zitting aanvullend als volgt verklaard. Wat betreft de Vtlb-berekening is het juist dat de huur- en zorgtoeslag niet was opgenomen in de Vtlb-berekening. Op het moment dat de regeling werd aangeboden en de Vtlb-berekening werd opgesteld, was er namelijk geen recht op huur- en/of zorgtoeslag. Inmiddels is er wel recht op huur- en zorgtoeslag. Wat betreft het onbetaald laten van de vorderingen geldt dat verzoeker een WIA-uitkering ontvangt. Het UWV heeft telefonisch aangegeven dat er geen herbeoordeling zal plaatsvinden. Gelet op de psychische klachten van verzoeker, is het niet de verwachting dat zijn situatie zal veranderen. Voor zover verzoeker wel weer kan werken, zal dit naar verwachting ook geen aanzienlijke verandering in de afloscapaciteit opleveren. Wat betreft verzoekster is ervoor gekozen dat zij niet gaat werken. Op die manier kan zij voor haar man zorgen. Niet is onderzocht of er mogelijkheden waren om vanuit de gemeente ondersteuning te krijgen bij de zorg van verzoeker, bijvoorbeeld in de vorm van ondersteuning vanuit de Wmo. Verzoekster vreesde dat zij met een dergelijk verzoek een administratieve last op zich zou krijgen, die haar en verzoeker nog verder in de problemen zou brengen. Wat betreft de Belastingdienst geldt dat deze geen vordering heeft op verzoekers.
Ten aanzien van de nalatenschap van de vader van verzoeker, hebben verzoekers desgevraagd verklaard dat deze inderdaad is verworpen. Verzoekers wilden op dat moment niks met de vader van verzoeker te maken hebben en dus ook niet met de nalatenschap. Hun is niet bekend of er enig vermogen in die nalatenschap zat. Het is evenwel niet de verwachting dat er enig vermogen in zat. De vader van verzoeker was lange tijd gokverslaafd. Zij hebben voor het al dan niet verwerpen van de nalatenschap geen advies ingewonnen bij derden. Dit vanwege de hectische periode waarin zij verkeerden.
Schuldhulpverlening heeft verder ter zitting verklaard dat de vordering van
€ 7.700.000,- voor de volledigheid in de regeling is meegenomen. Indien de vordering niet zou worden meegenomen, dan zou de gemeente Rotterdam wellicht als verweer aanvoeren dat het verzoek onvolledig is. Om dat te voorkomen is de vordering wel meegenomen in de regeling. De vordering wordt evenwel betwist. Verzoeker heeft steeds het standpunt ingenomen dat hij (wat betreft deze vordering) geen weet heeft gehad van de acties van zijn vader. Hij is dan ook niet aansprakelijk voor die schuld. Dat standpunt is ongewijzigd.
Twee schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Grolsch en de gemeente Rotterdam stemmen hier niet mee in. Grolsch heeft een vordering van € 47.206,96 op verzoekers. De gemeente Rotterdam heeft volgens het verzoekschrift twee vorderingen op verzoekers. Een vordering van € 700.000,- en een vordering van € 7.700.000,-.

3.Het verweer

De gemeente Rotterdam
In de contacten met schuldhulpverlening heeft de gemeente Rotterdam te kennen gegeven niet akkoord te gaan met de aangeboden regeling. Zij is niet bereid mee te werken aan een schuldregeling. De vordering van € 700.000,- komt niet voort uit een gewone huurachterstand, maar is het gevolg van handelingen in strijd met de wet. Daarnaast heeft de gemeente Rotterdam een vordering van € 7.700.000,- op de vader van verzoeker vanwege malversaties. Verzoeker is daarvoor als medeplichtige te beschouwen. De gemeente Rotterdam blijft zich haar rechten op betaling van deze vordering voorbehouden.
De gemeente Rotterdam heeft ter zitting haar standpunt gehandhaafd en in aanvulling daarop het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de schuld van € 700.000,- geldt dat bij de gemeente Rotterdam in 2016 aan het licht kwam dat sprake was van een fraudekwestie, waarbij ook de huurpenningen voor lange tijd niet waren betaald. Ook nadat er tussen partijen afspraken waren gemaakt over die huurachterstand en een deel van de huurachterstand was kwijtgescholden, is door verzoeker niet voldaan aan de huurverplichtingen. Daarentegen is verzoeker wel doorgegaan met de exploitatie van de onderneming, zo hebben daar veelvuldig evenementen plaatsgevonden. Verzoeker heeft er aldus voor gekozen om de onderneming te exploiteren, maar niet de huur te betalen. Dit valt verzoeker te verwijten. Hij is bij het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw geweest. Bij vonnis van 17 maart 2017 zijn zowel verzoeker als [bedrijf] door de kantonrechter hoofdelijk veroordeeld voor de huurachterstand. Bovendien is er nadien geen enkele poging gedaan om op die schuld af te lossen. Verzoekers hebben geen contact gezocht met de gemeente Rotterdam. Ook hebben zij geen inzicht gegeven in hun financiële omstandigheden. Voorts is op een gegeven moment de vader van verzoeker overleden. Die nalatenschap is kennelijk verworpen. Het is evenwel niet duidelijk of in die nalatenschap baten zaten, waarmee de schulden al dan niet gedeeltelijk konden worden ingelopen.
Wat betreft de schuld van € 7.700.000,- geldt dat daar in 2017 een procedure over is geweest. Die procedure was gericht tegen verzoeker, [bedrijf] en de vader van verzoeker. Laatstgenoemde is toen door de rechtbank bij vonnis van 20 september 2017 – kort gezegd – hoofdelijk veroordeeld tot betaling van die € 7.700.000,-. De procedure tegen verzoeker is toen naar de parkeerrol van 4 april 2018 gegaan. De gemeente Rotterdam heeft ter zitting toegelicht dat de procedure tegen verzoeker ambtshalve is doorgehaald. Er is geen eindvonnis gewezen. De gemeente Rotterdam stelt zich evenwel op het standpunt dat verzoeker ook aansprakelijk is voor die schuld. Hij was namelijk de partij die de huurovereenkomst is aangegaan met de gemeente Rotterdam. Verzoeker was degene die vervolgens zijn vader heeft aangedragen als aannemer om werkzaamheden te verrichten in dat pand. De vader van verzoeker heeft vervolgens voor alle gestelde werkzaamheden facturen gestuurd, die door de gemeente Rotterdam zijn betaald. De werkzaamheden zijn echter niet uitgevoerd. De gemeente Rotterdam stelt zich op het standpunt dat verzoeker, samen met zijn vader, bij deze constructie betrokken was. Er is sprake van een schuld, waarvoor verzoeker mede aansprakelijk is.
De gemeente Rotterdam heeft verder nog het standpunt ingenomen dat de Vtlb-berekening onjuist is. In de Vtlb-berekening is namelijk geen zorg- en/of huurtoeslag opgenomen. Verzoekers hebben daar echter wel recht op. Ook kan de gemeente Rotterdam niet beoordelen of de schuldenlijst compleet is. Uit een eerder vonnis blijkt namelijk dat de Belastingdienst ook een vordering heeft op verzoekers. Deze staat echter niet op de schuldenlijst. Daarnaast hadden en/of kunnen verzoekers bij de gemeente Rotterdam wellicht een beroep doen op de Wmo of andere voorzieningen. Daarmee zou verzoeker ondersteuning kunnen krijgen. Ondersteuning is daarbij in allerlei vormen mogelijk. Dat is dan niet per definitie in de vorm van persoonsgebonden budget, maar kan ook in natura zijn. Dat levert geen extra administratieve lasten voor verzoekster op. Verzoekster zou dan vrij zijn om te gaan werken en daarmee inkomsten te genereren. Tot slot is niet duidelijk wat voor WIA-uitkering verzoeker ontvangt. Indien verzoeker een WGA-uitkering krijgt, dan kan verzoeker wellicht wel werken en inkomsten genereren.
Grolsch
In de contacten met schuldhulpverlening heeft Grolsch te kennen gegeven niet akkoord te gaan met de aangebonden regeling. Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Grolsch geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk, dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Grolsch en de gemeente Rotterdam bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Grolsch en de gemeente Rotterdam in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd, in het bijzonder voor zover dit aanbod ziet op de ‘schuld’ aan de gemeente Rotterdam van € 7.700.000,-. De gemeente Rotterdam stelt dat zij deze vordering heeft op verzoeker, maar er zijn geen stukken overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de gemeente Rotterdam daadwerkelijk een vordering heeft op verzoekers ter hoogte van € 7.700.000,-. Uit het vonnis van 20 september 2017 volgt weliswaar dat de gemeente Rotterdam wat betreft deze vordering in 2016 een procedure is gestart tegen onder meer verzoeker, maar de procedure tegen verzoeker is naar de parkeerrol verwezen en inmiddels ambtshalve doorgehaald. Daarnaast hebben verzoekers deze vordering uitdrukkelijk betwist. Het opnemen van die vordering op de schuldenlijst en het onderhavige verzoek om de gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met de schuldregeling is naar het oordeel van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig met de betwisting van die vordering door verzoekers. Met toewijzing van het verzoek zou namelijk het bestaan en de hoogte van de vordering van de gemeente Rotterdam worden erkend.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moet worden geacht. Van verzoekers wordt immers verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om het maximaal haalbare voor hun schuldeisers te bewerkstelligen. Dat hebben zij niet gedaan. In dat kader is het volgende van belang.
Het aanbod betreft een schuldregeling waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en de schuldeisers verzocht worden de betreffende schulden kwijt te schelden. Dit is gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een WIA-uitkering van verzoeker. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoeker is voor het laatst in 2022 gekeurd. Uit het keuringsrapport van 22 maart 2022 volgt weliswaar dat hij op dat moment arbeidsongeschikt was, maar ook dat een herbeoordeling over één jaar aan de orde zou zijn. Die herbeoordeling heeft niet plaatsgevonden. Hoewel verzoeker nog steeds een WIA-uitkering ontvangt is onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre hij sindsdien steeds volledig arbeidsongeschikt is geweest. Bovendien volgt uit de overgelegde stukken niet dat verzoeker in de (nabije) toekomst volledig arbeidsongeschikt zal blijven. Voor verzoekster geldt dat zij helemaal geen inkomsten heeft. Zij werkt niet, noch ontvangt zij een uitkering. Ook ten aanzien van verzoekster is onvoldoende duidelijk geworden dat zij niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat zij arbeidsongeschikt is. Verzoekster heeft verklaard dat zij voor haar man moet zorgen en daarom niet kan werken, maar uit het dossier noch het verhandelde ter zitting volgt dat de medische toestand van verzoeker dermate ernstig was dat verzoekster daarvoor thuis moe(s)t blijven. Bovendien is niet onderzocht of er bijvoorbeeld bij de gemeente voorzieningen openstonden die haar en haar man hierbij konden ondersteunen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Zo had zij bijvoorbeeld kunnen onderzoeken of ondersteuning vanuit de Wmo mogelijk was. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekers blijvend is.
Verder is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat verzoekers de nalatenschap van de vader van verzoeker hebben verworpen, zonder onderzoek te doen naar de vermogensbestanddelen binnen die nalatenschap of daarover advies te vragen. Door dit na te laten kan niet worden uitgesloten dat, ten nadele van de schuldeisers, vermogensbestanddelen niet te gelde zijn gemaakt.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de gemeente Rotterdam en Grolsch als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoekers of de overige schuldeisers. Het verzoek om de gemeente Rotterdam en Grolsch te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, voorzitter, mr. M.C. Franken en mr. C. van Steenderen-Koornneef, rechters, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.