ECLI:NL:RBROT:2026:741

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
11896940 CV EXPL 25-20434
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling van teveel betaalde bedragen in aannemingsovereenkomst

In deze zaak heeft eiser, [bedrijf X], een geldvordering ingesteld tegen gedaagden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een bedrag van € 2.146,50, vermeerderd met rente en incassokosten. Eiser stelt dat er een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten met gedaagde 2, die werkzaamheden heeft verricht. Gedaagde 1 heeft deze werkzaamheden gefactureerd, maar eiser heeft geconstateerd dat er een te hoog bedrag in rekening is gebracht. Eiser vordert terugbetaling van het teveel betaalde bedrag, evenals vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

Gedaagde 1 heeft niet gereageerd op de eis en is niet verschenen in de procedure, waardoor verstek tegen hem wordt verleend. Gedaagde 2 betwist de vordering en stelt dat er geen overeenkomst met eiser bestond en dat hij slechts als tolk heeft gefungeerd. Eiser heeft echter WhatsApp-berichten overgelegd waaruit blijkt dat gedaagde 2 wel degelijk werkzaamheden heeft verricht. Gedaagde 2 heeft niet gereageerd op de repliek van eiser.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de eis van eiser grotendeels wordt toegewezen. Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van het teveel betaalde bedrag, de incassokosten en de wettelijke rente. De proceskosten worden ook aan gedaagden opgelegd, omdat zij grotendeels ongelijk hebben gekregen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat eiser het vonnis onmiddellijk kan uitvoeren, ook als gedaagden in hoger beroep gaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11896940 CV EXPL 25-20434
datum uitspraak: 2 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,die handelt onder de naam [bedrijf X] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,
rolgemachtigde: gerechtsdeurwaarder P. de Ruijter,
tegen
1. [gedaagde 1] ,die voorheen handelde onder de naam [bouwbedrijf B] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
die niet is verschenen,

2. [gedaagde 2] ,

woonplaats: [gedaagde 2] ,
die zelf procedeert,
gedaagden.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 september 2025, met bijlagen;
  • het antwoord van [gedaagde 2] ;
  • de repliek, met bijlagen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] eist in deze zaak betaling van € 2.146,50 met rente en incassokosten. Daarvoor heeft hij aangevoerd dat hij met [gedaagde 2] een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten uit hoofde waarvan [gedaagde 2] werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde 1] heeft de werkzaamheden bij [eiser] in rekening gebracht middels 4 facturen, die door [eiser] zijn voldaan. Gebleken is echter dat er een te hoog bedrag in rekening is gebracht. [eiser] wil dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld om het teveel betaalde bedrag van € 2.146,50 aan hem terug te betalen. Omdat zij niet op tijd hebben betaald, wil [eiser] ook dat zij een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente betalen.
2.2.
[gedaagde 1] heeft niet op de eis gereageerd.
2.3.
[gedaagde 2] is het niet eens met de eis, omdat er geen overeenkomst tussen hem en [eiser] bestond en hij alleen maar tolk was.
2.4.
[eiser] heeft bij repliek als volgt op het verweer van [gedaagde 2] gereageerd. Uit WhatsApp-berichten blijkt dat [gedaagde 2] wel degelijk werkzaamheden heeft verricht en niet als tolk aanwezig was. Er was ook geen tolk nodig, omdat [eiser] en [gedaagde 2] beiden zowel Turks als Nederlands spreken. [eiser] blijft daarom bij zijn eis.
2.5.
[gedaagde 2] heeft niet op de repliek gereageerd.
2.6.
De eis van [eiser] wordt grotendeels toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
Tegen [gedaagde 1] wordt verstek verleend
2.7.
[gedaagde 1] is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet in deze procedure verschenen. De dagvaarding voldoet aan de wettelijk voorgeschreven formaliteiten. Tegen [gedaagde 1] wordt daarom verstek verleend. Omdat [gedaagde 2] wel in de procedure is verschenen, wordt één vonnis gewezen dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv). Dit betekent dat [gedaagde 1] niet in verzet kan komen tegen dit vonnis.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de hoofdsom van € 2.146,50 betalen
2.8.
[gedaagde 2] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de repliek, maar dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van hetgeen [eiser] in deze akte naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat in deze zaak vast staat dat [gedaagde 2] werkzaamheden voor [eiser] heeft verricht, dat [gedaagde 1] deze werkzaamheden aan [eiser] in rekening heeft gebracht en dat [eiser] € 2.146,50 teveel heeft betaald. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld dit bedrag aan [eiser] terug te betalen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten incassokosten betalen
2.9.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 321,98 (exclusief btw) toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de afgesproken vergoeding te matigen tot het bedrag waarop [eiser] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv). [eiser] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten rente betalen
2.10.
De primair geëiste wettelijke handelsrente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat niet hebben betwist.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [eiser] moeten betalen op € 125,93 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 892,93. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat als de een betaalt de ander daarvan bevrijd is, om aan [eiser] te betalen € 2.468,48 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 2.146,50 vanaf 18 oktober 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat als de een betaalt de ander daarvan bevrijd is, in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 892,93;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
43416