Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7469

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
ROT 23/3737 V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:2 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkheid handhavingsverzoek; beroep niet-ontvankelijk verklaard

Opposante diende op 31 augustus 2022 een melding in bij het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen over openbaar groen. Na ingebrekestelling wegens het niet tijdig beslissen op het vermeende handhavingsverzoek, verklaarde het college het verzoek niet-ontvankelijk omdat het geen aanvraag zou betreffen. Opposante stelde beroep in, dat door de rechtbank op 28 november 2023 kennelijk ongegrond werd verklaard.

Tegen deze uitspraak werd verzet ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is omdat het beroep ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. De melding van 31 augustus 2022 moet worden gezien als een handhavingsverzoek. Het college heeft met een schriftelijke weigering tijdig een besluit genomen, waardoor geen sprake is van niet-tijdig beslissen of dwangsom.

De rechtbank hervat het onderzoek en beoordeelt het beroep inhoudelijk. Gelet op eerdere besluitvorming op 21 maart 2023 is er geen belang meer bij het beroep, waardoor het niet-ontvankelijk wordt verklaard. De uitspraak van 28 november 2023 wordt vernietigd en het beroep afgewezen.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3737 V
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2026 op het verzet en het beroep van
[eiseres], uit [plaatsnaam], opposante [1] en eiseres,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2023

in het geding tussen
opposante, tevens eiseres
en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigden: mr. I. Neubauer en mr. T. Ketting),

Procesverloop

1. Op 31 augustus 2022 heeft opposante bij het college een melding ingediend.
1.1.
Op 16 december 2022 heeft opposante het college in gebreke gesteld inzake het niet tijdig beslissen op het, volgens opposante, in deze melding gedane verzoek om handhaving.
1.2.
Op 27 december 2022 heeft het college gereageerd op deze ingebrekestelling.
1.3.
Op 30 januari 2023 heeft opposante een bezwaarschrift ingediend dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om handhaving en waarin hij stelt dat een dwangsom verschuldigd is.
1.4.
Met het besluit van 14 april 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het verzoek om handhaving niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen sprake is van een verzoek om handhaving. Om deze reden kan er ook geen sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit. Ook is er geen dwangsom verschuldigd.
1.5.
Opposante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.6.
Met de uitspraak van 28 november 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond is.
1.7.
Opposante heeft hiertegen verzet ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft het verzet op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposante en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 28 november 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 28 november 2023
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de melding van 31 augustus 2022 geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een aanduiding van de gevraagde beschikking, zoals bedoeld in artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb, kan niet uit de door opposante gegeven informatie worden gehaald, bovendien blijkt niet dat opposante belanghebbende is bij het nemen van een handhavingsbesluit. Het college heeft opposante dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het verzet
5. Opposante betoogt in verzet dat er wel sprake was van een aanvraag. Gelet op het onderlinge contact tussen een ambtenaar van de gemeente en opposante moest het voor het college duidelijk zijn geweest dat zij een handhavingsverzoek had ingediend. De rechtbank heeft daarbij geen acht geslagen op de e-mail van 30 november 2022. Verder blijkt dat het college uiteindelijk het handhavingsverzoek inhoudelijk heeft opgepakt met het nemen van een besluit. Tegen dat besluit op bezwaar heeft opposante beroep ingediend bekend onder zaaknummer ROT 23/7551. Opposante betoogt dat het college niet tijdig heeft beslist op het handhavingsverzoek en om deze reden heeft het college ook een dwangsom verbeurd. Dit is ook niet door de rechtbank onderkend.
5.1.
Gelet op wat opposante aanvoert, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van de voor de toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb vereiste kennelijkheid. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de rechtbank het beroep van opposante niet als kennelijk ongegrond heeft mogen afdoen zoals in de uitspraak van 28 november 2023 is gedaan.
Conclusie over het verzet
6. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 28 november 2024 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

7. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is gelet op de inhoud van de stukken en wat op zitting is besproken van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. [3]
8. De rechtbank stelt allereerst vast dat het college op 27 december 2022 heeft gereageerd op de ingebrekestelling van eiseres. De rechtbank ziet deze reactie gelet op de inhoud daarvan als een schriftelijke weigering een besluit te nemen in de zin van
artikel 6:2, onder aanhef en onder a, van de Awb.
9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van een verzoek tot handhaving?
10. Eiseres betoogt dat het college niet tijdig heeft beslist op haar verzoeken om handhaving die zij volgens haar heeft gedaan met een zogenaamde ‘melding verkort’, de e-mail van 30 november 2022 en een ingebrekestelling op 16 december 2022.
10.1.
Op 31 augustus 2022 heeft eiseres een melding ingediend. De melding gaat over “Openbaar groen” en meer specifiek “beplanting”. Eiseres geeft bij de rubriek “Omschrijving van de melding” aan: “te kort gemaakt rond de Meerpaal nu veel geluidsoverlast van de Holysingel”. Verder zijn alle gegevens van eiseres erin opgenomen. Op 16 december 2022 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek. Eiseres verwijst in deze brief ook naar een e-mail van 30 november 2022 die zij heeft verstuurd naar een medewerker van de gemeente, waarin zij, onder meer aangeeft dat het college op geen enkele wijze handhavend heeft opgetreden. Het college heeft met een brief van 27 december 2022 aan eiseres medegedeeld dat de melding van 31 augustus 2022 niet als verzoek om handhaving te zien. Het college heeft in dezelfde brief aangeboden om met eiseres op locatie in gesprek te gaan, zodat duidelijk wordt over welke bomen en welk openbaar groen het precies gaat. Eiseres is hier verder niet op ingegaan. Met de brief van 11 januari 2023 heeft het college aan eiseres meegedeeld dat de aanvraag onvolledig was en dat eiseres het risico liep dat de aanvraag niet in behandeling zou worden genomen. Het college heeft eiseres in die brief om nadere info gevraagd, waarbij eiseres is verzocht om op de bijgevoegde kaart te duiden welke bomen volgens eiseres illegaal gekapt zijn. Op 30 januari 2023 heeft eiseres bezwaar ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek. Tevens heeft zij op de kaart, die het college bij de brief van 11 januari 2023 heeft gevoegd, aangegeven welke bomen volgens haar zijn gekapt. Het college stelt in de ontvangstbevestiging van het bezwaar van 23 februari 2023 dat het nu voldoende gegevens heeft ontvangen voor het in behandeling nemen van het handhavingsverzoek.
10.2.
Gelet op de gang van zaken zoals weergegeven in de voornoemde stukken, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank een handhavingsverzoek gedaan. Het college heeft zich in het bestreden besluit dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat het eiseres geen aanvraag heeft ingediend.
10.3.
Gelet op wat hiervoor onder 8 is vastgesteld, concludeert de rechtbank dat het college met de schriftelijke weigering een besluit te nemen tijdig heeft beslist zodat er geen sprake is van niet-tijdig beslissen en evenmin van een verschuldigdheid van een dwangsom. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3568 r.o. 18 en naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4941. Uit deze uitspraken volgt dat de schriftelijke weigering weliswaar geen beschikking op een aanvraag als bedoeld in 4:17, eerste lid, van de Awb is, maar dat voor toepassing van dit artikellid de schriftelijke weigering een besluit te nemen gelijkgesteld wordt met een beschikking op aanvraag.
10.4.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat, zoals in de uitspraak in verzet reeds is opgemerkt, er al op 21 maart 2023 is beslist op het verzoek om handhaving (dit heeft geleid tot de procedure met kenmerk ROT 23/7551, Rechtbank Rotterdam 29 mei 2026). Dit leidt ertoe dat de rechtbank tot het oordeel komt dat eiseres geen belang meer heeft bij het beroep.

Conclusie en gevolgen

Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt geen gelijk en dat betekent ook dat zij het griffierecht niet terugkrijgt.

Beslissing

De rechtbank:
In verzet:
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van 28 november 2023 gegrond;
- bepaalt dat de uitspraak van 28 november 2023 komt te vervallen.
In beroep:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzitter, en mr. T.M.J. Smits en mr. J.J. Turenhout, leden, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.