Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7479

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/3247
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20, derde lid, Verordening 178/2002Art. 15 Verordening 178/2002Art. 3 Richtlijn 2002/32Art. 6.2, eerste lid, Wet dierenArt. 8.7 Wet dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor niet-onverwijld melden overschrijding fluorgehalte in diervoeder

Eiseres, een fabrikant van veevoeders, ontving een boete van €5.000,- wegens het niet onverwijld melden aan de NVWA dat een partij monocalciumfosfaat mogelijk niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed vanwege een overschrijding van het toegestane fluorgehalte. De boete werd in bezwaar verlaagd tot €4.250,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat eiseres voldoende redenen had om aan te nemen dat het diervoeder niet voldeed aan de veiligheidsvoorschriften, ondanks haar beroep op meetonzekerheid van de analyses. De meetonzekerheid was bij ontvangst van de eerste analyserapporten nog niet bekend en het betrekken daarvan zou ook een bovengrens van het gehalte impliceren, wat risico's met zich meebrengt.

De rechtbank benadrukt dat het onverwijld melden van mogelijke onveiligheid essentieel is om risico's voor volks- en diergezondheid te beperken. De boete is passend gelet op de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. De redelijke termijn was overschreden, maar de matiging was reeds toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete van €4.250,- voor het niet onverwijld melden van een overschrijding van het fluorgehalte in diervoeder.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3247

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: [directeur van eiseres] ),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 5.000,- die verweerder met het besluit van 24 maart 2023 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit ongegrond verklaard, maar de boete verlaagd naar € 4.250,-vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam] , en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam] en [naam] , werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Eiseres is een fabrikant van veevoeders voor jongvee, in het bijzonder van zuivelmengvoeders voor kalveren
.In deze mengvoeders worden verscheidene grondstoffen verwerkt, waaronder monocalciumfosfaat, wat is aangemerkt als voedermiddel. [1] In deze zaak gaat het om fluor dat in dit voedermiddel is aangetroffen. Fluor is een ongewenste stof en voor voederfosfaten zoals monocalciumfosfaat is een maximumgehalte aan fluor vastgesteld van 2.000 mg/kg van diervoeder met een vochtgehalte van 12 % (en dus 88 % droge stof). [2]
3.2.
Uit een rapport van bevindingen dat op 25 november 2022 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA blijkt het volgende.
3.2.1.
Via het Securefeed monitoringsprogramma, waarbij deelnemers van dit kwaliteitsbeheersysteem monsters van diervoeders insturen voor analyse, is rond 19 september 2022 bekend geworden dat in een partij monocalciumfosfaat van leverancier [de leverancier] sprake was van overschrijding van de norm van 2.000 mg/kg in het diervoeder voor de contaminant fluor. Bij de melding van [de leverancier] zat een analyserapport van Eurofins van 16 september 2022 met als resultaat 2.600 mg/kg fluoride in het product met 2,1 % vocht, wat neerkomt op 2.337 mg/kg fluoride in 88 % droge stof. Later is dit laboratoriumrapport vervangen door een analyserapport van Eurofins van 28 september 2022 met als resultaat 2.300 mg/kg fluoride in het product, wat neerkomt op 2.067 mg/kg fluor in 88 % droge stof, en waarbij een meetonzekerheid van + of - 391 mg/kg werd vermeld (dat is 17%).
3.2.2.
Op 19 september 2022 heeft [de leverancier] bij de NVWA melding gemaakt van het verhoogde gehalte fluoride in een partij monocalciumfosfaat en de afnemers van deze partij in kennis gesteld van de overschrijding. Een van deze afnemers is eiseres, die op 22 augustus 2022 een levering van 5.000 kg monocalciumfosfaat heeft ontvangen.
3.2.3.
Op 29 september 2022 heeft eiseres over die ontvangen partij monocalciumfosfaat melding gemaakt bij de NVWA door invulling van het ‘Meldingformulier schadelijke en ongeschikte levensmiddelen en/of diervoeders’ op de website van de NWVA. Op dit formulier vermeldt eiseres dat de partij monocalciumfosfaat is verwerkt in zeven partijen diervoeder en geeft zij als datum van het ontstaan van de tekortkoming en de ontdekking ervan 20 september 2022 op. Ook vermeldt eiseres op het formulier dat bij ingangscontrole de partij door eiseres is geanalyseerd. Het gevonden gehalte fluor bedroeg 2.250 mg/kg met daarbij als opmerking dat indien de meetonzekerheid zoals opgegeven door het laboratorium (50%) wordt meegenomen in de beoordeling, er geen sprake is van normoverschrijding. Verder vermeldt eiseres dat de bewuste partij grondstof op 20 september 2022, op het moment van de melding door de leverancier, volledig is verwerkt tot diervoeder.
3.3.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder in het boetebesluit vastgesteld dat eiseres door haar geproduceerde, verwerkte of gedistribueerde diervoeders die niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldeden, niet onmiddellijk uit de handel heeft genomen en de bevoegde autoriteit daarvan in kennis heeft gesteld. In het boetebesluit stelt verweerder vast dat eiseres daarmee een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 20 van Pro de Regeling diervoeders 2012 en met artikel 20, eerste lid, van Verordening 178/2002 [3] .
Verweerder heeft in het boetebesluit eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 5.000,-.
3.4.
In het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van de boete gewijzigd van artikel 20, eerste lid, naar artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002 en het beboetbare feit in die zin gewijzigd dat eiseres wordt verweten dat zij niet onverwijld aan de bevoegde autoriteiten heeft gemeld dat zij redenen had om aan te nemen dat een door haar in de handel gebracht diervoeder wellicht niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit vastgesteld dat de redelijke termijn met ruim twaalf maanden is overschreden en de boete om die reden met 15% gematigd tot een bedrag van € 4.250,-.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres voert aan dat zij geen overtreding heeft begaan. Eiseres heeft de van [de leverancier] ontvangen partij monocalciumfosfaat laten analyseren door TLR International Laboratories te Ridderkerk (TLR) en uit het analyserapport van 15 september 2022 bleek dat daarin een fluoridegehalte van 2.250 mg/kg is vastgesteld, zijnde 2.022 mg/kg in 88 % droge stof. Voorts volgt uit een e-mail van TLR van 28 september 2022 dat de meetonzekerheid voor deze analyse 50 % bedraagt. Gelet op deze meetonzekerheid is het maximumgehalte fluor in de partij monocalciumfosfaat dus niet overschreden. Daarbij was het analyseresultaat slechts 1,1 % hoger dan het wettelijke maximumgehalte en viel daarmee al binnen iedere denkbare meetonzekerheid. De partij monocalciumfosfaat voldeed dus aan de veiligheidsvoorschriften. Dat rekening moet worden gehouden met de meetonzekerheid volgt ook uit een rapport van RIKILT [4] , uit Deel C van Bijlage II van Verordening 152/2009 [5] en uit jurisprudentie van de Hoge Raad [6] . Verweerder stelt dat eiseres redenen had om aan te nemen dat het diervoeder wellicht niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed maar het woord ‘wellicht’ kan geen betekenis hebben bij een concreet meetbaar analyseresultaat. Bovendien is de vraag of aan het woord ‘wellicht’ in de Nederlandse taalversie van artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002 betekenis moet worden gehecht, nu dit woord in de Franse en Spaanse taalversie ontbreekt. Opvallend is dat ‘wellicht’ ook niet in artikel 5.15 van de Wet dieren is overgenomen. Voorts is het gelet op artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002 aan het diervoederbedrijf om op basis van voorliggende gegevens te concluderen of voor het diervoeder een meldingsplicht geldt. Eiseres kan niet worden verweten dat zij die conclusie richt naar de opvattingen van de wetenschap, de wetgever en de jurisprudentie aangaande de betekenis van analysetoleranties bij de vraag of aan een norm wordt voldaan. Ten aanzien van het verwijt dat eiseres geen onmiddellijke melding heeft gedaan na ontvangst van informatie van [de leverancier] op 19 september 2022, merkt eiseres op dat die informatie niet concreet betrekking had op de aan eiseres geleverde partij, maar op de totale partij van [de leverancier] . Bovendien vielen die analyseresultaten gelet op de meetonzekerheid ook binnen het maximumgehalte. Daarbij beschikte eiseres bij de ontvangst van de informatie van [de leverancier] al over een analysecertificaat van TLR waaruit een analyseresultaat bleek dat ten opzichte van de wettelijke norm binnen elke denkbare analysetolerantie was gelegen en dus geen aanleiding tot een meldingsplicht kon geven, aldus eiseres.
4.1.
Verweerder verwijt eiseres artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002 te hebben overtreden, waarin – kort gezegd – staat dat een exploitant van een diervoederbedrijf als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat door hem in de handel gebracht diervoeder wellicht niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet de bevoegde autoriteiten onverwijld daarvan in kennis moet stellen. Niet in geschil is dat eiseres diervoeder waarin de partij monocalciumfosfaat van [de leverancier] was verwerkt in de handel heeft gebracht. Wel is in geschil of eiseres redenen had om aan te nemen dat dit diervoeder niet of wellicht niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op 15 september 2022 het analyserapport van TLR ontving waaruit een fluorgehalte bleek dat hoger was dan het toegestane maximumgehalte. Immers, uit het rapport volgt een gehalte van 2.022 mg/kg in 88 % droge stof, wat hoger is dan het toegestane 2.000 mg/kg in 88 % droge stof. Voorts ontving eiseres rond 20 september 2022 het bericht van [de leverancier] dat in diervoeder sprake was van een overschrijding van de norm voor fluor, met daarbij een analyserapport van 16 september 2022 van Eurofins waaruit eveneens een fluorgehalte bleek dat hoger was dan het toegestane maximumgehalte. De informatie van [de leverancier] had weliswaar betrekking op de totale partij monocalciumfosfaat van 162.000 kilogram, maar een deel van die partij (5.000 kilogram) was aan eiseres geleverd en dus had de informatie over overschrijding van de norm voor fluorgehalte ook betrekking op het diervoeder dat eiseres met een deel van die partij heeft geproduceerd. [7] Eiseres vindt dat zij rekening mocht houden met de meetonzekerheid van de analyses van TLR en Eurofins, maar de rechtbank stelt vast dat eiseres met die meetonzekerheid bij de ontvangst van de analyserapporten en het bericht van [de leverancier] niet bekend was. Eerst op 28 september 2022 vernam eiseres via een e-mail van TLR dat de meetonzekerheid van de analyse 50 % was en eerst het nieuwe analyserapport van Eurofins van 28 september 2022 vermeldde een meetonzekerheid.
4.3.
Eiseres stelt verder dat ook als de exacte meetonzekerheid van de uitgevoerde analyses haar nog niet bekend was, zij wel mocht aannemen dat het diervoeder veilig was, omdat zelfs bij de minimale meetonzekerheid de uitslag binnen de wettelijke norm zou vallen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In de eerste plaats zou het betrekken van een meetonzekerheid bij de interpretatie van de analyse-uitslagen betekenen dat het fluorgehalte niet alleen lager, maar ook hoger dan de wettelijke norm kan zijn. Een meetonzekerheidsfactor geeft immers niet alleen een ondergrens maar ook een bovengrens van een analyse-uitslag aan. In de tweede plaats is van belang dat de wettelijke norm van 2.000 mg/kg is neergelegd in Bijlage I, Afdeling I, onder 3 van Richtlijn 2002/32/EG, waarin fluor is aangemerkt als ongewenste stof. Dat betekent dat fluor een potentieel gevaar oplevert voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu, of de dierlijke productie ongunstig kan beïnvloeden. [8] Zoals volgt uit onder meer overweging 11 van de preambule en artikel 3 van Pro deze Richtlijn kunnen producten voor het voederen van dieren waarvan het gehalte aan ongewenste stoffen de in bijlage I vermelde maximumgehalten overschrijdt een gevaar opleveren voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu, of de dierlijke productie ongunstig beïnvloeden. Voorts staat in artikel 15 van Pro Verordening 178/2002 getiteld ‘Veiligheidsvoorschriften voor diervoeder’, dat diervoeders worden geacht onveilig te zijn als ze nadelige effecten hebben op de dierlijke of menselijke gezondheid of het levensmiddel dat uit voedselproducerende dieren wordt geproduceerd onveilig maken voor menselijke consumptie. De rechtbank concludeert uit deze voorschriften dat een exploitant van diervoeder waarin het maximumgehalte van 2.000 mg/kg voor fluor wordt overschreden redenen heeft om aan te nemen dat dit diervoeder niet of wellicht niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet. Uit Richtlijn 2002/32 blijkt geenszins dat daarbij rekening moet worden gehouden met meetonzekerheden van analyses. Ook uit Verordening 152/2009 en een rapport van RIKILT – waarnaar eiseres heeft verwezen – volgt dit niet. Beide zien namelijk op de analyses ten behoeve van de officiële controle van diervoeders die door de bevoegde autoriteiten (in Nederland de NVWA) wordt uitgevoerd in een ander kader. Het ziet niet op de beoordeling van analyseresultaten door exploitanten. Dat in het geval van officiële controles wél rekening wordt gehouden met meetonzekerheden is ook begrijpelijk gelet op het belang van een uniforme toepassing van de Europese regels en de aantoonbaarheid die is vereist om te kunnen vaststellen dat voorschriften niet zijn nageleefd en daaraan sancties te kunnen verbinden. Die aantoonbaarheid door de bevoegde autoriteiten is ook vereist in de door eiseres genoemde uitspraken van de Hoge Raad, die overigens in een geheel andere context zijn gedaan dan waar onderhavige zaak over gaat.
4.4.
De door verweerder vastgestelde overtreding in deze zaak is evenwel niet gebaseerd op de vaststelling van de NVWA dat het diervoeder aantoonbaar niet veilig is, maar op de vaststelling dat eiseres informatie heeft verkregen waarmee zij redenen had om aan te nemen dat diervoeder (wellicht) niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldeed. Dat het diervoeder niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed, hoeft gelet op de tekst van artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002 niet vast te staan. Dit geldt ook als het woord ‘wellicht’ niet in de tekst zou zijn opgenomen. Gelet op de analyseresultaten van TLR van 15 september 2022 had eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende redenen om aan te nemen dat haar diervoeder niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldeed. Vervolgens ontving zij rond 20 september 2022 informatie van [de leverancier] met analyseresultaten van Eurofins, op basis waarvan zij eens te meer redenen had om dit aan te nemen. De verkregen informatie, namelijk dat sprake was van een overschrijding van het maximum gehalte van een ongewenste stof in het diervoeder, was zodanig duidelijk dat de rechtbank voorbij gaat aan het betoog van eiseres dat aan het woord ‘wellicht’ in artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002 geen betekenis mag worden gehecht. Ook als dit woord geen onderdeel zou uitmaken van de tekst van genoemd voorschrift was eiseres gehouden van de partij diervoeder melding te maken, nu de verkregen informatie voldoende was om aan te nemen dat de partij niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed.
4.5.
Vaststaat dat eiseres eerst op 29 september 2022 bij de NVWA melding heeft gemaakt van de overschrijding van het maximum fluorgehalte in de partij monocalciumfosfaat. Eiseres was echter al op 15 september 2022 met deze informatie bekend die nog eens werd bevestigd met de informatie die zij op 20 september 2022 van [de leverancier] ontving. Verweerder stelt terecht dat eiseres daarvan niet onverwijld melding heeft gemaakt zoals voorgeschreven in artikel 20, derde lid, van Verordening 178/2002. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres dit voorschrift heeft overtreden.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete
5. Eiseres voert aan dat zij de boete onevenredig hoog vindt. Ten onrechte stelt verweerder dat sprake is van een zware overtreding met een ernstig gevaar voor de volks- en diergezondheid. Het analyseresultaat van LRT lag binnen iedere denkbare analysetolerantie, maar zelfs als daarmee geen rekening zou worden gehouden is het verschil tussen het analyseresultaat en het maximaal toelaatbare fluoridegehalte dermate gering dat daaruit niet de door verweerder beschreven verregaande consequenties voor de voedselveiligheid of voor de volks- en diergezondheid kunnen voortvloeien.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan, verweerder op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren [9] bevoegd was eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren [10] , is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 5.000,-. Dat is ook de boete die verweerder heeft opgelegd. Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt een boete gehalveerd als de risico’s of gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarvoor terecht geen aanleiding gezien. Op 15 september 2022 en 20 september 2022 ontving eiseres informatie dat de monocalciumfosfaat die zij in diervoeder had verwerkt mogelijk niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed omdat daarin een te hoog gehalte fluor was aangetroffen. Op dat moment was eiseres nog niets bekend over de meetonzekerheid van de analyses, maar ook als dat wel het geval was geweest, had zij redenen om aan te nemen dat het geproduceerde diervoeder niet veilig was, zoals hiervoor is overwogen. Desondanks heeft zij dit niet onverwijld aan de NVWA gemeld. Daarmee heeft eiseres een risico voor de volks- en diergezondheid doen ontstaan, terwijl dit door een onverwijlde melding juist had kunnen worden beperkt. Zoals verweerder heeft benoemd is een onverwijlde melding van groot belang omdat dan snel en doeltreffend de dier- en voedselveiligheidsrisico’s kunnen worden beheerst en consumenten kunnen worden beschermd. Zo kan dan spoedig worden getraceerd waar de partijen diervoeder terecht zijn gekomen en worden bezien of door eiseres genomen maatregelen voldoende waren. Of de overschrijding van de maximum norm voor fosfaat gering is geweest, is hierbij niet van belang. Deze norm is vastgesteld na wetenschappelijk onderzoek en uit Richtlijn 2002/32 volgt duidelijk dat iedere overschrijding van een maximumgehalte een gevaar kan opleveren voor de gezondheid van mens en dier. Eiseres had dit gevaar eenvoudig kunnen beperken door onverwijld melding te doen bij de NVWA, maar dit heeft zij niet gedaan. Daarmee heeft eiseres verwijtbaar gehandeld. Gelet op de aard en ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid, vindt de rechtbank de opgelegde boete van € 5.000,- in dit geval passend en geboden.
Redelijke termijn
6. De rechtbank beoordeelt ambtshalve [11] of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is overschreden. Dit is bij punitieve sancties het geval als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. [12] De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5 % per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.
6.1.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van het voornemen op 27 januari 2023. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met één jaar en bijna zes maanden overschreden. Deze overschrijding biedt aanleiding voor matiging van de boete met 15 % tot een bedrag van € 4.250,-. De rechtbank stelt evenwel vast dat verweerder deze matiging reeds in het bestreden besluit heeft toegepast. Voor verdere matiging ziet de rechtbank geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat de boete van € 4.250,- in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. J.J.R. Lautenbach, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening 178/2002

Artikel 15
Veiligheidsvoorschriften voor diervoeders
Diervoeders worden niet in de handel gebracht of aan voedselproducerende dieren vervoederd indien zij onveilig zijn.
Diervoeders worden geacht onveilig te zijn voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd indien zij worden beschouwd als producten die:
  • nadelige effecten hebben op de dierlijke of menselijke gezondheid;
  • het levensmiddel dat wordt geproduceerd uit voedselproducerende dieren, onveilig voor menselijke consumptie maken.
3. Wanneer een diervoeder waarvan is vastgesteld dat het niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet, deel uitmaakt van een partij of zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving, wordt aangenomen dat dit geldt voor al het diervoeder in die partij of zending, tenzij er na een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen zijn dat de rest van de partij of zending niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet.
Artikel 20, derde lid
Een exploitant van een diervoederbedrijf stelt de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat door hem in de handel gebracht diervoeder wellicht niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet. Hij stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen om risico's als gevolg van het gebruik van dat diervoeder te voorkomen, en verhindert of ontmoedigt niemand om overeenkomstig de nationale wetgeving en de juridische praktijk, met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien hierdoor een risico in verband met een diervoeder kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen.

Richtlijn 2002/32

Artikel 3

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren mogen alleen voor gebruik in de Gemeenschap uit derde landen binnenkomen, in de Gemeenschap in het verkeer worden gebracht en/of worden gebruikt wanneer ze zuiver, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit zijn en bij correct gebruik dus geen enkel gevaar opleveren voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu en de dierlijke productie niet ongunstig kunnen beïnvloeden.
Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren worden met name geacht niet aan lid 1 te voldoen wanneer het gehalte aan ongewenste stoffen hoger is dan de in bijlage I vastgestelde maximumgehalten.
Bijlage I, afdeling I, onder 3
Ongewenste stoffen
Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren
Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %
3. Fluor
— fosfaten;
2 000

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Besluit diervoeders 2012

Artikel 3.2
Een ieder die met een diervoeder een handeling als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van de wet verricht, verricht die handeling slechts met een product dat bedoeld is voor het voederen van dieren dat het in bijlage I bij Richtlijn nr. 2002/32/EG vastgestelde gehalte aan ongewenste stoffen niet overschrijdt.

Regeling diervoeders 2012

Artikel 20
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 11, 12, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18 en 20 van verordening (EG) nr. 178/2002
.

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste en onder d

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
d. categorie 4: € 5.000
Artikel 2.3, aanhef en onder a
Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling diervoeders 2012 categorie
Artikel 20, voor zover dat artikel betrekking heeft op de artikelen 4
11, 12, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 18 en 20 van (EG) nr. 178/2002

Voetnoten

1.Verordening 68/2013 van 16 januari 2013 betreffende de catalogus van voedermiddelen, Bijlage, Deel C, onder 11.
2.Artikel 3.2 Besluit diervoeders 2012, gelezen in samenhang met Bijlage I, Afdeling I, onder 3, Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (Richtlijn 2002/32).
3.Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden.
4.‘Toepassing van meetonzekerheid bij de officiële controles van diervoeders’, oktober 2007.
5.Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie van 27 januari 2009 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders.
6.HR van 12 december 1995, NJ 1996/397; HR van 23 januari 1996, NJ 1996/400 en HR van 12 maart 1996, NJ 1996/511.
7.De rechtbank verwijst hierbij ook naar artikel 15, derde lid, Verordening 178/2002.
8.Zie artikel 2, aanhef en onder l, Richtlijn 2002/32
9.Gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, en artikel 8.6, Wet dieren en met artikel 20 Regeling Pro diervoeders 2012.
10.Gelezen in samenhang met artikel 2.2 Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.