ECLI:NL:RBROT:2026:75

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
24/9807
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor overtreding van de Wet dieren en EU-verordeningen inzake levensmiddelenhygiëne

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026, met zaaknummer ROT 24/9807, is een boete van € 17.500,- opgelegd aan eiseres voor een overtreding van de Wet dieren. De zaak betreft een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, waarbij eiseres een boete kreeg opgelegd wegens het niet naleven van hygiënevoorschriften tijdens de productie en distributie van vlees. Eiseres betwistte de boete en voerde verschillende beroepsgronden aan, maar de rechtbank oordeelde dat de minister de boete terecht had opgelegd. De rechtbank concludeerde dat de toezichthouder voldoende bewijs had geleverd van de overtreding, waaronder een rapport van bevindingen en foto's van de bezoedeling op karkassen. Eiseres had onvoldoende bewijs geleverd om de conclusies van de toezichthouder te weerleggen. De rechtbank volgde de argumenten van de minister en oordeelde dat de opgelegde boete rechtmatig was. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van bedrijven om te voldoen aan de hygiënevoorschriften en de rol van toezichthouders in het handhaven van deze regels.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9807

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 17.500,- die verweerder met het besluit van 31 mei 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam], de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 24 april 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.

Datum en tijdstip van de bevinding: 8 september 2023 omstreeks 10:31 uur.
In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam], functie: Manager Koud Vlees en Expeditie.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de expeditie van het slachthuis. De chef van de expeditie had mij gebeld dat het vlees dat geëxporteerd ging worden, klaar hing om in de vrachtwagen geladen te worden. Ik ben naar de expeditie gegaan en de chef heeft mij het te exporteren vlees aangewezen, zodat ik het kon inspecteren.
Ik zag daar tijdens deze inspectie tussen het voor humane consumptie goedgekeurde te exporteren vlees, twee halve kalverkarkassen hangen herkenbaar aan de stempel met EG keurmerk. Hier op was bezoedeling te zien, zie foto 1 en 2.
Bij beide karkassen zat de bezoedeling aan de buitenzijde van de achter schenkel. De bezoedeling was bruin/groenig van kleur en had een vezelige structuur, zie foto 1 en 2. Door de kleur en structuur van de bezoedeling herkende ik het als mest.
Ik heb de chef van de expeditie hiervan op de hoogte gesteld en deze de opdracht gegeven om deze bezoedeling te verwijderen. Vervolgens heb ik [Manager Koud Vlees en Expeditie] een rapport van bevindingen aangezegd.
Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie en verwerking werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie en verwerking beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004 [1] .
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 17.500,-. Dit is een verhoging van het standaardboetebedrag omdat volgens verweerder sprake is van recidive.

Beoordeling door de rechtbank

De geconstateerde bezoedeling
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat op karkassen mest is aangetroffen. Eiseres heeft de bezoedeling onderzocht en daaruit blijkt dat geen sprake was van groei van de e. coli bacterie en dus was het geen fecale bezoedeling. Ten onrechte gaat verweerder hieraan voorbij. Eiseres heeft in bezwaar aangegeven dat zij een hoorzitting op prijs stelt als er nadere vragen zijn naar aanleiding van haar bezwaar. In het bestreden besluit schrijft verweerder dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden omdat er geen nadere vragen waren. Dan geeft het geen pas om in het besluit tegen te werpen dat er geen kleurenfoto’s van het onderzoek zijn en dat de beschrijving van het onderzoek te summier is. Eiseres overlegt in beroep de kleurenfoto’s en geeft aan vragen over de onderzoeksmethode te willen beantwoorden.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de toezichthouder in het rapport voldoende duidelijk beschreven wat hij heeft waargenomen, namelijk op twee karkassen een bezoedeling die bruin/groenig van kleur was en een vezelige structuur had. Bij het rapport zijn ook twee foto’s gevoegd waarop donkere plekjes op karkassen te zien zijn. In het rapport schrijft de toezichthouder dat hij door de kleur en structuur herkende dat de bezoedeling mest betrof. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen en acht de toezichthouder gelet op zijn deskundigheid als dierenarts in staat om een fecale bezoedeling te herkennen. De door eiseres ingebrachte resultaten van eigen onderzoek bieden onvoldoende grond om de conclusie van de toezichthouder te kunnen weerspreken. Los van de vraag of het ontbreken van een e. coli bacterie bewijst dat geen sprake is van mest – wat door verweerder wordt betwist – is het onderzoek van eiseres onvoldoende verifieerbaar. Het ingebrachte stuk met enkele kleurenfoto’s en een summiere omschrijving is onvoldoende om te kunnen controleren wat er precies is onderzocht en of dit op de juiste wijze is gebeurd. Een nadere mondelinge toelichting van eiseres op een hoorzitting zou dit niet anders maken.
De overtreden norm
5. Eiseres voert aan dat haar ten onrechte een boete wordt opgelegd wegens overtreding van de norm van Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. Daartoe betoogt zij dat volgens verweerder de bezoedeling tijdens de uitslachtfase heeft plaatsgevonden en specifiek op die fase is een andere norm van toepassing, namelijk die van punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III van Verordening 853/2004 [3] . Uit artikel 4, tweede lid, van Verordening 852/2004 volgt ook dat dit specifieke voorschriften zijn, dus een lex specialis, ten opzichte van de algemene bepaling van Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004, en die specifieke bepalingen gaan voor op de algemene bepaling. Eiseres heeft belang bij toepassing van deze specifieke voorschriften omdat verweerder in dat geval moet bewijzen dat de bezoedeling al aanwezig was voordat de karkassen de volgende fase na het uitslachten ingingen. Dit heeft verweerder niet gedaan, aldus eiseres.
4.1.
Punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening 853/2004 schrijven voor dat verontreiniging van het vlees moet worden voorkomen en onmiddellijk moet worden verwijderd. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meermaals heeft geoordeeld [4] zien deze voorschriften op de uitslachtfase en moet vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan deze voorschriften zijn voldaan. In dit geval is de bezoedeling van het vlees geconstateerd op de expeditieafdeling, dus ver na de uitslachtfase. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder in dit geval punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag had moeten leggen. Dat verweerder ervan uitgaat dat de fecale bezoedeling in de uitslachtfase is ontstaan, wordt door verweerder betwist, maar ook al zou dit het uitgangspunt zijn, dan maakt dat nog niet dat verweerder punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag moet leggen. De constatering is immers in een ander, veel verder, stadium dan de uitslachtfase gedaan. Bovendien zijn er situaties denkbaar waarin een fecale bezoedeling pas na de uitslachtfase op vlees terecht komt of zichtbaar wordt. Anders dan punt 7 en 10, ziet punt 3 van hoofdstuk IX, bijlage II, van Verordening 852/2004 op alle stadia van de productie, verwerking en distributie en dus ook op de expeditieafdeling van eiseres. Verweerder heeft dan ook terecht punt 3 aan de overtreding ten grondslag gelegd.
4.2.
Overigens volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II van Verordening 852/2004 (waaronder punt 3, van hoofdstuk IX) en de specifieke voorschriften van Verordening 853/2004 (waaronder punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III) elkaar niet uitsluiten en naast elkaar kunnen bestaan. Dat neemt niet weg dat verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, wel een keuze maakt in het voorschrift dat bij een bezoedeling ten laste wordt gelegd. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat als een bezoedeling wordt aangetroffen in de uitslachtfase of kort na de stempelaar, punt 7 en 10 ten laste wordt gelegd en daarbuiten punt 3. Of dit uitgangspunt in een specifieke zaak wordt gevolgd is afhankelijk van de inrichting van het slachthuis en de feiten en omstandigheden in dat geval. De rechtbank vindt deze werkwijze navolgbaar.
De boete
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004 heeft overtreden. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren [5] was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen dan wel had moeten afzien van de oplegging van een boete.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening 852/2004

Artikel 4, tweede lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3
In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.

Verordening 853/2004

Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 7 en 10

7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
8. de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij rituele slachtingen;
9. tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en
ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;
er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en
d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk of colostrum
10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

Regeling dierlijke producten

Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004;

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
3.Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong
4.Onder meer in ECLI:NL:CBB:2021:1029
5.Gelezen in samenhang met artikel 8.6 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, en met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten