Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7524

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/6601
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.18 WHWArt. 7.19 WHWArt. 3.2 PromotiereglementArt. 2.2 PromotiereglementEHRM 27 juni 2000, 28871/95
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot aanwijzing nieuwe promotor voor PhD-traject wegens onvoldoende gronden

Eiser verzocht het college voor promoties van een universiteit om een andere promotor aan te wijzen voor zijn PhD-traject, nadat hij ontdekte dat zijn promotor een open brief had ondertekend tegen een boycot van Israëlische universiteiten. Eiser voelde zich hierdoor moreel geraakt en stelde dat de vertrouwensrelatie was verbroken.

Het college wees het verzoek af op grond van het promotiereglement, dat slechts in specifieke gevallen een promotorwissel toestaat. De rechtbank toetste dit besluit terughoudend vanwege de discretionaire bevoegdheid van het college. De inhoud van de brief viel binnen de vrijheid van meningsuiting en vormde geen reden om de promotor ongeschikt te achten.

De rechtbank oordeelde dat de vertrouwensbreuk aan de zijde van eiser onvoldoende is om een promotorwissel te rechtvaardigen, mede omdat de promotor bereid bleef te begeleiden en bemiddeling werd geprobeerd. Ook het argument dat het conflict impact zou hebben op de academische integriteit werd verworpen.

De rechtbank concludeerde dat het college het verzoek op goede gronden heeft afgewezen, dat het besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen, en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om geen nieuwe promotor aan te wijzen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6601

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] ( [land] ), eiser

(gemachtigde: mr. Y. Ersoy),
en

het college voor promoties van [universiteit 1] , het college,

(gemachtigde: mr. R. Bertens).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek tot het aanwijzen van een nieuwe promotor voor zijn PhD-traject. Eiser is het met deze afwijzing niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Het college heeft in de ondertekening door de promotor van de brief tegen de boycot van Israëlische universiteiten geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat de promotor niet geschikt is om als eisers promotor op te treden. Ook anderszins is dit niet gebleken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 18 maart 2025 heeft het college geweigerd een andere promotor voor eiser aan te wijzen. Met het bestreden besluit van 18 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college daarbij gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
  • eiser;
  • mr. Y.Y. Boduç, die waarnam voor eisers gemachtigde;
  • K. Koyuncu, tolk in de Engelse taal;
  • de gemachtigde van het college samen met [persoon A] , bestuurssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Met ingang van 1 september 2023 is door [organisatie] (DAAD) aan eiser een beurs toegekend met als doel het verkrijgen van een doctoraat. Eiser volgt het European Doctorate in Law and Economics (EDLE) programma, waarvan een PhD-traject aan [universiteit 1] ( [universiteit 1] ) deel uitmaakt. Eiser en de [universiteit 1] zijn een gastvrijheidsovereenkomst aangegaan. Vanuit de [universiteit 1] heeft eiser professor doctor [promotor] (de promotor) als promotor toegewezen gekregen.
3.2.
Op 4 december 2024 heeft eiser een e-mailbericht naar de promotor verstuurd waarin hij - kort samengevat weergegeven - aangeeft dat hem is gebleken dat de promotor een brief gericht tegen een institutioneel boycot van Israëlische universiteiten heeft ondertekend. In deze brief wordt onder meer gesteld dat de beschuldigingen van genocide door Israël compleet onacceptabel zijn, wat volgens eiser in strijd is met de conclusie van het Internationaal Strafhof. Voor eiser is dit een belangrijk thema. Hij benoemt in zijn bericht verder dat hij afkomstig is uit het Midden-Oosten en zich moreel verplicht voelt om zich uit te spreken over het lijden van de Palestijnse bevolking.
Eiser spreekt in zijn e-mail de hoop uit dat de promotor van gedachten verandert ten aanzien van de brief en geeft vervolgens aan van mening te zijn dat het beter is om de samenwerking met de promotor stop te zetten en hij vraagt de promotor hoe hij hiertegen aankijkt.
3.3.
De promotor heeft eisers e-mailbericht van 4 december 2024 niet beantwoord, maar doorgestuurd naar de decaan. Vervolgens is een bemiddelingstraject gestart waarbij onder andere de vertrouwenspersoon en de Graduate School zijn ingeschakeld. Op 17 december 2024 heeft eiser het college verzocht een andere promotor aan te wijzen.
3.4.
Met het primaire besluit van 18 maart 2025 heeft het college het verzoek van eiser om een andere promotor afgewezen omdat het promotiereglement hier niet in voorziet en er geen noodzaak toe is. Ook is aangekondigd dat als eiser zijn promotieonderzoek aan de [universiteit 1] niet onder de supervisie van zijn huidige promotor wenst voort te zetten zijn promotietraject aan de [universiteit 1] zal worden beëindigd.
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie voor Klachten en Bezwaarschriften (AKB), het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen juridische grondslag bestaat voor het vervangen van de promotor. De door de promotor ondertekende open brief valt onder de vrijheid van meningsuiting en bevat geen onrechtmatige of strafbare uitingen. Verder is er geen sprake van groepsbelediging of inbreuk op sociale veiligheid.
3.6.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 19 november 2025 [1] het verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorzienig afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.
3.7.
Op 1 september 2025 is de gastvrijheidovereenkomst van eiser met de [universiteit 1] beëindigd.
De beroepsgronden van eiser
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat de conclusies van het college ten aanzien van het ondertekenen van de open brief onjuist zijn, waarbij eisers fundamentele recht op bescherming van zijn eer en goede naam is miskend. Ten onrechte stelt het college zich op het standpunt dat de promotor met ondertekening van de brief binnen de grenzen van zijn recht op vrijheid van meningsuiting is gebleven. Ook bij het gebruik van het recht op vrijheid van meningsuiting moet rekening gehouden worden met de rechten en gevoelens van derden. Dit volgt uit het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 27 juni 2000. [2] De boodschap in de brief tegen een boycot van Israëlische universiteiten had op een minder vergaande en minder aanstootgevende wijze kunnen worden verwoord. In de brief wordt uitdrukkelijk gesteld dat de tragische dood van Palestijnse burgers niet kan worden vergeleken met de dood van Joden op 7 oktober 2023. Daarmee worden de genocidale daden van Israël publiekelijk vergoelijkt, ontkend, althans vergaand gebagatelliseerd. Dergelijke uitingen zijn kwetsend en grievend voor Palestijnen en mensen zoals eiser die zich met deze bevolkingsgroep identificeren. Zodoende zijn deze uitingen op zichzelf beschouwd als beledigend voor een groep aan te merken. Eiser wijst erop dat ook het Internationaal Gerechtshof, de commissie van Human Rights Counsil en Amnesty International hebben geconcludeerd dat Israël genocide pleegt.
De promotor heeft zich, met ondertekening van de brief, achter de daarin opgenomen uitingen geschaard. Eiser bevindt zich in een afhankelijkheidsrelatie tot de promotor waarin wederzijds vertrouwen voorop staat. Door het ondertekenen van de brief is deze vertrouwensrelatie fundamenteel aangetast. Bovendien gaat eisers promotieonderzoek over CO²-emissies, terwijl het conflict in Gaza grote consequenties heeft voor het klimaat. Daarmee is ook de academische integriteit van de begeleiding door ondertekening van de brief ondermijnd.
Daarnaast voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd met enkele algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. Eiser stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden omdat niet alle relevante belangen zijn onderzocht en meegewogen en niet op alle stellingen van eiser is ingegaan. Zo is niet onderzocht of nog sprake is van een werkbare en vertrouwensvolle begeleidingsrelatie tussen eiser en de promotor. In dit verband merkt eiser op dat de promotor zijn e-mail van 4 december 2024 direct heeft doorgestuurd naar de decaan, terwijl dit onmiskenbaar bedoeld was als een privébericht en dat de promotor daarna elk gesprek of contact uit de weg is gegaan. Dit heeft tot een verdere vertrouwensbreuk geleid. Ook ten aanzien van de bemiddeling is onvoldoende zorgvuldig gehandeld, omdat geen sprake was van een onafhankelijke mediator en ook alternatieve oplossingen niet zijn onderzocht. Eiser voert daarnaast aan dat de besluitvorming onvoldoende transparant en vooringenomen is geweest door niet te vermelden welke leden aan de besluitvorming hebben deelgenomen en wat de samenstelling van de AKB zou zijn.
Tot slot stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De gevolgen voor eiser van het niet toekennen van een andere promotor aan hem, zijn onevenredig zwaar. Het promotietraject met de [universiteit 1] is al beëindigd, als gevolg waarvan hij geen toegang meer heeft tot begeleiding en de faciliteiten van de [universiteit 1] . Ook de deelname van eiser aan het EDLE-programma zal worden beëindigd. Dit geeft een reëel risico op beëindiging van de DAAD-beurs. Dit betekent een einde aan zijn onderzoeksproject en gehele academische carrière, mogelijkheid om zijn doctorstitel te behalen en zijn financiële zekerheid. Bovendien is eisers reputatie aangetast.
Het toetsingskader
5. In deze procedure moet de rechtbank beoordelen of het college het verzoek van eiser om een andere promotor aan te wijzen op goede gronden heeft geweigerd. Zij doet dit aan de hand van de hierboven weergegeven gronden van beroep van eiser.
5.1.
Op grond van artikel 7.18, vierde lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, wijst het college voor promoties voor elke promotie een promotor aan. Op grond van artikel 7.19 van deze wet stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:
de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken,
de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen, en
(…)
5.2.
Conform deze bepaling is het Promotiereglement 2025 [universiteit 1] (het Promotiereglement) vastgesteld. Het Promotiereglement kent een drietal gronden op basis waarvan de decaan kan beslissen om de aanwijzing tot promotor in te trekken en een andere promotor aan te wijzen. [3] Allereerst is dit het geval indien de promotor zelf niet langer bereid is om als promotor op te treden. Deze grond is in deze zaak niet van toepassing omdat de promotor altijd heeft aangegeven zijn rol als promotor te willen en kunnen blijven vervullen. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.
De tweede grond is dat de promotor niet langer in staat is om als promotor op te treden. Naar het oordeel van de rechtbank ziet deze grond op het objectief bezien niet langer kunnen vervullen van de taak als promotor. Hierbij kan gedacht worden aan omstandigheden als overlijden of ziekte. De promotor kan zijn functie fysiek dan wel mentaal gezien niet langer uitvoeren. Van een dergelijke situatie is in deze zaak evenmin sprake.
De derde en laatste grond voor het wijzigen van een promotor is dat de promotor, naar het oordeel van de decaan, onvoldoende goed invulling geeft aan de rol van promotor. Dit staat in het zevende lid van artikel 3.2. van het Promotiereglement. Deze grond kent een ruime beoordelingsruimte. Hierbij kan naar het oordeel van de rechtbank gedacht worden aan het blijk geven van onvoldoende begeleiding of deskundigheid aan de kant van de promotor, maar ook aan situaties van grensoverschrijdend gedrag. De rechtbank zal de weigering van het college om tot het aanwijzen van een andere promotor over te gaan beoordelen aan de hand van artikel 3.2., zevende lid, van het Promotiereglement. Uit de verklaringen ter zitting namens het college maakt de rechtbank op dat dit ook de intentie van het college is geweest.
5.3.
Omdat de grond uit artikel 3.2., zevende lid, van het Promotiereglement een discretionaire bevoegdheid met zowel beleids- als beoordelingsruimte bevat, moet de rechtbank de toepassing hiervan terughoudend toetsen.
5.4.
Voor een weergave van de toepasselijke bepalingen uit het Promotiereglement en andere wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de bijlage ‘wettelijk kader’. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Beoordeling gronden beroep
Het ondertekenen van de open brief door de promotor.
6.1.
Vast staat dat de promotor de open brief ‘Open letter United Against the Academic Boycot of Israël’ [4] heeft ondertekend. Deze brief is opgesteld als reactie op een oproep tot het verbreken van banden met Israëlische academische instituties vanwege de oorlog in Gaza. Een ieder kan deze brief (digitaal) ondertekenen. De promotor heeft dit omstreeks april/mei 2024 gedaan.
Hieronder volgen enkele passages uit de brief:
‘As for the “genocide” charge, we believe it is completely unacceptable. The death of civilians is a tragedy in this war, as in all others. But the unwanted and tragic death of Palestinian civilians during Israel’s targeting of legitimate military objectives in Gaza is not comparable to Hamas’s October 7 murder spree. While it is not antisemitic to question Israel's military and counter-terror strategies, the accusation that Israel is deliberately pursuing literal physical genocide in Gaza traffics in ugly canards and tropes about the sinister and malevolent Jew. To be clear: the only genuinely genocidal party here is Hamas, which in its founding charter fantasizes about the killing of every last Jew on earth.’
‘We do not deny the humanitarian crisis in Gaza. We care deeply about the suffering of Palestinians and the loss of innocent life in the current conflict. We hope for an end to the violence, as soon as possible. However, we also acknowledge that Hamas has a long history of using Palestinian civilians as human shields, and deliberately firing rockets from hospitals, schools, UN buildings, mosques, and in the vicinity of humanitarian zones. All these reprehensible tactics are aimed at getting as many “martyrs” as possible in front of cameras, in order to manipulate political opinion and turn it against Israel. Judging by the sentiments prevalent on many of our college campuses, its cynical strategy has been a resounding success.’
Onder de brief staan de namen van de ondertekenaars, evenals hun titels en de universiteit waaraan ze verbonden zijn. Daarbij staat het volgende vermeld:

Referenced titles and institutional affiliations are included for identification purposes only. The signatories are reflecting their personal views, and are not speaking on behalf of any university, department, or program.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak niet gaat om de vraag of het ondertekenen van de open brief door de promotor op zichzelf onrechtmatig is, maar om de vraag of de promotor door het ondertekenen van die brief onvoldoende goed invulling heeft gegeven aan de rol van promotor. Bij de beoordeling daarvan speelt de inhoud van de brief uiteraard wel een rol. Vooropgesteld wordt dat de inhoud van de brief kennelijk door de promotor wordt onderschreven, nu hij deze brief, op eigen naam, heeft ondertekend. De brief is gericht tegen een academische boycot van Israëlische universiteiten en moet naar het oordeel van de rechtbank gezien worden in de bredere context van het voeren van een maatschappelijk debat. Zeker in het kader van de deelname aan een maatschappelijk debat moet er zo veel mogelijk ruimte zijn voor de uitwisseling van verschillende standpunten en ideeën en is de vrijheid van meningsuiting van groot belang. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat, in deze context, het enkele ondertekenen van de open brief niet maakt dat de promotor onvoldoende goed invulling geeft of kan geven aan zijn rol van promotor. Het enkele feit dat de promotor en eiser van mening verschillen over een onderwerp dat maatschappelijk zeer gevoelig ligt en dat eiser, gelet op zijn achtergrond, persoonlijk raakt, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de promotor zijn mening publiekelijk heeft gemaakt door ondertekening van de brief, leidt evenmin tot een ander oordeel. Dat zou anders kunnen zijn als evident was dat de promotor ten koste van eiser de grenzen van de vrijheid van meningsuiting heeft overschreden of zich beledigend naar eiser heeft uitgelaten en dat als gevolg daarvan de promotor-promovendusrelatie onherstelbaar is beschadigd. In dat geval zou de conclusie gerechtvaardigd kunnen zijn dat de promotor onvoldoende goed invulling geeft aan zijn rol van promotor. Dat een dergelijke situatie aan de orde is, is echter niet gebleken. Dat eiser zich de mening van de promotor persoonlijk heel erg heeft aangetrokken, staat los van de vraag of de promotor enige rechtsregel heeft overtreden en daardoor de promotor-promovendusrelatie is beschadigd. Verder heeft eiser zijn stelling dat hij door zijn connectie met de promotor (reputatie)schade heeft opgelopen op geen enkele wijze onderbouwd. Eiser heeft erkend dat de band met de promotor altijd goed is geweest en de promotor tegen eiser of in diens aanwezigheid nooit onwelgevallige (politieke) uitlatingen heeft gedaan. Het college heeft er verder op kunnen wijzen dat er juist binnen de academische wereld ruimte moet zijn om uiting te geven aan verschillende overtuigingen, zonder dat iemand hier persoonlijk op wordt aangekeken en zonder dat dit de professionele relatie raakt. Dit valt binnen de academische vrijheid, wat eiser ook niet betwist. Bij het aanwijzen van een promotor wordt met dergelijke verschillen geen rekening gehouden. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser, gezien zijn achtergrond, geraakt is door de inhoud van de brief, heeft het college hierin geen aanleiding hoeven zien tot een promotorwissel over te gaan.
De vertrouwensbreuk
6.3.
De rechtbank volgt het college ook in het standpunt dat de omstandigheid dat eiser geen enkel vertrouwen meer heeft in de promotor evenmin reden is de aanwijzing van de promotor in te trekken en een andere promotor aan te stellen. Dat aan de kant van eiser sprake is van een definitieve vertrouwensbreuk, is ter zitting duidelijk geworden. Eiser heeft verklaard dat hij tot aan het moment dat hij erachter kwam dat de promotor de brief had ondertekend, altijd tevreden is geweest over de promotor. Dit volgt ook uit zijn e-mailbericht van 4 december 2024. Verder heeft eiser verklaard dat hij enkel met de promotor door wilde gaan als de promotor in een persoonlijk gesprek van mening zou veranderen ten aanzien van de brief. Nadat de promotor eisers e-mail zonder enige reactie heeft doorgestuurd naar de decaan, was ook dit voor eiser geen optie meer. Het college heeft toegelicht dat de promotor de e-mail van eiser gelet op de gevoeligheid van het onderwerp en de daarin uitgesproken wens van een andere promotor conform artikel 2.2., vierde lid van het Promotiereglement heeft doorgezonden naar de decaan. De promotor had op dit punt ook anders kunnen handelen door wel eerst ook het gesprek met eiser aan te gaan. Dat hij dat niet heeft gedaan, maakt gelet op de door het college gegeven begrijpelijke toelichting niet dat de promotor een onjuiste invulling heeft gegeven aan zijn rol als promotor of dat hem te verwijten is dat er geen vertrouwensbasis meer was. De promotor heeft bovendien altijd aangegeven bereid te zijn eiser te begeleiden tijdens zijn promotietraject. De promotor heeft zich op het standpunt gesteld zijn relatie met eiser zakelijk te willen houden en niet politiek te maken. Conform het Promotiereglement heeft de decaan een bemiddelingstraject opgestart waarbij zowel met eiser als de promotor is gesproken. Deze bemiddeling is mede gestrand omdat eiser, zoals ter zitting door hem erkend, niet bereid bleek om nog samen met de promotor in gesprek te gaan. Eiser heeft zowel verzoeken daartoe van de Graduate School als de decaan afgewezen. Nu eiser volhardde in zijn standpunt, was het niet aan het college om uit te leggen hoe eiser en de promotor hun samenwerking in de toekomst hadden kunnen voortzetten dan wel op zoek te gaan naar alternatieve oplossingen. Dit vereist op zijn minst dat beide partijen bereid zijn met elkaar te spreken. Het college restte niet anders dan de bemiddeling stop te zetten en een formele beslissing op het verzoek van eiser te nemen. Onder de gegeven omstandigheden kon niet van het college verwacht worden het verzoek van eiser om een andere promotor in te willigen. Het college heeft daarbij in redelijkheid kunnen meewegen dat het verzoek van eiser om een andere promotor toch in te willigen een onwenselijk precedent kan scheppen.
CO2-emissie
6.4.
Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser ook niet gevolgd wordt in zijn stelling dat de promotor niet (langer) geschikt is om zijn rol als promotor te vervullen vanwege de grote impact van het conflict in Gaza op het klimaat. De open brief gaat over de boycot van Israëlische universiteiten, niet over het klimaat. Dat de promotor zich heeft uitgesproken tegen die boycot, impliceert niet dat hij de impact van het conflict op het klimaat vergoelijkt of relativeert, zoals eiser stelt.
Tussenconclusie
6.5.
Uit al het voorgaande volgt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ondertekenen van de brief door de promotor en de hierdoor bij eiser ontstane vertrouwensbreuk niet tot de conclusie leidt dat de promotor onvoldoende goed invulling geeft aan de rol van promotor. Het college heeft alle betrokken belangen zorgvuldig in zijn afweging meegenomen en voldoende gemotiveerd waarom eisers verzoek tot aanwijzing van een andere promotor is afgewezen.
Het beginsel van vooringenomenheid
7. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met het beginsel van vooringenomenheid is genomen dan wel dat sprake is geweest van belangenverstrengeling. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de decaan niet betrokken is geweest bij de besluitvorming, omdat de decaan zich vanwege een ander conflict met eiser heeft teruggetrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De samenstelling van de AKB volgt uit haar advies van 9 juli 2025 en de leden zijn bij de hoorzitting voorgesteld. Geen rechtsregel schrijft voor dat de samenstelling van een bezwaarschriftencommissie vooraf aan partijen bekend moet worden gemaakt.
Het evenredigheidsbeginsel
8. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de gevolgen van de weigering om eiser een andere promotor toe te wijzen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met het bestreden besluit worden gediend. Zoals hierboven is overwogen is geen van de gronden om een andere promotor aan te wijzen van toepassing. Er was dus geen inhoudelijke grond voor het aanwijzen van een andere promotor. Het college heeft een groot belang kunnen hechten aan de onwenselijke precedentwerking die kan uitgaan van het (alsnog) inwilligen van eisers verzoek. Het inwilligen van eisers verzoek kan leiden tot een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting, want zet de deur open voor verzoeken om een andere promotor aan te wijzen alleen vanwege andere opvattingen, zoals politieke of religieuze denkbeelden. Juist een academische omgeving vraagt om kritisch debat, waarin ook ruimte is voor controversiële vragen en minderheidsopvattingen. Van betrokkenen mag worden verwacht dat ze de wetenschappelijke samenwerking los kunnen zien van privéopvattingen. Ter zitting is bovendien gebleken dat eiser zijn promotietraject in [woonplaats] kan afronden en dat hij, omdat hij nog altijd deel uitmaakt van het EDLE-programma, ook nog de DAAD-beurs ontvangt. Dat eiser mogelijk enkel een academische titel van de [universiteit 2] ontvangt en niet tevens van de [universiteit 1] en de [universiteit 3] als hij zijn promotietraject niet in [plaats] voort kan zetten, maakt het bestreden besluit niet onevenredig. De rechtbank wijst erop dat dit ook het gevolg is van keuzes die eiser zelf heeft gemaakt. De promotor is bereid gebleven eiser bij te staan, maar hier heeft eiser niet voor gekozen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzitter, en mr. G.B. Plomp en mr. Y.E. Schuurmans, leden, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: Wettelijk kader

Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.18. Verlening van de graden Doctor of Doctor of Philosophy; toegang en inrichting promotie.
1. Het college voor promoties van een universiteit, de Open Universiteit of een levensbeschouwelijke universiteit is bevoegd de graden Doctor of Doctor of Philosophy te verlenen op grond van promotie. De graden Doctor en Doctor of Philosophy zijn gelijkwaardig.
2. Tot de promotie heeft toegang ieder:
an wie op grond van artikel 7.10a, eerste of tweede lid, de graad Master is verleend; en die
als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en
heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
3. In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.
4. Voor elke promotie wijst het college voor promoties een promotor aan. Als promotor kunnen worden aangewezen een hoogleraar of, voor zover aan diegene de graad Doctor of Doctor of Philosophy is verleend, een ander personeelslid van een universiteit, een levensbeschouwelijke universiteit of de Open Universiteit dat naar het oordeel van het college voor promoties over voldoende bekwaamheid beschikt om als promotor op te treden. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
5. Voor de toepassing van het vierde lid worden de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
6. Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen de graden Doctor of Doctor of Philosophy verlenen op grond van een promotie. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. De instellingen kunnen nadere afspraken maken omtrent de uitvoering binnen het bepaalde in het promotiereglement.
Artikel 7.19. Promotiereglement; eredoctoraat
1. Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:
de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken,
de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen, en
indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot artikel 7.18, zesde lid.
2. Het college voor promoties is bevoegd om, op voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen de graad Doctor honoris causa te verlenen.
Het Promotiereglement
2.2.
Het promotietraject
1. De faculteit en/of Graduate School, waartoe de promovendus behoort, draagt zorg voor adequate administratieve ondersteuning, inbedding en een toereikend opleidingsaanbod van voldoende kwaliteit.
2. Toegelaten kandidaten krijgen toegang tot de benodigde voorzieningen op de [universiteit 1] en/of Erasmus MC door middel van een arbeidscontract (voor bezoldigde promovendi) of een gastvrijheidsovereenkomst (voor onbezoldigde promovendi).
3. Toegelaten PhD kandidaten moeten uiterlijk drie maanden na de registratiedatum hun opleidingsplan hebben afgesproken en genoteerd in het training- en supervisieplan (TSP) en het TSP hebben vastgelegd in Hora Finita;
4. Indien zich gedurende het promotietraject een conflict voordoet tussen de promotor en de promovendus, leggen deze dit conflict voor aan de decaan die tracht te bemiddelen.
3.1.
Promotor(en) en copromotor(en)
1. Een promovendus heeft minimaal twee en maximaal vier begeleiders.
2. De decaan wijst namens het college voor promoties – op het moment van toelating van de kandidaat-promovendus tot het promotietraject - een hoogleraar van de [universiteit 1] , of een ander personeelslid van de [universiteit 1] in bezit van het ius promovendi, aan als promotor.
(…)
3.2.
Regeling eervol ontslag en wijzigingen in het begeleidingsteam.
(…)
6. Indien een promotor niet langer in staat of bereid is als promotor op te treden, kan de decaan namens het college voor promoties de aanwijzing intrekken. In dat geval kan een andere hoogleraar of personeelslid in het bezit van het ius promovendi als promotor worden
aangewezen. Ook wanneer een copromotor zich wil terugtrekken, kan de decaan de aanwijzing intrekken en een vervanger aanwijzen.
7. Indien een promotor, naar het oordeel van de decaan, onvoldoende goed invulling geeft aan de rol van promotor, kan de decaan de aanwijzing intrekken en een vervanger aanwijzen. Hiertegen kan de promotor in kwestie binnen zes weken in bezwaar gaan bij het college voor promoties.
(…)

Voetnoten

2.EHRM 27 juni 2000, 28871/95, ECLI:CE:ECHR:2000:0627JUD002887195, (
3.Zie de leden 6 en 7 van artikel 3.2. Promotiereglement
4.Zie