ECLI:NL:RBROT:2026:7780

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
ROT 24/11555
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 2.1 WhtArt. 2.7 WhtArt. 19 AwirArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: Dienst Toeslagen moet nader onderzoek doen naar kinderopvangtoeslag 2011-2013

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Dienst Toeslagen waarin haar compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) deels werd toegekend en deels afgewezen. De Dienst Toeslagen stelde dat over de jaren 2011 tot en met 2013 sprake was van “evident geen recht” op kinderopvangtoeslag, omdat niet was gebleken dat eiseres in die jaren opvang had afgenomen.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd dat er na 2010 geen kinderopvang is afgenomen. Er bestaat te veel twijfel, mede door tegenstrijdige gegevens in de dossiers en het ontbreken van volledig ouderdossier. Ook is onduidelijk of eiseres daadwerkelijk telefonisch de toeslag heeft stopgezet in 2014.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro en draagt de Dienst Toeslagen op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het volledige ouderdossier moet worden betrokken en nader onderzoek moet worden gedaan naar de opvang in 2011-2013. Tevens wordt een dwangsom opgelegd bij overschrijding van deze termijn. De kosten en griffierecht worden aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de Dienst Toeslagen moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met nader onderzoek naar de kinderopvangtoeslag over 2011-2013.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11555

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanspraken van eiseres op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De Dienst Toeslagen moet een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen. Onder meer moet de Dienst Toeslagen nader onderzoek doen naar de vraag of eiseres in 2011 tot en met 2013 kinderopvang heeft afgenomen.

Procesverloop

2.1.
Met een besluit van 24 november 2022 met kenmerk [kenmerk 1] (het primaire besluit I) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een compensatiebedrag van € 4.616,- toegekend over het toeslagjaar 2011.
2.2.
Met een besluit van 5 december 2022 met kenmerk [kenmerk 2] (het primaire besluit II) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS) toegekend van € 16.186,- over de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014.
2.3.
Met een besluit van 26 november 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de Dienst Toeslagen gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I. Het compensatiebedrag is daarbij gewijzigd vastgesteld op € 4.659,-. De Dienst toeslagen is in het bestreden besluit niet tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tweemaal aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.5.
De Dienst Toeslagen heeft tweemaal een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, F. den Hengst als tolk, de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3.
3.1.
Eiseres heeft in de periode van 2009 tot en met 2015 voor twee kinderen kinderopvangtoeslag aangevraagd.
3.2.
De Dienst Toeslagen heeft de volgende bedragen aan kinderopvangtoeslag van eiseres teruggevorderd:
  • over 2009: € 67,-;
  • over 2011: € 18.002,-;
  • over 2012: € 17.712,-;
  • over 2013: € 17808,-;
  • over 2014: € 2.364,-;
  • over 2015: € 197.
3.3.
Eiseres heeft op 5 februari 2021 een verzoek gedaan om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wht.
3.4.
Met een besluit van 21 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht toegekend.
4. Aan het bestreden besluit is – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Over de jaren 2011 tot en met 2013 bestaan er aanwijzingen dat de Dienst Toeslagen bij de diverse nihilstellingen vooringenomen heeft gehandeld omdat niet gebleken is dat de Dienst Toeslagen voorafgaand aan de nihilstellingen informatie heeft opgevraagd bij eiseres. Volgens de Dienst Toeslagen is echter niet gebleken dat eiseres na 2010 nog kinderopvang heeft afgenomen. Er is volgens de Dienst Toeslagen sprake van “evident geen recht”, zodat er, behalve het al toegekende bedrag over 2011, geen compensatie kan worden verstrekt. Eiseres komt over de jaren 2011 tot en met 2014 in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming omdat sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en niet meer kan worden nagegaan of deze terecht was. Op 1 december 2014 heeft eiseres zelf telefonisch de kinderopvangtoeslag stopgezet per 1 januari 2014. Daarom zijn de voor de jaren 2014 en 2015 verstrekte voorschotten teruggevorderd.
5. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Eiseres heeft recht op meer compensatie wegens vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. In de jaren 2009 en 2010 heeft de Dienst Toeslagen de definitieve beschikking buiten de termijn van artikel 19 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) genomen en dat duidt op vooringenomen handelen. De hoogte van de vergoeding wegens hardheid voor het jaar 2011 klopt niet. In de jaren 2011 tot en met 2013 heeft eiseres wel degelijk kinderopvang afgenomen, zodat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geconcludeerd dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Met betrekking tot de jaren 2014 en 2015 betwist eiseres dat zijzelf de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet.
6.1.
De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat over de jaren 2011 tot en met 2013 sprake is van “evident geen recht”.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat de Dienst Toeslagen zelf tot de conclusie is gekomen dat bij de nihilstellingen en de terugvorderingen over de jaren 2011 tot en met 2013 sprake is geweest van vooringenomen handelen. In beginsel opent dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht de weg tot compensatie, althans in het geval dat het vooringenomen handelen tot schade heeft geleid. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht blijft compensatie echter achterwege indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in het desbetreffende jaar. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als geen kinderopvang is afgenomen. [1] Het is aan de Dienst Toeslagen om dit aannemelijk te maken. [2]
6.3.
De Dienst Toeslagen heeft zijn standpunt dat er na 2010 geen opvang is afgenomen, gebaseerd op de stelling dat daarvoor in zijn systemen geen aanwijzingen te vinden zijn. Eiseres heeft gesteld dat zij zeker weet dat zij ook na 2010 kinderopvang heeft afgenomen, maar dat zij dit niet meer met stukken kan aantonen. Eiseres heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat in 2011 beslag is gelegd op verzoek van een kinderopvanginstelling. Dit duidt er volgens eiseres op dat die kinderopvanginstelling in 2011 een vordering op eiseres had in verband met door haar afgenomen opvang. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit echter niet zonder meer dat er na 2010 kinderopvang is afgenomen. De vordering van de kinderopvanginstelling kan immers ook betrekking hebben op een eerder jaar. Dit ligt zelfs meer voor de hand, nu het beslag al is gelegd in maart 2011.
6.4.
Toch bestaat er naar het oordeel van de rechtbank te veel twijfel over de conclusie van de Dienst Toeslagen dat er na 2010 geen opvang meer is afgenomen. Hierbij is het volgende van belang.
6.5.
In het door de Dienst Toeslagen overgelegde document “RKT gegevens” over 2011 staat in de tabel onder “Opvang” achter een kind van eiseres onder “Datum einde” vermeld: “2011-08-28”. In dezelfde tabel is bij een ander kind van eiseres onder “Datum ingang” vermeld: “2011-01-01”. In hetzelfde document is in de tabel “Behandelstap” onder “Verslagtekst” het volgende vermeld: “31-01-2012: Uitschrijving opvanglocatie met registratienummer [registratie nummer kind 1] per 29-08-2011. Voor kind [registratie nummer kind 2] opvang stopgezet.”
6.6.
De Dienst Toeslagen heeft verwezen naar een schermafbeelding van het KOI-viewer-systeem over 2010 waarin is vermeld dat een kind van eiseres van 1 januari 2010 tot en met 29 juli 2010 naar de buitenschoolse opvang is gegaan en dat een ander kind van eiseres van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2010 naar de kinderopvang is gegaan. Volgens de Dienst Toeslagen volgt daaruit dat daarna geen kinderopvang meer is afgenomen. De Dienst Toeslagen heeft echter niet een uitdraai uit dit systeem van de jaren na 2010 overgelegd.
6.7.
De Dienst Toeslagen heeft verwezen naar schermafbeeldingen van zoekslagen naar de BSN-nummers van ouders die in de periode van 1 januari 2011 tot en met
31 december 2015 klant waren van de kinderopvanginstellingen waarvan ook eiseres gebruik heeft gemaakt. Op de schermafbeeldingen zijn van deze klanten de – deels gelakte – BSN-nummers te zien. Het BSN-nummer van eiseres staat hier niet bij. Volgens de Dienst Toeslagen blijkt daarom uit deze schermafbeeldingen dat eiseres niet tot deze klanten behoorde. De rechtbank kan deze conclusie in elk geval ten aanzien van de beide vestigingen van kinderopvanginstelling [opvang] niet volgen, nu deze kinderopvanginstelling in de genoemde periode veel meer klanten had dan zichtbaar zijn op de schermafbeeldingen.
6.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen zijn standpunt dat over de jaren 2011 tot en met 2013 sprake is van “evident geen recht”, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. De Dienst Toeslagen moet opnieuw op het bezwaar van eiseres beslissen. De rechtbank merkt daarbij op dat de Dienst Toeslagen, ondanks het verzoek van eiseres daartoe, niet het volledige ouderdossier heeft overgelegd. Eiseres heeft toegelicht dat zij onder meer de Lijst van afgehandelde zaken en het volledige SAS-rapport mist. De rechtbank sluit niet uit dat deze stukken in de onderhavige zaak relevant kunnen zijn. De rechtbank merkt hierbij op dat het in dit geval, waarin eiseres stelt dat zij door tijdsverloop niet meer over stukken omtrent de kinderopvang beschikt en de aanwijzingen voor vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen er nu juist in bestaan dat destijds bij eiseres ten onrechte geen nadere informatie is opgevraagd, voor de hand ligt dat de Dienst Toeslagen alle informatie die mogelijk relevant kan zijn, betrekt bij zijn beoordeling en aan eiseres ter beschikking te stelt. De Dienst Toeslagen zal daarom bij zijn nadere besluitvorming het ouderdossier moeten betrekken en dat vooraf aan eiseres moeten verstrekken. [3]
6.9.
De Dienst Toeslagen zal bij zijn nadere besluitvorming ook het volgende moeten betrekken. Eiseres heeft stellig betwist dat zij op 1 december 2014 telefonisch de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet per 1 januari 2014. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij niet begrijpt hoe eiseres dit kan hebben gedaan omdat eiseres niet goed Nederlands spreekt. Volgens de gemachtigde is hiervoor de Lijst afgehandelde zaken belangrijk, maar dit stuk heeft de Dienst Toeslagen niet in het geding gebracht. De Dienst Toeslagen heeft verwezen naar een overzicht waarin is vermeld “Gebeurtenistype: 009 – burger zet toeslag stop”. Wat de precieze status van dit document is en hoe het tot stand is gekomen, is niet geheel duidelijk geworden. Wat er in het telefoongesprek is gezegd, blijkt in elk geval niet uit dit overzicht. Verweerder heeft ook geen telefoonnotitie overgelegd en evenmin een brief waarin de stopzetting is bevestigd. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat de Dienst Toeslagen bij zijn nadere besluitvorming ook nader zal moeten ingaan op de vraag of eiseres inderdaad op 1 december 2014 telefonisch de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet. Met name zal de Dienst Toeslagen moeten onderzoeken of hierover in zijn systemen meer informatie te vinden is. Uit de nieuwe beslissing op bezwaar zal moeten blijken welk onderzoek in dit verband is verricht.
6.10.
De Dienst Toeslagen zal in zijn nadere besluitvorming voorts op het volgende moeten ingaan. Uit het informatie- en beoordelingsformulier volgt dat met betrekking tot het jaar 2012 een “GHI-brief” is verzonden. In het bestreden besluit is hierover het volgende vermeld:
“In uw tijdlijn staat dat op 19 december 2014 een ‘GHI Brief’ is verstuurd. Inmiddels is er duidelijk waar deze term voor stond. De GHI-brief stond voor een verzoek om informatie dat verstuurd werd nadat het GHI-systeem had onderkend dat de ontvangen informatie over genoten opvang van opvanginstelling afweek van het verstrekte voorschot. GHI staat hierbij voor ‘G**** H**** Interface’ waarbij ‘G**** H****’ staat voor een naam van een medewerker van Belastingdienst/Toeslagen.”
De rechtbank heeft ter zitting aan de Dienst Toeslagen voorgehouden dat de afkorting GHI ook voorkomt in een oordeel van het College voor de rechten van de mens [4] en dat de Dienst Toeslagen in die procedure heeft verklaard dat de afkorting staat voor “Gestructureerde Hulp bij Intensief Toezicht”. De Dienst Toeslagen heeft daarop ter zitting verklaard dat het plausibel is dat dit de juiste betekenis is van de afkorting GHI. Gelet hierop, en nu het op het eerste gezicht weinig aannemelijk is dat de G en de H in de afkorting verwijzen naar een persoon, zal de Dienst Toeslagen dit punt in zijn nadere besluitvorming moeten betrekken en duidelijk moeten maken wat de betekenis is geweest van de in 2014 verzonden brief.
7.
7.1.
De rechtbank zal hierna op een aantal andere beroepsgronden en standpunten van eiseres ingaan.
7.2.
De beroepsgrond over de overschrijding van de termijn van artikel 19 van Pro de Awir slaagt niet. De overschrijding van deze termijn maakt namelijk op zichzelf niet dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. [5]
7.3.
Over de beroepsgrond over de hoogte van de compensatie wegens hardheid voor het jaar 2011, overweegt de rechtbank het volgende. De Dienst Toeslagen heeft over 2011, hoewel “evident geen recht” is aangenomen, toch een vergoeding wegens hardheid toegekend omdat een deel van de kinderopvangtoeslag (€ 1.942,-) aan een gerechtsdeurwaarder is uitbetaald na een gelegd beslag en de kinderopvangtoeslag wel volledig bij eiseres is teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft hierbij zijn zogenoemde KOT naar KOI-beleid toegepast, omdat de Dienst Toeslagen vermoedt dat het beslag door de kinderopvanginstelling is gelegd. Volgens eiseres moet bij de compensatieberekening rekening gehouden worden met het volledige teruggevorderde bedrag van € 17.147,- en niet slechts met het bedrag van € 1.942,-. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt omdat zij voor de juistheid daarvan geen aanknopingspunten ziet, ook niet in het beleid van de Dienst Toeslagen. [6]
7.4.
Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat de Dienst Toeslagen duidelijk moet maken waarom eiseres een O/GS-kwalificatie had, overweegt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen heeft erkend dat sprake is geweest van een onterechte kwalificatie O/GS en dat eiseres hiervoor een tegemoetkoming toegekend heeft gekregen. Over de besluitvorming daarover bestaat tussen partijen geen geschil. Gelet hierop was de Dienst Toeslagen in deze procedure niet verplicht op dit punt aan eiseres nader inzicht te verstrekken of nadere stukken over te leggen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal de Dienst Toeslagen opdragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op het bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om aan deze opdracht een dwangsom te verbinden. [7] De rechtbank let hierbij op de lange tijd die inmiddels is verstreken sinds het verzoek om een herbeoordeling. Verder is van belang dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat de Dienst Toeslagen in zaken over de hersteloperatie vaak niet beslist binnen de geldende beslistermijn.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de Dienst Toeslagen op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.
2.Dit blijkt uit de bewoordingen van lid 2. Zie ook het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van de Dienst Toeslagen, versie 3.16: “Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.” In de laatste versie (3.17) staat het iets anders: “Om evident geen recht te kunnen stellen, moet zorgvuldig en overtuigend kunnen worden gemotiveerd dat er geen opvang is geweest over de betrokken periode of dat de toeslagaanvrager (of toeslagpartner) anderszins niet voldeed aan de voorwaarden voor het recht op KOT.”
3.In bezwaarprocedures wordt het ouderdossier standaard verstrekt. Zie https://herstel.toeslagen.nl/dossiers/: “Gaat u in bezwaar tegen de uitslag van de integrale beoordeling? Of gaat u na de integrale beoordeling door naar de Commissie Werkelijke Schade? Dan ontvangt u bij de behandeling van uw zaak het ouderdossier.”
4.Oordeel 2025-69.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, punt 5.8.
6.Zie paragraaf 2.3.6 en paragraaf 3.4.5 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.9, van 29 oktober 2024 (het Handboek).
7.Artikel 8:72, zesde lid, van de Awb.