ECLI:NL:RBROT:2026:7791

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4498
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WmlArt. 8 WmlArt. 18f lid 3 WmlArt. 18pa WmlArt. 623 Boek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete en openbaarmaking inspectiegegevens

Verzoekster kreeg op 12 mei 2026 een bestuurlijke boete van €39.750,- opgelegd wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Tevens werd bepaald dat inspectiegegevens openbaar gemaakt zouden worden. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om betaling van de boete en openbaarmaking van de inspectiegegevens te voorkomen totdat op bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor schorsing van de boete, omdat verzoekster geen acute financiële noodsituatie aannemelijk had gemaakt en een betalingsregeling mogelijk is. Wel werd de openbaarmaking van inspectiegegevens geschorst vanwege de onomkeerbare gevolgen daarvan en onduidelijkheid over de rechtmatigheid van het boetebesluit, met name over de vermeende rechtsopvolging en de gebruikte wettelijke grondslagen.

De minister moet wachten met openbaarmaking tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Daarnaast moet de minister het griffierecht en proceskosten aan verzoekster vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S. Veling op 2 juli 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen boete afgewezen, schorsing openbaarmaking inspectiegegevens toegewezen tot twee weken na bezwaarbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4498

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigden: mr. L.P.R. Gelissen en mr. P. de Haas),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: mr. M.M. de Lange).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een opgelegde bestuurlijke boete. Verzoekster is het met de oplegging van de boete niet eens en heeft daarom verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek gedeeltelijk toe
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft de minister aan verzoekster een bestuurlijke boete van € 39.750,- opgelegd en bepaald dat de inspectiegegevens openbaar gemaakt zullen worden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, gelijktijdig met twee andere verzoeken om een voorlopige voorziening [1] , op 18 juni 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (bestuurder van [verzoekster] ) en de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het om in deze zaak?

3. De Nederlandse arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In het kader van administratief onderzoek hebben arbeidsinspecteurs op 19 december 2024 een onderzoek opgestart bij verzoekster. Naar aanleiding hiervan is op 12 februari 2026 een boeterapport opgemaakt. In dit rapport staat dat aan vijf werknemers niet het verschuldigde minimumloon is uitbetaald. Dit levert volgens de minister overtredingen op van de artikelen 7, eerste lid en 8, eerste lid, onder a en c, van de Wml. In het boeterapport staat verder dat aan één werknemer het verschuldigde minimumloon niet tijdig is uitbetaald. Dit levert volgens de minister overtredingen op van de artikelen 7, eerste en zesde lid, 8, eerste lid, onder a en c, van de Wml en 623 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Er is volgens de minister sprake van “rechtsopvolging”, waardoor de boete met 200% dient te worden verhoogd. [2] Nadat de minister een voornemen tot het opleggen van een boete naar verzoekster heeft verstuurd, en verzoekster daarop een zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft de minister het bestreden besluit genomen. Vanwege de geconstateerde overtredingen heeft de minister een bestuurlijke boete van € 39.750,- opgelegd. De minister heeft verder bepaald dat de inspectiegegevens openbaar zullen worden gemaakt. [3] Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij de boete niet hoeft te betalen en dat de inspectiegegevens niet worden gepubliceerd, totdat is beslist op het bezwaar.
Het boetebesluit
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [4] Er moet dus voldoende spoedeisend belang zijn. Een financieel belang vormt naar vaste rechtspraak op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster kan immers financiële compensatie vorderen van de minister indien het besluit in de bodemprocedure niet in stand blijft. Maar dit kan anders zijn indien sprake is van een acute financiële noodsituatie. [5] Verzoekster heeft echter geen stukken overgelegd die inzicht geven in haar financiële positie. Niet aannemelijk is daarom geworden dat zij door de boete in een financiële noodsituatie zal geraken indien het boetebesluit niet zou worden geschorst. Verder is van belang dat verzoekster desgewenst een betalingsregeling kan aanvragen, zoals de minister ter zitting heeft bevestigd. Ten aanzien van de boete heeft verzoekster dus niet aannemelijk gemaakt dat er een spoedeisend belang is dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Het besluit tot openbaarmaking
5. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding het besluit ten aanzien van de openbaarmaking van de inspectiegegevens te schorsen. Hierbij is van belang dat een besluit tot openbaarmaking onomkeerbare gevolgen heeft en er de nodige vragen zijn gerezen over de rechtmatigheid van het boetebesluit, althans over de motivering daarvan. Met name is hierbij van belang dat de minister de boete met 200% heeft verhoogd in verband met de eerder aan [bedrijf] opgelegde waarschuwing. Volgens de minister is hierbij sprake van “rechtsopvolging”. Wat precies onder “rechtsopvolging” moet worden verstaan en wat de hierbij geldende criteria zijn, heeft de minister echter niet duidelijk kunnen maken. Sterker nog, ter zitting heeft de minister verklaard dat mogelijk geen sprake is “rechtsopvolging” maar van “vereenzelviging”. Volgens de minister kan de aan [bedrijf] opgelegde waarschuwing hoe dan ook aan verzoekster worden tegengeworpen. Voor de voorzieningenrechter bestaat echter hieromtrent op dit moment te veel onduidelijkheid. De minister zal op dit punt in de bezwaarprocedure opheldering moeten verschaffen. De minister kan tijdens de bezwaarprocedure ook nader ingaan op de vraag of ten aanzien van de werknemers [naam 2] en [naam 3] de juiste wettelijke grondslag is gebruikt, nu verzoekster gemotiveerd heeft gesteld dat aan deze werknemers wel degelijk tijdig het minimumloon is uitbetaald, maar dat dit loon met instemming van de desbetreffende werknemers is uitbetaald op rekeningnummers die niet op hun naam stonden. Gelet op de gerezen vragen en op de onomkeerbare gevolgen van openbaarmaking, ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor de hand dat de minister nu al tot openbaarmaking overgaat. Dat verzoekster (in het verzoek om een voorlopige voorziening) niet ten aanzien van alle werknemers de overtredingen heeft betwist, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat de minister bij een besluit tot boeteoplegging alle omstandigheden van het geval moet meewegen en niet valt uit te sluiten dat de minister bij andere omstandigheden niet tot boeteoplegging zou zijn overgegaan.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter zal het verzoek ten aanzien van de bestuurlijke boete afwijzen.
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek ten aanzien van de openbaarmaking van de inspectiegegevens toewijzen en het bestreden besluit voor dat gedeelte schorsen. De inspectiegegevens mogen niet openbaar worden gemaakt tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar aan verzoekster.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister aan verzoekster het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb [6] als volgt vast (voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand). De voorzieningenrechter kent 1 punt toe voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor deelname aan de zitting. De waarde per punt bedraagt € 934,-. De wegingsfactor is 1. De rechtbank stelt de kosten daarmee vast op € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van de bestuurlijke boete af;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van de openbaarmaking van de inspectiegegevens toe en schorst het besluit van 12 mei 2026, voor zover dit hierop ziet, tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ROT 26/4498 en ROT 26/4739
2.Zie artikel 18f, derde lid, van de Wml.
3.Zie artikel 18pa van de Wml.
4.Artikel 6:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2017:724.
6.Besluit proceskosten bestuursrecht.