ECLI:NL:RBROT:2026:7792

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4739
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:81 AwbArt. 7 WmlArt. 8 WmlArt. 623 Boek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete Wet minimumloon

Verzoeker is geconfronteerd met een bestuurlijke boete van €6.625,- opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). De boete is opgelegd na een administratief onderzoek waarbij is vastgesteld dat vijf werknemers niet het verschuldigde minimumloon ontvingen en één werknemer het loon niet tijdig kreeg uitbetaald. Verzoeker was feitelijk leidinggevende van deze werknemers.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de boete en verzocht om een voorlopige voorziening om betaling van de boete op te schorten totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 18 juni 2026 en beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter overweegt dat een financieel belang op zichzelf geen reden is voor een voorlopige voorziening, tenzij sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een dergelijke noodsituatie verkeert en heeft geen financiële stukken overgelegd. Bovendien kan verzoeker een betalingsregeling aanvragen. Daarom is geen spoedeisend belang aanwezig.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt verzoeker niet in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bestuurlijke boete wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4739

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigden: mr. L.P.R. Gelissen en mr. P. de Haas),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: mr. M.M. de Lange).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een opgelegde bestuurlijke boete. Verzoeker is het met de oplegging van de boete niet eens en heeft daarom verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft de minister aan verzoeker een bestuurlijke boete van € 6.625,- opgelegd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, gelijktijdig met twee andere verzoeken om een voorlopige voorziening [1] , op 18 juni 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigden en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het om in deze zaak?

3. De Nederlandse arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In het kader van administratief onderzoek hebben arbeidsinspecteurs op 19 december 2024 een onderzoek opgestart bij [bedrijf] . Naar aanleiding hiervan is op 12 februari 2026 een boeterapport opgemaakt. In dit rapport staat dat aan vijf werknemers niet het verschuldigde minimumloon is uitbetaald. Dit levert volgens de minister overtredingen op van de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, onder a en c, van de Wml. In het boeterapport staat verder dat aan één werknemer het verschuldigde minimumloon niet tijdig is uitbetaald. Dit levert volgens de minister overtredingen op van de artikelen 7, eerste en zesde lid, 8, eerste lid, onder a en c, van de Wml en 623 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Verzoeker had deze werknemers in dienst en was feitelijk leidinggevende. Nadat de minister een voornemen tot het opleggen van een boete naar verzoeker heeft verstuurd, en verzoeker daarop een zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft de minister het bestreden besluit genomen. Vanwege de geconstateerde overtreding (het feitelijk leiding geven aan de gedraging) heeft de minister een bestuurlijke boete van € 6.625,- opgelegd. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij de boete niet hoeft te betalen, totdat is beslist op zijn bezwaar.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2] Er moet dus voldoende spoedeisend belang zijn. Een financieel belang vormt naar vaste rechtspraak op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker kan immers financiële compensatie vorderen van de minister indien het besluit in de bodemprocedure niet in stand blijft. Maar dit kan anders zijn indien sprake is van een acute financiële noodsituatie. [3] Verzoeker heeft niet gesteld dat hij in een financiële noodsituatie zal geraken indien het boetebesluit niet zou worden geschorst. Verzoeker heeft ook geen stukken overgelegd die inzicht geven in zijn financiële positie. Verder is van belang dat verzoeker desgewenst een betalingsregeling kan aanvragen, zoals de minister ter zitting heeft bevestigd. Verzoeker heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er een spoedeisend belang is dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ROT 26/4385 en ROT 26/4498.
2.Artikel 6:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:724.