ECLI:NL:RBROT:2026:7792
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete Wet minimumloon
Verzoeker is geconfronteerd met een bestuurlijke boete van €6.625,- opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). De boete is opgelegd na een administratief onderzoek waarbij is vastgesteld dat vijf werknemers niet het verschuldigde minimumloon ontvingen en één werknemer het loon niet tijdig kreeg uitbetaald. Verzoeker was feitelijk leidinggevende van deze werknemers.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de boete en verzocht om een voorlopige voorziening om betaling van de boete op te schorten totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 18 juni 2026 en beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter overweegt dat een financieel belang op zichzelf geen reden is voor een voorlopige voorziening, tenzij sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een dergelijke noodsituatie verkeert en heeft geen financiële stukken overgelegd. Bovendien kan verzoeker een betalingsregeling aanvragen. Daarom is geen spoedeisend belang aanwezig.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt verzoeker niet in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bestuurlijke boete wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.