ECLI:NL:RBROT:2026:7841

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
10-140095-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 23 SrArt. 24c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen cocaïne-invoer, niet-ambtelijke corruptie en overnemen niet-openbare gegevens

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer en handel in cocaïne in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021. Verdachte was werkzaam bij een bedrijf en gebruikte zijn positie om loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles te delen met mededaders. Daarnaast maakte hij zich schuldig aan niet-ambtelijke corruptie door geld aan te nemen en het overnemen van niet-openbare gegevens uit het computersysteem van zijn werkgever.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder communicatie via Sky ECC-accounts en foto’s van bedrijfsgegevens. Verdachte ontkende bepaalde feiten, maar de rechtbank stelde vast dat hij geld ontving of vroeg voor zijn diensten. De rol van verdachte was een belangrijke schakel in de invoer van harddrugs via de Rotterdamse haven, wat ernstige maatschappelijke gevolgen heeft.

Hoewel de officier van justitie een gevangenisstraf eiste, hield de rechtbank rekening met persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals het ontbreken van eerdere veroordelingen, stabiele sociale situatie en het feit dat verdachte sinds het delict niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Ook werd de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure meegewogen. Gezien deze factoren legde de rechtbank een taakstraf van 240 uur en een geldboete van € 10.000 op, naast verbeurdverklaring van een iPhone en contant geldbedrag van € 6.255.

Het onderzoek aan de telefoon van verdachte werd als onrechtmatig beoordeeld vanwege het ontbreken van voorafgaande rechterlijke toestemming, maar dit leidde niet tot bewijsuitsluiting. De rechtbank concludeerde dat de ernst van de feiten gevangenisstraf rechtvaardigt, maar dat een taakstraf passend is gezien de omstandigheden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en een geldboete van € 10.000 wegens medeplegen voorbereidingshandelingen cocaïne-invoer, niet-ambtelijke corruptie en overnemen niet-openbare gegevens.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-140095-21
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Datum zitting: 12 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. A.W.J. van der Meer
Officier van justitie: mr. R.S. Dhoen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geldboete van € 10.000,-.

1.Tenlastelegging

De tenlastelegging houdt in dat de verdachte
1.
in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet,
- het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- met één of meer mededader(s) contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te maken over het afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van de cocaïne, en/of
- aan zijn mededader(s) informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en/of
- aan zijn mededader(s) foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;
2.
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland
anders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten,
(meermalen, althans éénmaal) een gift, belofte en/of dienst, te weten geld, heeft aangenomen en/of heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en/of vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;
3.
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland
meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en/of containers en/of douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] ), voor zichzelf en/of voor een ander heeft overgenomen.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat alle feiten bewezen worden verklaard.
2.2.
Conclusie van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 dient de verdachte te worden vrijgesproken van wat is tenlastegelegd onder de eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepjes. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is er onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk giften zijn aangenomen en moet vrijspraak volgen.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering
De bewezenverklaring staat hieronder en is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsmotivering. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
2.3.2.
Nadere bewijsmotivering
Identificatie verdachte
Op grond van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de Sky ECC accounts met gebruikersnamen [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] . De verdachte heeft via deze accounts informatie verschaft over douanecontroles, loslijsten en containernummers aan zijn medeverdachten. Hiertoe heeft de verdachte foto’s verstuurd van gegevens en systemen van zijn toenmalige werkgever [bedrijf] .
Rol verdachte
Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende over de rol van de verdachte. Op basis van de door de verdachte verstrekte informatie met betrekking tot douanecontroles, loslijsten en containernummers werd onder meer besloten of cocaïne zou worden meegestuurd (
geshoot) met een reguliere lading. Daarnaast kon de verdachte de blokkade van containers eraf halen als deze op ‘rood’ binnenkwamen, dat wil zeggen voor controle in aanmerking kwamen. Ook kon de verdachte van binnenuit de poort voor de uitsluis van het haventerrein openen. De verdachte heeft hierover gecommuniceerd met de medeverdachten.
Financiële beloning
Anders dan de verdachte heeft verklaard, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte geld heeft ontvangen of heeft gevraagd aan de medeverdachten voor de diensten die hij heeft verleend of zou verlenen. Zo stuurde de verdachte onder meer de berichten ‘
Ik moet even met mijn maat praten hierover. En kijken hoe het met geld zit, als het de moeite waard is om potentieel ontslagen te worden’, ‘
Ik doe mijn best. Maar als iedereen blijft pushen om dingen, bro ik heb nog geen euro gezien hé’, ‘
Zit ik zonder baan. Omdat je ff 1x doekoe wou pakken. dat is toch niet slim man. Kunnen we straks jaren knallen’, en ‘
Je weet zelf dat je overdrijft he, niemand wilt geen shit met jou doen omdat je altijd slecht betaald heb, wie is de enige die nog kwam checken bij je of je nog kon shooten? Precies ik ben dat’. Gelet hierop constateert de rechtbank dat vaststaat dat er een financiële vergoeding tegenover het verschaffen van de informatie stond of zou staan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat tegenover het leveren van dergelijke (criminele) diensten door havenmedewerkers (hoge) vergoedingen staan.
2.3.3.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
Feit 1
in de periode van
7 maart2020 tot en met
21 februari 2021in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen
van cocaïne, zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet,
- het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
door
- met één of meer mededaders contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te maken over het afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van de cocaïne, en
- aan zijn mededaders informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en
- aan zijn mededaders foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;
Feit 2
op tijdstippen in de periode van
7 maart2020 tot en met
21 februari 2021in Nederland, anders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, meermalen een gift, te weten geld, heeft aangenomen en/of heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en/of vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;
Feit 3
op tijdstippen in de periode van
7 maart2020 tot en met
21 februari 2021te Rotterdam, meermalen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk, niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en/of containers en/of douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] , voor zichzelf en/of voor een ander heeft overgenomen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
Feit 2
anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan/nagelaten, dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen dan wel vragen, bestaande het handelen in strijd met zijn plicht uit het in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever van het aannemen dan wel vragen van een gift, meermalen gepleegd;
Feit 3
opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk, voor zichzelf of voor een ander overnemen, meermalen gepleegd.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Het onderzoek aan de telefoon van de verdachte en de daarin opgeslagen gegevens is onrechtmatig , nu deze onderzoeken niet zijn getoetst door een rechterlijke instantie. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 in de zaak CG/Bezirkhauptmannschaft Landeck (hierna te noemen: de Landeck-uitspraak). Er is een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Ter compensatie van de zwaarte van de inbreuk dient een matiging van de op te leggen straf te volgen.
Bij een bewezenverklaring is het opleggen van een taakstraf de meest passende strafmodaliteit. Het bij de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Voor het ter beschikking stellen van de gegevens heeft de verdachte gelden ontvangen en/ of gevraagd.
Met zijn handelen was de verdachte een belangrijke schakel in de invoer van harddrugs via de Rotterdamse haven. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Dit vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte, door informatie te delen, het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschaad. Omkoping heeft een ondermijnend en corrumperend karakter ten opzichte van de samenleving en een negatieve invloed op het (internationale) handelsverkeer en de integriteit hiervan. De verdachte lijkt uitsluitend gedreven te zijn geweest door eigen gewin.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 11 juni 2026 staat het volgende.
De verdachte kan zelf geen duidelijk motief geven voor zijn handelen. Dit gebrek aan inzicht kan een risico zijn. De reclassering ziet verder dat er geen financiële noodzaak was voor het plegen van het delict. Dit wekt het vermoeden dat de verdachte mogelijk puur uit winstbejag heeft gehandeld.
Anderzijds ziet de reclassering ook voldoende beschermende factoren. De verdachte is op 7 maart 2023 aangehouden en diezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. [bedrijf] heeft hem ontslagen maar hij is sinds september 2023 elders werkzaam en heeft een inkomen uit arbeid en een vast contract. Daarnaast heeft hij geen problematische schulden, een koopwoning, goede partnerrelatie en de zorg voor twee nog jonge kinderen. Ook is er sprake van een positief ondersteunend familienetwerk. Er zijn ook geen aanwijzingen van verslavingsproblematiek of psychische dan wel psychiatrische problematiek.
Gelet op het bovenstaande en omdat de verdachte de druk van justitie als zwaar ervaart, en hij beseft dat hij veel te verliezen heeft, hij de risicovolle werkomgeving heeft verlaten en hij geen contact meer heeft met mensen uit het criminele netwerk, wordt het risico op recidive ingeschat als laag.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen meerwaarde in het adviseren van een reclasseringstoezicht met gedragsinterventies. Na het plegen van het onderhavig delict is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast zijn er voldoende stabiele factoren aanwezig en heeft de verdachte geen hulpvraag voor de reclassering.
4.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 7 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 3 jaar, 3 maanden en 20 dagen verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn van berechting in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat die redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.
4.3.4.
Het onderzoek aan de telefoon van verdachte
In het opsporingsonderzoek is de telefoon van de verdachte in beslag genomen op 7 maart 2023. Deze telefoon is met toestemming van de officier van justitie uitgelezen en de verkregen gegevens zijn onderzocht. Daaruit is voor de verdachte vrij veel belastend bewijsmateriaal naar voren gekomen.
De Landeck-uitspraak ziet op het onderzoek aan gegevensdragers en de inbreuk die zo’n onderzoek oplevert op de grondrechten die door artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgd worden. Daaruit volgt dat toestemming van een officier van justitie niet volstaat: een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit moet een voorafgaande toetsing doen en een machtiging afgeven zodra sprake is van meer dan een beperkt onderzoek aan de gegevensdrager. De Hoge Raad is vervolgens ingegaan op de betekenis van deze uitspraak voor de Nederlandse opsporingspraktijk met het arrest van 18 maart 2025, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2025:409. De Hoge Raad heeft in dit arrest eerdere rechtspraak bijgesteld.
Gelet op deze jurisprudentie stelt de rechtbank vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De officier van justitie had (achteraf bezien) de rechter-commissaris om een toetsing moeten vragen en zijn of haar machtiging moeten hebben voor het onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Die rechterlijke toestemming is er niet , terwijl het onderzoek aan de telefoon van de verdachte meer dan beperkt was. Dat kan niet achteraf worden gecorrigeerd. Uit de Nederlandse uitspraken naar aanleiding van de Landeck-uitspraak volgt echter dat het enkele gegeven dat de privacy zonder voorafgaande rechterlijke toets is geschonden niet zonder meer moet leiden tot bewijsuitsluiting of matiging van de op te leggen straf. Er zijn in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval anders moet worden geoordeeld. Daarom zal worden volstaan met het enkele constateren van het vormverzuim.
4.3.5.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten zou een gevangenisstraf passend zijn. De rechtbank acht dit echter in dit geval niet op zijn plaats gelet op de volgende omstandigheden. De feiten zijn ongeveer 5 à 6 jaar geleden gepleegd. Sindsdien is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. De verdachte heeft tijdens de zitting de verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en daarover openheid van zaken gegeven. De rechtbank houdt ook rekening met het aandeel van de verdachte bij de strafbare feiten. Hoewel de rol van de verdachte in het geheel belangrijk was, lijkt de bijdrage van de verdachte in omvang vrij beperkt. Verder heeft de verdachte ook persoonlijk de consequenties van zijn handelen ervaren. Hij is zijn baan en bijbehorend sociaal netwerk verloren en heeft zijn leven in de afgelopen jaren opnieuw moeten opbouwen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met name vanuit winstbejag heeft gehandeld. De rechtbank acht het daarom passend en geboden dat hij financieel de gevolgen van zijn handelen draagt en legt, naast de hierna te noemen verbeurd verklaring van het geldbedrag van € 6.255,-, een geldboete op van € 10.000,-. Daarnaast wordt een taakstraf opgelegd van 240 uur.

5.In beslag genomen voorwerpen (verbeurdverklaring)

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De in beslag genomen iPhone en het contante geldbedrag van € 6.255,-, moet worden verbeurd verklaard.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De iPhone kan worden verbeurdverklaard. Het inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Als bijkomende straf voor de feiten 1, 2 en 3 worden de in beslag genomen iPhone (met goednummer [goednummer 1] ) en een contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ) verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte.
De iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.
De iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- behoren aan de verdachte toe.
Aangenomen wordt dat het geldbedrag van € 6.255,- uit de baten van de strafbare feiten is verkregen.
De strafbare feiten zijn met behulp van de iPhone gepleegd.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 23, 24c, 33, 33a, 47, 57, 60, 138c en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
236 uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
118 dagen;
Geldboete
veroordeelt de verdachte tot een
geldboete van € 10.000,-;
beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
75 dagen;
Verbeurdverklaring
verklaart verbeurd voor de feiten 1, 2 en 3 de in beslag genomen:
- grijze iPhone (met goednummer [goednummer 1] ); en
- contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ).

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. M.K. Asscheman-Versluis en H. Wielhouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.
Mrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.