ECLI:NL:RBROT:2026:7847

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
11749065 CV EXPL 25-13693
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst bij beperkte huurachterstand en minderjarig kind

In deze zaak vordert Stichting Hef Wonen de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens huurachterstand door de huurder. De huurder erkent de huurachterstand en de lopende huur, maar betwist de ontbinding van de overeenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand minder dan drie maanden bedraagt en dat de huurder sinds juli 2025 de lopende huur betaalt. Tevens is er een minderjarig kind woonachtig in de woning en heeft de huurder hulp ingeschakeld bij het aflossen van de schulden. Deze omstandigheden maken ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd.

Daarnaast wordt de vordering tot betaling van incassokosten afgewezen omdat de betreffende bepaling in de huurovereenkomst oneerlijk is en afwijkt van de wettelijke regeling. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van €1.738,37 en de wettelijke rente, evenals de proceskosten van €1.072,95. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11749065 CV EXPL 25-13693
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.J.A. Bosch.
De partijen worden hierna ‘Hef Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 juni 2025, met bijlagen 1 tot en met 5;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 26 juni 2025;
  • de mail van Hef Wonen van 2 oktober 2025, met een bijlage;
  • de akte van Hef Wonen van 15 januari 2026;
  • de akte van Hef Wonen van 12 maart 2026, met bijlage;
  • de akte van [gedaagde] van 12 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 3;
  • de aantekeningen van de griffier van de op de rolzitting van 12 maart 2026 namens [gedaagde] mondeling gegeven reactie.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 13 oktober 2025.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt een woning van Hef Wonen en heeft de huur niet op tijd betaald. Hef Wonen wil dat [gedaagde] de huurachterstand en de lopende huur betaalt. Hef Wonen wil ook dat de huurovereenkomst voorwaardelijk eindigt en dat [gedaagde] vertrekt uit de woning als zij de voorwaarden niet nakomt. [gedaagde] moet de huurachterstand en de lopende huur inderdaad betalen. [gedaagde] hoeft de woning niet te verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.2.
Gedaagde hoeft geen incassokosten te betalen
2.3.
De bepaling over de buitengerechtelijke kosten in de huurovereenkomst is oneerlijk. De bepaling wijkt namelijk in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro) of wekt die indruk. Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de handelaar geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de handelaar eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
2.4.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de huurachterstand van € 1.738,37 betalen
2.5.
De kantonrechter gaat er gelet op de inhoud van de akte van [gedaagde] vanuit dat partijen het erover eens zijn dat de schuld van [gedaagde] aan Hef Wonen op 12 maart 2026 € 1.929,84 was. Dit bedrag is gebaseerd op de huur tot en met de maand maart 2026 en wordt door Hef Wonen gevorderd. Na aftrek van de in rekening gebrachte buitengerechtelijke incassokosten van € 191,47 resteert een bedrag van € 1.738,37. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan Hef Wonen te betalen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.6.
De rente wordt toegewezen, omdat Hef Wonen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Gezien de na dagvaarding door [gedaagde] gedane betalingen wordt dit onderdeel van de vordering toegewezen als hierna in het dictum gemeld.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden
2.7.
De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [1] Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wordt de geëiste ontbinding afgewezen. De huurachterstand bedraagt nu minder dan drie maanden en [gedaagde] betaalt sinds juli 2025 de lopende huur. Ook heeft zij hulp ingeschakeld bij het aflossen van haar schulden. Bovendien woont er bij [gedaagde] een minderjarig kind. De kantonrechter oordeelt dat onder deze omstandigheden de tekortkoming van [gedaagde] de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Ook niet als de door Hef Wonen genoemde eerdere huurachterstand daarbij wordt betrokken. Daarom wordt de vordering om te overeenkomst te ontbinden afgewezen. De kantonrechter zal de daarmee verband houdende vorderingen daarom afwijzen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 385,- aan griffierecht, € 434,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.072,95. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hef Wonen te betalen € 1.738,37 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag dat aan huurachterstand berekend tot en met de maand juni 2025, telkens na iedere creditmutatie, heeft uitgestaan vanaf 10 juni 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.072,95;
3.3.
wijst al het andere af;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
62574

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810