Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 7 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van Hef Wonen, met bijlage 11.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert Stichting Hef Wonen betaling van een huurachterstand, ontruiming van de woning en een gebruiksvergoeding van de huurder die tot 5 november 2025 een woning huurde. De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst op oneerlijke bepalingen vanwege de consumentenhuur.
De huurprijswijzigingsbepaling in de algemene voorwaarden staat een jaarlijkse indexering toe volgens de consumentenprijsindex (CPI) en een opslag van maximaal 5%. De kantonrechter oordeelt dat het opslagbeding van 5% oneerlijk is omdat het niet binnen aanvaardbare grenzen blijft en niet noodzakelijk is voor kostencompensatie. Dit beding wordt vernietigd, maar de rest van de bepaling blijft geldig, waardoor alleen de CPI-indexering geldt.
Hef Wonen heeft de huurprijs alleen verhoogd op basis van de indexering, zodat de huurachterstand van €6.089,90 blijft bestaan en betaald moet worden. De huurder moet de woning ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en een gebruiksvergoeding van €1.217,98 per maand betalen vanaf 1 maart 2026 tot ontruiming. Incassokosten worden afgewezen wegens een oneerlijke bepaling. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, gebruiksvergoeding, rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, gebruiksvergoeding, ontruiming van de woning en proceskosten, met vernietiging van het opslagbeding in de huurprijswijziging.