Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..[gedaagde 1] ,
2..[gedaagde 2] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 3 oktober 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlage;
- de akte van Woonplus van 1 juni 2026, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
De Stichting Woonplus vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, stellende dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft en de woning zonder toestemming aan derden, waaronder een tweede gedaagde, in gebruik is gegeven of onderverhuurd.
De rechtbank oordeelt dat Woonplus onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te tonen dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Het onderzoek van Bureau Veerkracht en getuigenverklaringen zijn onvoldoende overtuigend en het leefritme van de huurder verklaart het lage nutsverbruik. Ook de door Woonplus aangevoerde omstandigheden zijn niet zwaarwegend.
Ten aanzien van de vermeende onderverhuur aan de tweede gedaagde is vastgesteld dat Woonplus al geruime tijd op de hoogte was van diens aanwezigheid en pas laat in de procedure actie ondernam. Bovendien is de tweede gedaagde inmiddels vertrokken en uitgeschreven. Dit rechtvaardigt geen ontbinding van de huurovereenkomst.
De rechtbank concludeert dat de gestelde tekortkomingen niet zijn komen vast te staan of niet leiden tot ontbinding. De vorderingen worden afgewezen en Woonplus wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft en dat er sprake is van onderverhuur.