ECLI:NL:RBROT:2026:8198

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
12161380 CV EXPL 26-8238
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:225 BWArt. 7:248 BWArt. 7:271 BWArt. 233 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid en voorwaardelijke ontbinding bij huurachterstand woning Rotterdam

De zaak betreft een huurachterstand van de woning aan een adres in Rotterdam, gehuurd door twee medehuurders sinds februari 2024. Hef Wonen vordert betaling van de achterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.

De rechtbank oordeelt dat beide huurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de huurachterstand tot 1 juli 2026, ook al heeft de tweede huurder de woning eerder verlaten. De schuld bedraagt €7.893,59 inclusief rente en kosten. Voor de periode na 1 juli 2026 is alleen de eerste huurder aansprakelijk.

Er is een betalingsregeling getroffen waarbij de eerste huurder naast de lopende huur maandelijks €300,- aflost. Bij niet-nakoming van deze regeling of het niet tijdig betalen van de huur wordt de huurovereenkomst ontbonden en moet de woning binnen veertien dagen worden ontruimd.

De rechtbank wijst de gevraagde ontbinding toe onder deze voorwaarden en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Een vergoeding voor de rest van de maand na ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en bij niet-nakoming volgt ontbinding en ontruiming van de woning.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12161380 CV EXPL 26-8238
datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats 1]
gedaagde sub 1,
die zelf procedeert.

2.[gedaagde 2] ,

woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde sub 2,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘Hef Wonen’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaardingen van 16 en 18 maart 2026, met bijlagen;
  • het antwoord van [gedaagde 2] .
1.2.
Op 25 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig mr. F.J.M. van der Bruggen namens de gemachtigde van Hef Wonen en [gedaagde 1] met [persoon A] van het wijkteam.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren sinds 23 februari 2024 de woning aan de [adres] in Rotterdam (hierna: de woning) van Hef Wonen. De huur is nu € 1.068,15 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Hef Wonen heeft in de dagvaarding geëist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huurachterstand met kosten en rente betalen. Zij wil ook dat de huurovereenkomst eindigt en dat de woning wordt ontruimd. Geoordeeld wordt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inderdaad de huurachterstand met kosten en rente moeten betalen. Voor deze schuld hebben Hef Wonen en [gedaagde 1] op de zitting een betalingsregeling afgesproken. Als [gedaagde 1] zich niet houdt aan die regeling of vanaf nu tijdens de aflosperiode de huur weer niet op tijd betaalt, eindigt de huurovereenkomst en moet hij de woning verlaten. Hierna wordt deze beslissing verder uitgelegd.
Betalingsachterstand
2.2.
[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat zij de woning op 10 november 2025 heeft verlaten vanwege relationele problemen met [gedaagde 1] . Volgens haar is zij daarom niet aansprakelijk voor de huurachterstand die nadien is ontstaan en verzoekt zij beëindiging van haar medehuurderschap. Hef Wonen heeft ter zitting verklaard ermee in te stemmen dat de huurovereenkomst ten aanzien van [gedaagde 2] met ingang van 1 juli 2026 wordt beëindigd. Zij heeft zich daarbij evenwel terecht op het standpunt gesteld dat [gedaagde 2] , naast [gedaagde 1] , hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de openstaande schuld die tot 1 juli 2026 is opgebouwd. Vaststaat namelijk dat [gedaagde 2] contractueel medehuurder was ten tijde van het ontstaan van de huurachterstand. Dat zij de woning heeft verlaten, ontslaat haar niet van haar reeds ontstane verplichtingen uit de huurovereenkomst, waaronder het betalen van de huur.
2.3.
Het voorgaande betekent dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] wordt beperkt tot de huurschuld met kosten en rente berekend tot 1 juli 2026. Voor de huurtermijnen en eventuele kosten die vanaf 1 juli 2026 opeisbaar worden, is uitsluitend [gedaagde 1] aansprakelijk. Hef Wonen en [gedaagde 1] zijn het erover eens dat de huurachterstand tot en met juni 2026, met rente en kosten, € 7.893,59 is. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] worden hoofdelijk veroordeeld om dit bedrag aan Hef Wonen te betalen.
Betalingsregeling
2.4.
Hef Wonen en [gedaagde 1] hebben op de zitting een betalingsregeling afgesproken. Zij zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] naast de lopende huur maandelijks € 300,- betaalt om de huurachterstand af te lossen. Zolang [gedaagde 1] zich aan de betalingsregeling houdt en de huur op tijd betaalt (telkens voor de eerste van de maand), hoeven hij en [gedaagde 2] de huurachterstand met rente en kosten (berekend tot 1 juli 2026) niet in één keer aan Hef Wonen te betalen.
(Voorwaardelijke) ontbinding huurovereenkomst en ontruiming van de woning
2.5.
De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van drie maanden of meer genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de huurachterstand van € 5.638,03 (ruim vijf maanden) op het moment van dagvaarden, zal de kantonrechter de gevraagde ontbinding toewijzen als [gedaagde 1] zich niet aan de betalingsregeling houdt of tijdens de aflosperiode de lopende huur niet op tijd betaalt. Hij moet dan ook rente betalen over het totale bedrag dat op dat moment open staat.
2.6.
Als de huurovereenkomst eindigt, moet [gedaagde 1] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de ontbinding. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde 1] dan een gebruiksvergoeding van € 1.068,15 per maand betalen (artikel 7:225 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Hef Wonen eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde 1] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW Pro) als voor het verhogen van de huur.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
stelt vast dat de huurovereenkomst tussen Hef Wonen en [gedaagde 2] is beëindigd met ingang van 1 juli 2026;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Hef Wonen € 7.893,59, waaronder de huur tot en met juni 2026, te betalen;
3.3.
bepaalt dat Hef Wonen het onder 3.2. genoemde bedrag niet kan opeisen zolang [gedaagde 1] vanaf 1 juli 2026 elke maand voor de eerste dag van de maand € 300,- aflost en de huur iedere maand op tijd betaalt;
en, als [gedaagde 1] een maandelijkse aflossingstermijn of de huur tijdens de aflosperiode niet of te laat betaalt:
3.4.
bepaalt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het alsdan nog openstaande saldo van het onder 3.2. toegewezen bedrag direct in één keer aan Hef Wonen moeten betalen en dat [gedaagde 2] niet aansprakelijk is voor enige schuld ter zake van huur of gebruik van de woning die op of na 1 juli 2026 is ontstaan;
3.5.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Hef Wonen en [gedaagde 1] met ingang van de dag nadat [gedaagde 1] de maandelijkse termijn of de huur tijdens de aflosperiode niet op tijd heeft betaald en veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na die datum de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen en de sleutels bij Hef Wonen in te leveren;
3.6.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Hef Wonen te betalen € 1.068,15 per maand, althans het periodieke bedrag dat naar wettelijke bepalingen als huurprijs geldt voor het gehuurde, met ingang van de maand waarin de huurovereenkomst is ontbonden tot en met de maand waarin de woning is ontruimd;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954